Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du tribunal de première instance de Bruxelles dd. 08.09.2015 (2004/14055/A)
WF 702-15-09/067499
Taxe sur la valeur ajoutée – Non-paiement de la TVA – Compte spécial – Contrainte – Audience introductive – Jugement par défaut
Dispositions légales
Articles 747, § 2, et 1017 du Code judiciaire
Résumé
Lors d’un contrôle de la comptabilité d’un assujetti couvrant l’année 2001, diverses infractions ont été constatées et ont été consignées dans un procès-verbal. L’impôt dû n’ayant pas été versé, un compte spécial a été établi. Trois contraintes avec commandement de payer ont été décernées. Par citation, l’assujetti a introduit une action en justice contre la contrainte susmentionnée.
L’assujetti était absent lors de l’audience introductive mais a bien reçu une copie de l’ordonnance. Il ne pouvait pas prétendre qu’il ignorait son existence.
Le juge considère que l’assujetti est lui-même responsable de sa non-comparution. Pour le juge, il n’y a aucun motif de préserver ses intérêts. Maintenant que l’administration détient un jugement par défaut, l’action en justice doit être rejetée sans qu’elle doive être examinée quant au fond.
Vu que l’action est non fondée, les frais de l’instance sont mis à charge de l’assujetti.
Texte du jugement
Le jugement est publié uniquement dans la langue originale
Corps de la décision
Vonnis van de rechtbank te Brussel
dd. 08.09.2015
(2004/14055/A)
In zake van:
De C.V. B., met zetel te . , K.B.O nr. … eisende partij, die niet verschijnt, noch vertegenwoordigd wordt;
Tegen:
De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, sector BTW, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, voor wie optreedt de BTW ontvanger van het ontvangkantoor BTW Brussel V, met kantoren te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50/b3103; verwerende partij, bijgestaan door mr. A.D., advocaat met kantoor te …1, op de zitting vertegenwoordigd door mr. S.B.;
In deze zaak, in beraad genomen op 30 juni 2015, wordt door de rechtbank volgend vonnis uitgesproken:
Gelet op:
- de dagvaarding in verzet betekend op 27/10/2004 bij exploot van mr.H.W., plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder in vervanging van mr.R.D.M., gerechtsdeurwaarder te Brussel;
- de beschikking art. 747 Ger. W. houdende de bepaling van conclusietermijnen dd. 23/06/14;
- de conclusies en syntheseconclusies voor verwerende partij neergelegd ter griffie op 25/10/11 en op 29&30/04/15;
- het bundel met stavingstukken voor verweerder, neergelegd ter griffie op 16/05/2014;
Gehoord de raadsman van verweerder ter openbare zitting van 30/06/2015, waarna de zaak in beraad werd genomen.
Huidige zaak werd regelmatig vastgesteld, op de zitting van 30/06/2015 door beschikking op grond van art. 747, §2 Ger. W. van 23/06/14.
Eisende partij ontving bij brief van 2/07/2014 nog een afschrift van deze beschikking. Zij kon hiervan dus niet onwetend zijn.
Nu eisende partij niet verscheen op de zitting van 30/06/2015 en verwerende partij haar voordelen nam, is huidig vonnis op tegenspraak ten aanzien van eisende partij op grond van art. 747, §2, al. 6 Ger.W.
Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
1. FEITEN
Het geding heeft betrekking op een geschil inzake B.T.W.
N.a.v. een controle door de diensten van verweerder m.b.t. de periode 1/01/2001 - 31/12/2001 werden door de optredende ambtenaar, althans naar zijn mening, inbreuken vastgesteld op de bepalingen van het W.B.T.W.
De diensten van verweerder stelden een proces-verbaal op aangaande de overtredingen van de B.T.W. wetgeving (pv dd. 11/06/2003: stuk 2 bundel verweerder).
Volgens dit proces-verbaal zou eisende partij een B.T.W. schuld hebben bij verweerder van 610.058,60 (BTW) + 62.010 (boete).
Vervolgens werd op 31/01/03 een bijzondere rekening opgemaakt voor de periode 31/10/02 - 31/01/03, en tot slot werd op 31/07/03 een bijzondere rekening opgemaakt voor de periode 30/04/03 - 31/07/03.
Op 2/06/2004, 2/06/2004 en 8/06/2004 werden drie dwangbevelen (nr.'s…, …en…) uitgevaardigd door de ontvanger der BTW van het ontvangkantoor Brussel 5 BTW, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 9 juni 2004, 10 juni 2004 en op 14 juni 2004 door de Gewestelijk Directeur BTW van Brussel II.
De totale BTW schuld van eisende partij is :
BTW: € 11 964,58
Boeten: € 2 915,54
Voormelde dwangbevelen werden op 6/07/04 aan eiseres betekend met bevel tot betalen.
D.m.v. dagvaarding betekend op 27/10/2004 stelde eisende partij een vordering in rechte in houdende verzet tegen voormeld dwangbevel.
2. VOORWERP VAN DE VORDERING
De vordering van eisende partij strekt ertoe de bestreden dwangbevelen dd. 2/06/2004, 2/06/2004 en 8/06/2004 (nrs. …, … en …) en betekend aan eisende partij op 6/07/04 middels gerechtsdeurwaardersexploot te horen vernietigen en te horen zeggen voor recht dat erin gevorderde sommen niet verschuldigd zijn en de Belgische Staat voor zoveel als nodig te veroordelen tot de terugbetaling aan eisende partij van alle bedragen die werden betaald of ingehouden op grond van deze dwangbevelen meer interesten.
De vordering beoogt tevens de veroordeling van verweerder tot de betaling van de kosten van het geding, rechtsplegingsvergoeding inbegrepen.
Het tussen te komen vonnis dient bovendien uitvoerbaar bij voorraad te worden verklaard.
Verweerder concludeert tot de ongegrondheid van de vordering.
3. BEOORDELING
Eisende partij verschijnt niet.
Eisende partij heeft het slechts aan zichzelf te wijten als zij niet verschijnt.
Er is voor de rechter geen reden om haar belangen te vrijwaren.
Nu verwerende partij een vonnis bij verstek vordert dient de vordering eenvoudigweg afgewezen te worden zonder dat de zaak ten gronde dient te worden onderzocht. -
4. WAARDE VAN DE VORDERING EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING
Aangezien de vordering van eisende partij ongegrond is, worden de kosten van het geding, in overeenstemming met artikel 1017 van het gerechtelijk wetboek, ten laste gelegd van eisende partij.
Uit het dossier blijkt dat de waarde van het geschil zich situeert tussen €10.000,01 en €20.000,00.
Op grond van de waarde van het geschil kan deze vergoeding in toepassing van de bepalingen van het KB dd. 26 oktober 2007 begroot worden op €1.210,00. Nu geen der partijen een vordering instelt tot verhoging of verlaging van dit basisbedrag, kan dit bedrag toegekend worden.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Gelet op de artikelen 2, 3, 4, 30, 34, 36, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,
Wijst de vordering van eisende partij af,
Veroordeelt eisende partij tot betaling van de gedingkosten, in hoofde van verweerder begroot op € 1.210,00 rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 35ste kamer van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, op 8 september 2015,
waar aanwezig waren en zitting namen:
De heer M.L.: rechter
Mevrouw T.C: afgevaardigd griffier.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.