Non-dépôt du listing-clients, Amendes fiscales · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Hasselt 29 octobre 2015

Rechercher
Texte en néerlandais

Non-dépôt du listing-clients, Amendes fiscales

https://juriel.be/fr/jurisprudence/non-depot-listing-clients-amendes-tribunal-hasselt-2015-10-29-13a0

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Hasselt
Date
29 octobre 2015

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
mixte

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

83 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du tribunal de première instance d’Hasselt dd. 29.10.2015(AR 14/1825/A)

TVA – Non-dépôt du listing-clients – Amendes fiscales

Législation

Article 70, § 1er, et article 53quinquies du code de la TVA

Résumé

L’assujetti n’avait pas déposé de listing-clients et, pour cette raison, l’administration lui avait adressé par écrit des rappels à plusieurs reprises. Il sollicite dans ce litige la remise ou, du moins, la réduction des amendes infligées. L’administration souligne que les amendes ont été infligées de plein droit en raison du pur fait de l’infraction, indépendamment de la bonne ou de la mauvaise foi.

Dans son arrêt n° 22/99 du 24 février 1999, la Cour d’arbitrage a jugé qu’il est incompatible avec la constitution qu’un juge civil, qui doit se prononcer sur une amende fiscale ayant un caractère répressif, ne prenne pas en compte certaines circonstances, tandis qu’un juge pénal peut prendre en compte des circonstances atténuantes. Le juge doit pouvoir juger si l’amende est justifiée en fait et en droit et si elle respecte l’ensemble des dispositions législatives et des principes généraux qui s’imposent à l’administration, parmi lesquels le principe de proportionnalité. Cet arrêt implique que lorsque l'administration a la possibilité de moduler l'importance de la sanction, rien de ce qui relève de l'appréciation de l’administration ne doit pouvoir échapper au contrôle du juge.

Dans son arrêt du 21 janvier 2005, C.02.0572.N (Pas., 2005, n° 43, p. 170), la Cour de cassation a jugé que ce droit de contrôle n'implique toutefois pas que le juge puisse liquider ou réduire des amendes sur la base d'une appréciation subjective des circonstances atténuantes propres à la personne du contribuable pour de simples motifs d'opportunité et à l'encontre de règles légales.

Le tribunal constate que l’assujetti ne peut pas sans ambiguïté fournir la preuve qu’il avait oralement informé l’administration de la cessation de ses activités. Le tribunal juge également qu’il a agi de façon désinvolte en ne communiquant pas ces renseignements sous pli recommandé. L’amende, infligée pour une telle faute consécutive à l’imprudence de l’assujetti, s’est concrétisée dans les circonstances données en l’infliction d’une lourde amende fiscale de 3000 euros et le montant élevé de cette amende ne correspond pas à la gravité des faits. L’amende est dès lors réduite à 50 euros. Dans cette mesure, la demande est fondée.

Commentaire

Une fois de plus, le juge a accordé une réduction de l’amende pour des motifs d’équité et non pas sur la base de la proportionnalité et de critères objectifs, avec comme conséquence que les principes susmentionnés sont violés (sécurité juridique, égalité, objectivité, etc.)

Position de l’administration

L’administration s’est portée en appel.

Texte intégral

La décision est publiée uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg LIMBURG - Afdeling Hasselt

29.10.2015

AR 14/1825/A

INZAKE

S.E., wonende te…. - eiser- Ter zitting vertegenwoordigd door mr. B.C.loco mr.S.B., advocaat te …

tegen:

DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, in de persoon van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12. ALGEMENE ADMINISTRATIE VAN DE FISCALITEIT, SECTOR BTW, in de persoon van de adviseur - gewestelijke directeur a.i. van de BTW-Directie te Hasselt, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 40.

- verweerder -

Ter zitting vertegenwoordigd door zijn gevolmachtigde de heer V.R. , adviseur - eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur verbonden aan de gewestelijke directie van de BTW te Hasselt.

