Paiement de l'impôt, preuve, mesure de contrôle · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Louvain 6 avril 2001

Rechercher
Texte en néerlandais

Paiement de l'impôt, preuve, mesure de contrôleTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/paiement-impot-preuve-mesure-controle-tribunal-louvain-2001-04-06-b922

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Louvain
Date
6 avril 2001

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

66 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Louvain du 06.04.2001

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE LEUVEN ZITTING VAN 6 APRIL 2001

AR 96/61021/A

…, aannemer, ingeschreven in het handelsregister te …, onder nummer …, wonende te …, …;

eiser,

ter zitting vertegenwoordigd door meester W. G., loco zijn raadsvrouw, meester S. H., advocate, kantoorhoudende te …, …,

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de Belasting over de toegevoegde waarde, Registratie en Domeinen, in de persoon van de heer Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor Tienen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3300 Tienen, in het RAC Goossensvest 3.


De rechter doet uitspraak in deze zaak die in beraad werd genomen op de zitting van 9.3.2001, op tegenspraak.

Gelet op de artikelen 2-9-34-36-37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Gehoord partijen in hun middelen bij monde van hun raadsman op de zittingen van 3.12.2000 en 9.03.2001.

Gelet op de conclusies neergelegd voor partijen en co de voor partijen neergelegde bewijsstukken.

Gezien de inleidende dagvaarding, 31.01.1996, ertoe strekkende :

- het verzet ontvankelijk en gegrond te horen verklaren:

- het dwangbevel uitgevaardigd door verweerder op 10.01.1996 nietig en zonder gevolg te horen verklaren;

- verweerder te veroordelen tot de kosten.


I. Feiten

1. Eiser is aannemer en voerde werken uit voor de heer en mevrouw in een woning te ….

2. In een PV van 9.01.1996 wordt vastgesteld dat drie facturen, die werden aangegeven door de bouwheren in hun BTW-aangifte, niet waren opgenomen in de boekhouding van eiser. Een bedrag van 324.000 Bef. aan niet betaalde BTW op die facturen wordt nagevorderd.

Tevens betwist verweerder de toepasbaarheid van het tarief van 6 % BTW en wordt 11 % bijkomende BTW nagevorderd op het geheel van facturen aan deze bouwheren uitgereikt hetzij een bedrag van 968.000 Bef.

Tenslotte wordt een boete van 200 % opgelegd hetzij 2.584.000 Bef.

3. Een dwangbevel voor voormelde bedragen werd uitgevaardigd op 10.01.1996, uitvoerbaar verklaard op 12.01.1996. Dit dwangbevel werd aangetekend ter kennisgeving verstuurd naar eiser op 15.01.1996.

4. Eiser dagvaardde op 31.01.1996.

II. Beoordeling

1. De inbreuken op de artikelen 54 (thans artikel 51, § 1, 3°) en 59, § 1 BTW-wetboek.

Artikel 54 (oud) bepaalde "Eenieder die in een factuur of in een als zodanig geldend stuk een bedrag aanrekent als belasting over de toegevoegde waarde, wordt schuldenaar van die belasting op het tijdstip van het uitreiken van de factuur of het stuk, zelfs indien hij geen goed heeft geleverd, noch een dienst heeft verstrekt."

Eiser ontkent niet de drie betwiste facturen uitgereikt te hebben doch stelt dat het pro forma facturen waren, opgesteld op verzoek van de bouwheren voor het wijzigen van bankinstelling.

Deze uitleg wordt niet bewezen :

- de betrokken facturen vermelden niet “pro forma” of "duplicaat" en wijzen er op geen enkele wijze op dat het niet om facturen gaat doch om bevestigingen van een bestek zoals voorgehouden;

- de bedragen stroken niet met een coherente uitleg;

- deze stelling strookt niet met de aangifte van deze facturen door de bouwheren in hun BTW-aangifte, wat impliceert dat zij voorhouden dat deze facturen overeenstemmen met uitgevoerde werken, wat zij achteraf dienaangaande ook verklaarden.

Overigens is de verklaring voor het bestaan van de facturen ook niet relevant nu de betrokken facturen beantwoorden aan de vereisten vermeld in artikel 54 BTW-wetboek, zodat de BTW verschuldigd is, zelfs als er geen goed werd geleverd, noch een dienst werd verstrekt.

