Paiement de l'impôt, disposition pénale, amende administrative, poursuite, instance · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruxelles 29 septembre 2010

Rechercher
Texte en néerlandais

Paiement de l'impôt, disposition pénale, amende administrative, poursuite, instanceTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/paiement-impot-disposition-penale-amende-tribunal-bruxelles-2010-09-29-2b0e

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruxelles
Date
29 septembre 2010

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

114 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruxelles du 29.09.2010

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL – 36ste Kamer

A.R. 2008/14661/A

- Federale belastingen - BTW - verzet tegen dwangbevel

- op tegenspraak

- eindvonnis

In zake van :

De B.V. G.J. J. B., vennootschap naar Nederlands recht, met maatschappelijke zetel te Nederland, …, …, welke in Nederland als BTW-belastingplichtige is geregistreerd onder BTW nummer NL …;

eisende partij,

vertegenwoordigd door Mr. T. L., advocaat te …, …;

tegen :

De Belgische Staat, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van E.a. inspecteur van het Centraal Ontvangkantoor (BTW-kantoor) voor Buitenlandse belastingplichtigen, met kantoren te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50, bus 3170;

verwerende partij,

vertegenwoordigd door Mr. V. D. V. loco Mr. A. D., advocaat te …, … (ref. : …).

In deze zaak, in beraad genomen op 01/09/2010 , wordt door de rechtbank

volgend vonnis uitgesproken :

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :

• het tegensprekelijk verzoekschrift in toepassing van artikel 1385decies van het gerechtelijk wetboek uitgaande van eisende partij en neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 05/11/2008;

• de beschikking tot regeling van conclusietermijnen overeenkomstig artikel 747, § 2 van het gerechtelijk wetboek van 16/01/2009;

• de conclusie en syntheseconclusie voor eiseres, neergelegd ter griffie op respectievelijk 14/09/2009 en 11/03/2010;

• de conclusie, syntheseconclusie en laatste syntheseconcIusie voor verweerster, neergelegd ter griffie op respectievelijk 15/05/2009, 14/12/2009 en 11/06/2010; en

• de stukken voor eiseres, neergelegd ter griffie op 17/08/2010.

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 01/09/2010, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

1. SAMENVOEGING

1. Eisende partij verzoekt om de samenvoeging van deze zaak (gekend onder A.R. nr. 2008/14661/A) met de zaak gekend onder A.R. nr. 2008/14663/A. Verwerende partij verzet zich evenwel tegen de samenvoeging van beide zaken.

Overeenkomstig artikel 30 van het gerechtelijk wetboek kunnen rechtsvorderingen als samenhangende zaken worden behandeld wanneer zij onderling zo nauw verbonden zijn dat het wenselijk is ze samen te behandelen en te berechten teneinde oplossingen te vermijden die onverenigbaar zouden kunnen zijn wanneer de zaken afzonderlijk worden berecht.

Gezien beide vorderingen (resp. inzake 2008/14661/A en inzake 2008/14663/A) door twee afzonderlijke eisende partijen werden ingesteld is er (mede gelet op het gebrek aan akkoord tussen partijen) geen reden om de zaken samen te voegen. Het gevaar van onverenigbare uitspraken, is immers niet aan de orde.

2. FEITEN

2. Eiseres is de moedervennootschap van de BV B., eveneens een vennootschap naar Nederlands recht (eiseres inzake 2008/14663/A). Zij bezit 100 % van de aandelen van de BV B..

Eiseres is in België niet ingeschreven als BTW-belastingplichtige.

Zij is in Nederland sinds 01/01/1980 geregistreerd als BTW-belastingplichtige onder het BTW-nummer NL ….

Op 10/07/2008 werd door de heer Y. V. (e.a inspecteur, diensthoofd a.i. bij de Administratie van de BTW, registratie en domeinen, verbonden aan het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen) een proces-verbaal opgesteld waarin werd vastgesteld dat eiseres in 2001 op drie uitgaande facturen Belgische BTW had aangerekend maar deze niet had afgedragen aan de Belgische Schatkist. Er werd om deze reden een inbreuk op artikel 51, § 1, 1° van het BTW-Wetboek vastgesteld. Het totaal bedrag aan verschuldigde BTW bedroeg € ….

