Paiement de l'impôt · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Bruxelles 20 juin 2003

Rechercher
Texte en néerlandais

Paiement de l'impôtTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/paiement-impot-cour-appel-bruxelles-2003-06-20-43d5

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Bruxelles
Date
20 juin 2003

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

72 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour de Bruxelles du 20.06.2003

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

HOF van BEROEP te BRUSSEL - Zesde fiscale kamer

Nr. van de zaak : 2001/AR/503 Openbare terechtzitting van 20-06-2003

IN ZAKE VAN :

BV B., vennootschap naar Nederlands recht, met maatschappelijke zere! gevestigd te … (…), ….

appellante,

vertegenwoordigd door Meester S. L., advocaat (…, …)

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Rekenplichtige van het Ontvangkantoor van het Centraal BTW-kantoor voor Buitenlandse Belastingplichtigen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1000 Brussel, Cantersteen, 47.

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester H. loco J. H., advocaat, (…, …)


Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit :

De Processtukken

Een verzoekschrift strekkend tot hoger beroep werd neergelegd ter griffie op 26.02.2001.

R. 2003/4185 EINDARREST – Ontvankelijk gedeeltelijk gegrond

Het hoger beroep is gericht tegen de beslissing van de 33ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg van Brussel op tegenspraak geveld op 22.12.2000.

Er wordt door de partijen geen akte van betekening neergelegd.

Het hoger beroep is ontvankelijk.

Het voorwerp van het geschil voor de eerste rechter en diens beslissing

De oorspronkelijke vordering was erop gericht het verzet tegen het dwangbevel uitgevaardigd op 19 januari 1994 door de rekenplichtige van het centraal ontvangkantoor voor buitenlandse belastingplichtigen geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 27 januari 1994 en betekend op 10 februari 1994 samen met het bevel tot betaling, gegrond te horen verklaren en te horen zeggen voor recht dat de vordering van de BTW administratie tot betaling van een bedrag van … Fr. als BTW en ….Fr. als geldboete meer de moratoire intresten op de hoofdsom, vanaf 10 februari 1994 ongegrond is en de BTW-administratie daarenboven te horen veroordelen tot betaling van een schadevergoeding ex aequo et bono geraamd op … Fr.

De eerste rechter heeft de vordering gedeeltelijk gegrond verklaard en voor recht gesteld dat de vordering van de geldboete door de Belgische staat ongegrond is omdat de vordering verjaard is. Voor het overige heeft hij de vordering afgewezen.

Het hoger beroep

Appellante streeft de hervorming van de bestreden beslissing na met uitzondering wat de vastgestelde verjaring van de geldboete betreft. Zij herhaalt voor het overige haar oorspronkelijke vordering.

Geïntimeerde concludeert tot de bevestiging

De relevante feiten

Bij proces-verbaal van 09 oktober 1992 opgesteld door mevr. R. adjunct-verificateur verbonden aan het centraal kantoor Buitenlandse belastingplichtigen, heeft appellante in België belastbare handelingen gesteld, die bestonden in de leveringen van land- en tuinbouwproducten en de verhuur van een broncorrector, terwijl appellante in België niet over een aansprakelijke vertegenwoordiger beschikte.

Volgens het proces-verbaal heeft appellante in de periode van oktober 1989 tot 30 juni 1990 facturen uitgereikt zonder dar zij de BTW die hierop verschuldigd is afgedragen heeft aan de Belgische Staat De grondslag voor de vordering is artikel 54 van het BTW-wetboek zoals het toen gold (huidig art. 51, 3°) van het BTW-wetboek.

Volgens dit artikel is de belasting verschuldigd door eenieder die op een factuur … belasting op de toegevoegde waarde vermeldt. Hij wordt schuldenaar van de belasting op het tijdstip van het uitreiken van de factuur .....

Het wordt echter niet betwist dat de BTW vermeld op de facturen uitgereikt aan de landbouwers betaald werd aan de Belgischt staat. Dit gebeurde door het aangeven van de verkoopwaarde van de in België geleverde goederen op naam van … in dienst van de appellante, die voor rekening van de Belgische afnemers de BTW betaalde op het ogenblik van de invoer.

Bij iedere invoer werd, met het akkoord van het bevoegd kantoor van douane en accijnzen zoals blijkt uit de brief uitgaande van dit kantoor op 11 december 1996, een douanedocument opgesteld waarbij …, handelend voor rekening van appellante, als geadresseerde werd aangeduid. Deze documenten werden op het ogenblik van de invoer afgestempeld en geviseerd door de Belgische Douane.

In naam en voor rekening van appellante, vertegenwoordigd door de …, werden de aangiften ten verbruik aangegeven door de NV Douaneagentschap …, gekend als BTW-belastingplichtige onder het nummer …. Dit kantoor heeft de verschuldigde BTW voldaan bij de ontvanger van de Douane en accijnzen.

Het is niet betwist dat de invoer en de facturen aan de Belgische afnemers volledig overeenstemt met de invoerdocumenten en dat het bedrag van de aangegeven en door appellante aan de Belgische staat afgedragen BTW volledig overeenstemt met de BTW die uiteindelijk door de landbouwers op wiens naam de facturen werden opgesteld, werd betaald.

Dit merkwaardig systeem werd opgezet door het douaneagentschap in samenspraak met de ontvanger van de douane om belangrijk tijdverlies te vermijden, volgens appellante veroorzaakt door het feit dat landbouwers niet genieten van de verlegging van BTW, zodat er bij invoer voor iedere landbouwer een document diende opgemaakt te worden met afdracht van de BTW bij de ontvanger van de douane op het kantoor van invoer.