De navordering van het bedrag van 324.000 Bef. aan niet betaalde BTW op die facturen is gegrond.

2. Het toepasselijke BTW-tarief

Eiser paste op het geheel van de werken het tarief van 6 % toe daar hij van oordeel is dat het ging om een verbouwing van een bestaande winkel met woonst. Hij stelt dat hij dit deed na consultatie van de architect.

Verweerder stelt dat het ging om een nieuwbouw, verwijzend naar de bouwvergunning en de uitleg verstrekt door de architect, en stelt dat het tarief van 6 % in geen enkele hypothese van toepassing kon zijn voor de winkel die voor professioneel gebruik bestemd is en geen geïntegreerd beroepslokaal is.

Het lastenboek vermeldt : "Bouwen van een winkel en appartementen"; de plannen vermelden "Bouwen van een winkel met appartementen + uitbreiding bestaande woning”; de bouwvergunning vermeldt “bouwen van een winkel met appartementen en uitbreiden bestaande woning”.

Uit deze stukken samen met de uitleg van de architect blijkt zonder twijfel dat het ging om een nieuwbouw, zeker rekening houdend met het feit dat de gevels nagenoeg volledig werden afgebroken.

Het tarief van 17 % wordt terecht gevorderd door verweerder zodat de navordering van 968.000 Bef. aan BTW eveneens gegrond is.

3. De geldboete van 200 % of 2.584.000 Bef.

Op grond van de relatief recente rechtspraak van het Arbitragehof en het Hof van Cassatie, staat het vast dat de rechter de boete, die als een straf dient aanzien te worden, kan en moet toetsen, ondermeer rekening houdend met de eventuele goede trouw van de belastingplichtige en met de evenredigheid van de boete ten opzichte van de begane overtreding.

Bij de beoordeling van de hoogte van de boete dient enerzijds afgewogen te worden of de overtredingen opzettelijk gebeurden met het oog op fraude (ten gunste van zichzelf of derden) wat een zware bestraffing met zich mee mag brengen en dient anderzijds nagegaan te worden welke boete de belastingplichtige kan afbrengen van het (al dan niet opzettelijk) herhalen van de inbreuken.

Het niet opnemen van de drie facturen in de boekhouding is niet in overeenstemming te brengen met enige goede trouw en wijst op fraude, zelfs indien dit op verzoek van de bouwheren gebeurde. De boete van 200 % dient toegepast te worden, echter beperkt tot de op die wijze ontdoken belastingen, hetzij 324.000 Bef. X 2 = 648.000 Bef.

Voor wat betreft de inbreuk in verband met het tarief is geen kwade trouw bewezen en ook niet waarschijnlijk daar de aannemer daar persoonlijk geen belang bij heeft Het gaat overigens om éénzelfde inbreuk die telkens opnieuw plaatsvond ten aanzien van één bouwheer. Er werden geen andere inbreuken in verband met het tarief vastgesteld.

Het past de sanctie toe te passen voorzien in het KB 41 en een boete van 10 % op te leggen. Deze boete bedraagt aldus 97.000 Bef.

Om al deze redenen oordeelt de rechtbank dat het opzet van de wetgever bereikt is door het opleggen van een geldboete van 648.000 – 97.000 = 755.000 Bef. ter bestraffing van de inbreuken en ter voorkoming van herhaling van dergelijke en andere inbreuken in de toekomst.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTER,

Beslissend in eerste aanleg en op tegenspraak.

Verklaart de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond;

Zegt voor recht dat het verzet gedeeltelijk gegrond is, enkel wat de opgelegde geldboete betreft en herleid de geldboete van 2.584.000 Bef. tot 755.000 Bef.

In hoofdsom, en beveelt voor zover nodig de teruggave van de eventueel reeds te veel geïnde bedragen, rekening houdend met huidige beslissing.

Zegt voor recht dat het verzet voor het overige ongegrond is.

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding als volgt begroot :

voor eiser :

dagvaarding : 7 .416 Bef.

Rechtsplegingsvergoeding : 12.900 Bef.

voor verweerder :

rechtsplegingsvergoeding : 12.900 Bef.

Aldus gedaan en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de twaalfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, op vrijdag, 6 april tweeduizendeneen, waar zitting namen :

mevrouw K. D., alleensprekend rechter,

mevrouw M. C., griffier.

M. C. K. D.

Textes cités

1
CTVA art. 541 occurrence

Décisions similaires

8