Op 28/10/2008 werd vervolgens door gerechtsdeurwaarder K. C. aan eiseres een dwangbevel met bevel tot betalen betekend. Dit dwangbevel (RCIV nr. …) werd op 22/09/2008 uitgevaardigd door de heer J. J. (e.a inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor van het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen) en op 09/10/2008 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer Y. V. (e.a inspecteur, diensthoofd a.i. bij de Administratie van de BTW, registratie en domeinen, verbonden aan het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen).

Overeenkomstig voormeld dwangbevel, dat haar op 28/10/2008 werd betekend, bleek dat eiseres de volgende sommen aan verweerster verschuldigd was;

BTW€ …
GELDBOETEkrachtens artikel 70, § 1 en 1bis BTW-Wetboek€ …
INTERESTEN o.v.g. artikel 91, § 1 BTW-Wetboek0,80 % per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21/01/2007
MORATOIRE INTERESTEN o.v.g. artikel 91, § 4 BTW-Wetboekover de nog verschuldigde geldboeten die liepen vanaf de betekening van het dwangbevel
VERVOLGINGSKOSTEN

Op 05/11/2008 legde eiseres een verzoekschrift strekkende tot fiscaal verhaal (art. 1385decies Ger. W.) neer ter griffie van deze rechtbank waarmee voormeld dwangbevel (uitgevaardigd op 22/09/2008, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 09/10/2008 en betekend op 28/10/2008, RCIV nr. …) en voormeld proces-verbaal van 10/07/2008 worden betwist.

3. VOORWERP VAN DE VORDERINGEN

3. De vordering van eiseres strekt ertoe haar fiscaal beroep ontvankelijk en gegrond te horen verklaren, dienvolgens :

- verzoekt zij de rechtbank, alvorens recht te doen, te bevelen dat verweerster het administratief dossier zou bijbrengen (en bij gebreke hiervan verzoekt zij de rechtbank de onwettigheid van de bestreden belasting uit te spreken en verweerster te veroordelen·tot een vergoeding wegens deloyale proceshouding, te begroten door de rechtbank);

- haar verzoekschrift ontvankelijk en gegrond te horen verklaren evenals haar verzet tegen het dwangbevel betekend op 28/10/2008 (uitgevaardigd op 22/09/2008 door de heer J. J., E.a. Inspecteur, Ontvangkantoor, Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen, en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 09/10/2008 door de heer Y. V., E.a. Inspecteur Diensthoofd, RCIV nr. …) evenals haar verzet tegen het proces-verbaal d.d. 10/07/2008;

- de stuiting van de tenuitvoerlegging van voormeld dwangbevel te horen bevelen overeenkomstig artikel 89, lid 2 W.BTW;

- dienvolgens het bestreden dwangbevel (RCIV nr. …) te horen vernietigen en eiseres te horen ontslaan van de in dit dwangbevel gevorderde belasting over de toegevoegde waarde, interesten, boeten en kosten;

- derhalve verweerster te horen veroordelen tot de integrale terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden en die toegerekend werden op de sommen vermeld in het betreffende dwangbevel waarvan thans de vernietiging wordt gevorderd.

Verweerster concludeert tot de ongegrondheid van de vordering.

4. BEOORDELING

4.1. Ontvankelijkheid

4. Verweerster werpt geen middelen op om de ontvankelijkheid van de vordering van eiseres te betwisten. De rechtbank ziet evenmin redenen om ambtshalve te besluiten tot de niet-ontvankelijkheid van deze vordering. De vordering is ontvankelijk.

4.2. Ten gronde

5. M.b.t. de niet mededeling van het administratief dossier

Eiseres werpt op dat haar rechten van verdediging zouden geschonden zijn. Tevens zou aan de rechtbank de mogelijkheid worden ontzegd om ambtshalve toezicht uit te oefenen, nu verweerster naliet het administratief dossier mee te delen.

Ter zitting van 01/09/2010 werd velweerster er door de rechtbank nogmaals op gewezen dat geen administratief stukkenbundel was bijgebracht.

Verweerster stelde hierop dat zij over geen andere stukken/documenten beschikte dan deze welke door eisende partij reeds waren bijgebracht. Zij stelde eveneens dat de rechten van verdediging van eiseres geenszins werden geschonden nu haar steeds de mogelijkheid was geboden om eventuele bijkomende administratieve stukken alsnog op te vragen.