VOLGT HET VONNIS:

Gelet op:

- het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 27.08.2014;

- de beschikking overeenkomstig art. 747, §1 Ger.W. van 02.10.2014;

- de eerste conclusies, tweede conclusies, syntheseconclusies en stukken van verweerder;

- de conclusie en stukken van eiser.

I. FEITEN EN VOORGAANDEN:

1. Eiser was ingevolge het indienen van een documenten 604 A, aanvang van werkzaamheid voor de uitgeoefende activiteit van "overige vormen van onderwijs" geregistreerd als BTW-belastingplichtige (BTW-nummer … … …) en zodoende onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering daarvan genomen besluiten.

Hij was geregistreerd als BTW-belastingplichtige onder nummer … … … vanaf 01.02.1974.

Eiser diende geen klantenlisting in voor het jaar 2012.

De administratie stelt dat zij herhaalde malen schriftelijke verwittigingen heeft gestuurd aan eiser nl. op 06.06.2013, 04.07.2013, 28.08.2013 en 18.09.2013, doch zij overlegt deze stukken niet aan de rechtbank.

Bij brief van 08.04.2014 werd aan eiser een betaalbericht overgemaakt waarbij hij in kennis gesteld werd van een "boete niet-indiening klantenlisting 2012” ten bedrage van 3.000,00 euro (zie stuk 1, bundel verweerder).

Bij brief van 22.04.2014, ontvangen bij de administratie op 29.04.2014, stelt eiser dat hij inderdaad geen klantenlisting heeft ingediend voor 2012, geeft hij een aantal redenen weer en verzoekt hij om een menselijke oplossing (zie stuk 2, bundel verweerder).

Bij brief van 02.06.2014 werd aan eiser door de BTW Directie van Hasselt meegedeeld dat bij toepassing van art. 9 van het Regentsbesluit van 18.03.1831, éénmalig en ten uitzonderlijke titel de opgelopen boete ten bedrage van 3.000,00 euro zou worden verminderd tot 1500,00 euro onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat de listing afnemers voor het jaar 2012 werd ingediend voor 01.07.2014 (zie stuk 3, bundel administratie).

Daar eiser geen listing indiende, werd er door het BTW Controlekantoor van Lanaken op 23.07.2014 een proces verbaalopgemaakt (zie stuk 4, bundel verweerder).

Op 25.07.2014 werd door de adviseur-eerstaanwezend inspecteur a.i. van het BTW-Ontvangkantoor Hasselt 2 een dwangbevel uitgevaardigd, dat geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard op 29.07.2014 en dat samen met het hogervermeld proces verbaal van 23.07.2014 op 05.08.2014 door gerechtsdeurwaarder R. S. werd betekend aan eiser (zie stuk 5, bundel verweerder).

In dit dwangbevel werd vastgesteld dat eiser de volgende bedragen verschuldigd. is:

- 3.000,00 euro als niet proportionele geldboete overeenkomstig art. 70 WBTW;

- de moratoire interesten over de geldboete vanaf de kennisgeving van het dwangbevel;

- de vervolgingskosten.

Aanlegger legde op 27 augustus 2014 een verzoekschrift op tegenspraak neer ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Limburg, afdeling Hasselt waarbij hij verzet aantekent.

Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 27.08.2014

stelde eiser een vordering in rechte in.

II. BEOORDELING

1. Ontvankelijkheid:

Er worden door verweerder geen middelen van ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is dan ook ontvankelijk.

2. Ten gronde:

Eiseres streeft de kwijtschelding, minstens de vermindering van de opgelegde geldboete na.

Verweerder wijst erop dat de in art. 70 W.B.T.W. opgelegde administratieve boeten van rechtswege worden opgelopen door het loutere feit van de overtreding, ongeacht of er goede of kwade trouwaanwezig was.