Op de pro forma factuur vermeldde appellante op instructie van het douaneagentschap “levering franco huis vertold incl. BTW" dit om aan de BTW instructie te voldoen, om de maatstaf van de heffing vast te leggen en om conform te zijn met de facturen die zouden doorgestuurd worden door appellante aan haar afnemers landbouwers in België. Ook kon op die wijze, wat trouwens niet wordt betwist, aangetoond worden dat de BTW voldaan is op het ogenblik van de invoer.

Ook werd BTW geheven op een op een aantal facturen waarin door appellante geen BTW werd aangerekend. Met betrekking tot deze facturen gedraagt appellante zich naar de wijsheid van het Hof. Waarbij zij nochtans verduidelijkt dat zij betwist BTW op deze transacties verschuldigd te zijn en dat de verschuldigde BTW niet zou afgedragen zijn.

De discussie

Betreffende de verjaring heeft de eerste rechter terecht gesteld dat deze tijdig werd gestuit zij het enkel wat het gevorderde bedrag aan BTW en de intresten betreft door het verzoek tot invordering dat werd ingediend bij de Nederlandse autoriteiten en door het dwangbevel met bevel tot betaling betekend aan appellante op 09 februari 1999.

De administratie aanvaardt terecht dat de boetes verjaard zijn omdat deze niet werden opgenomen in het verzoek tot invorderingsbijstand van de ontvanger van het CKBB en evenmin in het dwangbevel van 09 februari 1999.


Wat de facturen betreft die werden uitgereikt zonder BTW beperkt appellante haar betwisting tot het formeel ontkennen dat de BTW verschuldigd zou zijn zonder echter enig middel te laten gelden.

In het proces-verbaal van 09 oktober 1992 werd zo voor het jaar 1989, …Fr BTW en voor het jaar 1990. … Fr BTW ontdoken.

Geen enkel element van aard om de bewijskracht van de vaststellingen in het proces-verbaal te ontkrachten wordt aangehaald.

De ontdoken BTW op deze facturen is verschuldigd.


Appellante beroept zich op een oneigenlijk gebruik van artikel 54 van het BTW wetboek door de administratie en beroept zich op het vertrouwensbeginsel omdat zij langs haar douaneagentschap om een akkoord had bekomen van het douanekantoor De Kempen zodat zij in vertrouwen zou gehandeld hebben overeenkomstig de richtlijnen van de fiscale overheid.

De richtlijnen van de overheid en een akkoord kunnen nooit indruisen tegen de wet.

Door een factuur op te stellen op naam van haar vertegenwoordiger … heeft appellante een (onbestaande) kunstmatige tussenstap in de keten van leveringen ingeschakeld.

Zij heeft onregelmatig gehandeld. Dat haar douaneagentschap omtrent deze wijze van handelen een akkoord bekomen heeft is wezenlijk zonder belang. Het staat echter vast dat dit gebeurde zonder enige kwaadwillig opzet behoudens voor de verschuldigde BTW die niet werd afgedragen op een aantal facturen.

De motieven van de eerste rechter betreffende de oorzaak van de dubbele heffing en de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de dubbele heffing worden bijgevolg volledig onderschreven door het hof van beroep.

Dit neemt echter niet weg dat, wanneer vaststaat dat er een dubbele heffing bestaat op een levering waarbij eveneens vaststaat dat de BTW werd betaald aan de schatkist, de neutraliteit van de BTW, wordt geschonden en er een concurrentievervalsing optreedt indien die dubbele heffing in stand gehouden wordt.

Het dwangbevel dient dan ook in de mate dat het gestoeld is op deze dubbele heffing, vernietigd te worden omdat tijdens het geding is gebleken dat in casu de toepassing van artikel 54 van het BTW-wetboek het de neutraliteit van de BTW zou schenden.


Niet zonder overmoed vordert appellante schadevergoeding van de administratie

Vooreerst en dit motief volstaat in feite werd een fraude vastgesteld ten belope van ontdoken BTW voor een bedrag van … Fr. waartegen appellante zelfs geen verweer voert.

Vervolgens ontsnapt appellante wegens verjaring aan de boete die terecht op dit bedrag aan ontdoken BTW werd toegepast.

Uiteindelijk was de inschakeling van de fictieve tussenstap de enige oorzaak van de moeilijkheden die appellante ontmoette. Appellante of haar gespecialiseerde raadgevers dienden te weten, op het ogenblik dat ze dit onwettelijk systeem al dan niet met medeweten van een ambtenaar van geïntimeerde opgezet hebben, dat dit systeem haar noodzakelijk de moeilijkheden zou berokkenen die ze heeft gekend.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak,

Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.

Hervormt de bestreden beslissing in zover de eerste rechter het dwangbevel slechts gedeeltelijk heeft vernietigd ten belope van de boetes. Zegt voor recht dat het dient vernietigd te worden voor alle bedragen, die de BTW van … Fr … € vermeerderd met de intresten, overschrijdt.

Vernietigt he! bestreden dwangbevel in die mate.

Verklaart de oorspronkelijke eis van appellante voor het overige ongegrond.

Verdeelt de kosten bij helften.

De kosten worden in graad van hoger beroep begroot op € … voor appellante en op € … voor geïntimeerde.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op 20.06.2003.

alwaar aanwezig waren en zitting namen.

K. V. H., voorzitter,

Y. D. R., raadsheer,

M. R., raadsheer,

C. D. N., griffier.

C. D. N. M. R. Y. D. R. K. V. H.

Textes cités

1
CTVA art. 543 occurrences

Décisions similaires

8