Zij stelde immers uitdrukkelijk : “(...) Daar de informatie verkregen werd vanwege een andere lidstaat van de Europese Unie, is er voor de vastgestelde inbreuken op grond van artikel 81bis, § 1, 3de lid 1° van het Belgische BTW-Wetboek, een verjaringstermijn van zeven kalenderjaren volgend op het jaar waarin de oorzaak van de verschuldigde BTW zich heeft voorgedaan. (...)” (zie het afschrift van het proces-verbaal van 24/09/2008 welke aan het verzoekschrift van eiseres werd aangehecht).

Aangezien verweerster zich uitdrukkelijk in voormeld proces-verbaal (en nog steeds in conclusies) wenst te beroepen op de verjaringstermijn van zeven kalenderjaren, is het aan haar om aan te tonen dat artikel 81bis, § 1, 3de lid, 1° BTW-Wetboek in casu effectief toepassing kon kennen. De bewijslast inzake ligt dan ook duidelijk in hoofde van verwerende partij.

Opdat de bijzondere verjaringstermijn van zeven kalenderjaren - een uitzonderingsbepaling op het eerste en tweede lid van artikel 81bis - in casu toepassing kan kennen, dient verweerster dus het nodige bewijs hiervan bij te brengen (met name stukken die duiden op de uitgewisselde informatie tussen de Nederlandse en Belgische administratie).

Alhoewel zij in haar proces-verbaal verwees naar “informatie welke zij verkregen zou hebben van een andere lidstaat van de Europese Unie", laat zij echter na ook maar enig document/stuk bij te brengen betreffende de uitgewisselde informatie tussen de Nederlandse en Belgische BTW-administraties.

In het betreffende betwiste proces-verbaal wordt ook geenszins melding gemaakt van de verkregen informatie in kwestie. Evenmin wordt er verwezen naar enig stuk/document hieromtrent.

Minstens dient vastgesteld te worden dat verweerster er niet in slaagt om ook maar enig bewijs (zelfs geen begin van bewijs) omtrent de uitgewisselde/verkregen informatie met/van de Nederlandse belastingadministratie bij te brengen. Zij stelt trouwens zelf niet in het bezit te zijn van andere stukken dan dewelke bijgebracht worden door eiseres. Op basis van haar eigen beweringen kan dus aangenomen worden dat een dergelijk stuk niet bestaat, minstens dat zij hiervan niet in het bezit is.

De buitengewone verjaringstermijn kende, bij gebrek aan het nodige bewijs (bijgebracht door de administratie), geen toepassing.

De betreffende invordering van de Belgische BTW-administratie ten aanzien van eiseres is, bij gebrek aan tegenbewijs, dan ook verjaard.

De vordering van eiseres is om voormelde redenen dan ook gegrond.

Dit maakt het onderzoek naar .eventuele verdere grieven en argumenten van de partijen zonder voorwerp.

7. M.b.t. de vordering van eiseres tot de integrale terugbetaling van de door baar reeds betaalde sommen

Rekening houdende met de stelling van verweerster dat zij niet in het bezit is van andere stukken dan deze die worden bijgebracht door eiseres kan niet zomaar de onwettigheid van de bestreden belasting worden uitgesproken louter en alleen op grond van het gegeven dat het administratief dossier niet werd bijgebracht. Evenmin is er enige reden om verweerster te veroordelen tot een vergoeding wegens deloyale proceshouding.

6. M.b.t. de verjaring van de vordering van de Belgische Staal t.o.v. eiseres

Eiseres is ten gronde de mening toegedaan dat de invordering van verweerster ten aanzien van haar verjaard is. De Belgische belastingdienst zou zich ten onrechte steunen op artikel 81bis, § 1, 3de lid, 1° van het BTW-Wetboek om de verjaring van de invordering van de Belgische BTW op respectievelijk drie facturen van het jaar 2001 (inzake 2008/14661/A) en één factuur van het jaar 2001 en één factuur van het jaar 2002 (inzake 2008/14663/A) te vermijden.

Verweerster weerlegt de argumenten van eiseres en stelt dat de respectievelijke vordering geenszins verjaard is nu zij, naar haar oordeel, terecht toepassing kon maken van artikel 81bis, § 1, 3de lid van het BTW-Wetboek. Op grond van dit artikel zou - in afwijking van het eerste en tweede lid van artikel 81bis, § 1 - de verjaringstermijn immers zeven kalenderjaren (volgend op het jaar waarin de oorzaak van de opeisbaarheid van de verschuldigde BTW zich heeft voorgedaan) bedragen.

