Paiement de l'impôt, poursuite, instance · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Anvers 10 juin 2005

Rechercher
Texte en néerlandais

Paiement de l'impôt, poursuite, instanceTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/paiement-impot-poursuite-instance-droits-tribunal-anvers-2005-06-10-0e9a

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Anvers
Date
10 juin 2005

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

47 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance d'Anvers du 10.06.2005

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op tien juni tweeduizend en vijf in openbare zitting van de 1F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :

L. B., enig rechter,

H. B., griffier.

In zake : A.R. Nr. 04/2683/A

1. G. K. R.,

zelfstandige, geboren te …, op 2 januari 1969,

2. P. E. L.,

bediende, geboren te … op 28 december 1970,

- beiden wonende te …, ….

eisende partijen

- verschijnende bij meester J. P. loco meester R. D. K., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen in de persoon van de rekenplichtige van het derde BTW-ontvangkantoor te Antwerpen waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

verwerende partij

- verschijnende bij meester D. V. loco meester R. L., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 27 april 2004,

- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 5 augustus 2004,

- het eensluidend verklaard afschrift van het tussenvonnis, uitgesproken door deze kamer dezer rechtbank op 11 maart 2005;

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen ip hun middelen en gezegden ter zitting van 27 mei 2005.


In het tussenvonnis van elf maart 2005 werd reeds vastgesteld dat er ter zake toelaatbaarheid geen betwisting loopt, ook niet zo nodig van ambtswege aan te voeren.

In vermeld tussenvonnis werd vastgesteld dat geen van beide huidig eisers middels het door de ontvanger uitgevaardigde dwangbevel wordt aangesproken in hoedanigheid van BTW-belastingplichtige.

Verweerder doet nu gelden dat zijn rechtsgrond artikel 51bis, § 1, 3° Wetboek BTW is, wat de belastingdienst reeds had aangestipt in de correctieopgave die het proces-verbaal voorafging (deze correctieopgave als zijn stuk 4).

Waarom de belastingdienst deze rechtsgrond dan niet opnam in het latere proces-verbaal, (zijn stuk 1), blijft dan zeer de vraag, terwijl hij toch precies dit proces-verbaal heeft aangewend ter onderbouwing van het door de ontvanger uitgevaardigde dwangbevel.

Dit proces-verbaal verwijst alvast in genen dele naar de voorafgaande correctieopgave,. en in die zin is het proces-verbaal niet afdoende gemotiveerd in de zin van de wet van 29 juli 1991, zoals door eisers aangevoerd in verzoekschrift en in latere conclusie van 11 oktober 2004.

In dit verband behelst het door verweerder in conclusie van 14 juli 2004 aangevoerde art. 861 Gerechtelijk Wetboek bepaaldelijk proceshandelingen, en noch het proces-verbaal, noch het dwangbevel waaraan het proces-verbaal is gehecht, vormen proceshandelingen.

Zo artikel 51bis, § 1, 3° Wetboek BTW toelaat eisers aan te spreken in hoedanigheid van zelfs niet-BTW-belastingplichtige medecontractanten, waarover de rechtbank zich te dezen ut sic niet uitspreekt, en zo daarop aansluitend art. 85 Wetboek BTW dan toelaat te hunnen laste als hoofdelijke belastingschuldigen de fiscale vordering te stellen middels uitvaardiging van een dwangbevel, blijkt alleszins voorliggend dwangbevel onwettig om reden van overtreding van vermelde wet van 29 juli 1991, en kan het geen rechtsgevolgen teweegbrengen.

Een dwangbevel moet immers gebouwd zijn op eigenstandige afdoende motieven, nu de wet van 29 juli 1991 bepaaldelijk als pijler heeft dat het "afdoende" is gemotiveerd en eisers aldus in het dwangbevel zelf (hier in het eraan aangehechte en aldus deel ervan uitmakende proces-verbaal) over alle elementen en informatie moesten beschikken om de precieze onderbouwing van de fiscale vordering te kunnen beoordelen, en daarop dan zo nodig desgewenst verweer te kunnen bouwen en voeren (vgl. Gent 4 maart 2003, TFR 2004/5).

Onderzoek van verdere grieven van eisers en van verdere argumenten van partijen wordt door het bovenstaande zonder nuttig voorwerp.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering toelaatbaar en als volgt gegrond,

Verklaart het dwangbevel van de ontvanger der BTW Antwerpen 3 van 30 oktober 2003 (RCIV 403/1015/01681/A.S., Reg.127/2164), uitvoerbaar verklaard op 3 november 2003, waarvan kennisgeving aan eisers met aangetekende brief van 4 november 2003, onwettig, verbiedt er bijgevolg de uitvoering van,

Veroordeelt verweerder tot terugbetaling aan eisers ondeelbaar van alles wat uit hoofde van vermeld dwangbevel reeds is betaald op welke wijze dan ook, meer intrest conform art.91, § 4 Wetboek BTW,

Veroordeelt verweerder tot de kosten, deze aan elke zijde begroot in respectieve conclusies, en door de rechtbank in hoofde van eisers vereffend op ambtshalve … EUR bij wijze van geactualiseerde rechtsplegingvergoeding,

Stelt vast dat artikel 92bis Wetboek BTW de rechtbank beoordelingsrecht ontzegt ter zake de door eisers gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis,

Wijst eisers af van het meer gevorderde en van het anders gevorderde.

H. B. L. B.

Textes cités

4
CTVA art. 51bis2 occurrences
CTVA art. 851 occurrence
CTVA art. 911 occurrence
CTVA art. 92bis1 occurrence

Décisions similaires

8