Verweerster zou in casu informatie verkregen hebben van een andere lidstaat van de Europese Unie, namelijk Nederland, welke erop duidde dat eiseres had nagelaten BTW af te dragen aan de Belgische Staat.

Artikel 81bis, § 1, 3de lid, 1° van het BTW-Wetboek bepaalt het volgende :

"§ 1. Er is verjaring voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.

[...]

In afwijking van het eerste en tweede lid is de bedoelde verjaring er bovendien na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan, wanneer :

1° een inlichting, een onderzoek of een controle aantoont dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België of dat er onrechtmatige belastingaftrekken werden toegepast en de inlichting werd medegedeeld of verzocht of het onderzoek of de controle werd uitgevoerd of verzocht door, hetzij een andere Lid-Staat van de Europese Unie, overeenkomstig de regels daartoe bepaald in dit Wetboek of in de regelgeving van deze Unie, hetzij een bevoegde overheid van enig ander land waarmee België een overeenkomst heeft gesloten tot het vermijden van dubbele belasting, in verband met de belasting waarop die overeenkomst van toepassing is; (...)"

Alhoewel verweerster in conclusies verwijst naar artikel 81bis, § 1, 3de lid, 3° BTW-Wetboek, verantwoordde de administratie in haar proces-verbaal van 10/07/2008 de 7-jarige verjaringstermijn wel degelijk op grond van artikel 81bis, § 1, 3de lid, 1° BTW-Wetboek.

Nu verweerster geen middelen laat gelden omtrent de vordering tot integrale terugbetaling van de (eventueel) ten onrechte betaalde sommen met name de sommen welke ten onrechte werden betaalden ingehouden en die toegerekend werden op de sommen vermeld in het dwangbevel, is ook dit deel van de vordering gegrond.

5. WAARDE VAN DE VORDERING EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING

8. Aangezien de vordering van eiseres gegrond is, worden de kosten van het geding, in overeenstemming met artikel 1017 van het gerechtelijk wetboek, ten laste gelegd van verweerster.

Eiseres verzoekt om de toekenning van het basisbedrag, in cash begroot op € ….

Gelet op de waarde van de vordering inzake, en gelet op het feit dat door partijen geen afwijking van dit basisbedrag wordt gevorderd, kan dan ook een rechtsplegingsvergoeding van € … worden toegekend.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en als volgt gegrond;

Vernietigt het bestreden lastens eiseres opgelegde dwangbevel met referentie RCIV nr. …, uitgevaardigd op 22/09/2008 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 09/10/2008, alsmede het bestreden proces-verbaal (opgesteld op 10/07/2008) en zegt dat eiseres uit hoofde hiervan niets verschuldigd is aan BTW-geldboete en intresten;

Veroordeelt verweerster tot terugbetaling aan eiseres van de in uitvoering van dit proces-verbaal eventueel betaalde of ingehouden sommen, te verhogen met de moratoriumintresten overeenkomstig artikel 91, § 4 BTW-Wetboek.

Veroordeelt verweerster, in toepassing van art. 1022 Ger. W. en van de artikelen 1 en 2 van het K.B. d.d. 26 oktober 2007, tot betaling van de gedingkosten in hoofde van eiseres begroot op € … rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 36ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 29 september 2010.

Waar aanwezig waren en zitting namen :

De heer J. V. B., rechter

Mevrouw I. D., griffier.

I.D. J. V. B.

Lasten en bevelen dat alle daartoe gevorderde gerechtsdeurwaarders dit vonnis, deze beschikking, ten uitvoer zullen leggen;

Dat onze Procureurs-Generaal en onze Procureurs des Konings bij de rechtbanken van eerste aanleg daaraan de hand zullen houden en dat alle Bevelhebbers en Officieren van de openbare macht daartoe de sterke hand zullen bieden wanneer dit wettelijk van hen gevorderd wordt;

Ten blijke waarvan dit vonnis, deze beschikking, is ondertekend en gezegeld met het zegel van de rechtbank;

Voor eensluidende uitgifte.

Voor de Hoofdgriffier,

De griffier,

G. S.

Deze expeditie is vrijgesteld van het griffierecht bij toepassing van artikel 208-1° van het Wetboek der Registratie, Hypotheek en Griffierechten.

Textes cités

3
CTVA art. 913 occurrences
CTVA art. 511 occurrence
CTVA art. 701 occurrence

Décisions similaires

8