In zijn arrest nr. 22/99 van 24 februari 1999 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat de interpretatie van de voorheen geldende wettelijke bepalingen, als zou de burgerlijke rechter geen volheid van rechtsmacht hebben om over de administratieve geldboetes te oordelen, ongrondwettelijk is. Het Hof oordeelde het onverenigbaar met de G.W. dat een burgerlijke rechter die een repressieve fiscale boete moet beoordelen, geen rekening zou kunnen houden met bepaalde omstandigheden, terwijl een strafrechter wel verzachtende omstandigheden in rekening kan brengen. Deze rechtspraak impliceert dat de belastingplichtigen de mogelijkheid moeten hebben om door een rechter te laten beoordelen of de repressieve fiscale boete in rechte en in feite verantwoord is, en of de wettelijke bepalingen en algemene beginselen, die de administratie in acht moet nemen, werden geëerbiedigd. Eén van deze beginselen is het evenredigheidsbeginsel.

Verder impliceert deze rechtspraak eveneens dat indien de administratie de mogelijkheid heeft de sanctie te moduleren (in de zin van een gedeeltelijke vermindering of kwijtschelding), niets wat onder de beoordeling van de administratie valt aan de controle van de rechter mag ontsnappen (Grondwettelijk Hof 24 februari 1999, A.A. 1999, 257; B.S. 30 apri11999; Fiscoloog 1999, afl. 697, 5; F.J.F. 1999, 489; J.L.M.B. 1999, 532; J.T. 1999, 45; T.F.R. 1999, 385, met noot B. COOPMAN en G. STESSENS,"Mensenrechtelijke waarborgen toepasselijk op de administratieve fiscale boete: reflecties bij de recente rechtspraak van het Hof van Cassatie en het Arbitragehof”).

In drie arresten van 24 januari 2002 oordeelde het Hof van Cassatie dat de rechtbanken en hoven de wettelijkheid van de administratieve boetes mogen onderzoeken en mogen nagaan of de feitelijke en wettelijke voorwaarden vervuld zijn voor die sancties, en of die sancties verzoenbaar zijn met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen, waaronder de evenredigheid met de inbreuk (zie Cass. 24 januari 2002, T.F.R. 2002, 765, met noot B. COOPMAN en K. LAMMENS).

Het Hof van Cassatie aanvaardt alleen een evenredigheidstoetsing, waarbij de rechtbanken en hoven inzonderheid acht mogen slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld. Binnen het kader van deze evenredigheidstoetsing neemt het Hof van Cassatie wel aan dat de rechtbanken en hoven de administratieve boetes kunnen verminderen tot onder het wettelijk bepaald minimum in geval van vastgestelde onevenredigheid (zie VANDENBERGHE,L. "De rechterlijke bevoegdheid inzake administratieve fiscale boeten: een stand van zaken", Fisc. Act. 2003, nr. 14, 10 april2003, nrs. 3 en 4, p. 10).

Daarentegen meent het Hof van Cassatie dat het toetsingsrecht van de rechtbanken en hoven niet inhoudt dat zij om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke voorschriften in de opgelegde boetes kunnen verminderen of kwijtschelden (zie VANDENBERGHE,L. "De rechterlijke bevoegdheid inzake administratieve fiscale boeten een stand van zaken", o.c. 9 e. v.).

Op 4 maart 2004 werd voormelde rechtspraak van het Hof van Cassatie van 24 januari 2002 kritisch benaderd door het E.H.R.M., dat oordeelde dat het Hof van Cassatie op te algemene wijze had beslist dat motieven van billijkheid en opportuniteit niet mogen meespelen in de rechterlijke beoordeling (zie COOPMAN, B. "Rechterlijke toetsing van fiscale boetes: cassatie teruggefloten door Straatsburg", noot onder E.H.R.M. 4 maart 2004, T.F.R. 2004, 642).

Toch bleef het Hof van Cassatie bij zijn weigering om de rechterlijke opportuniteitscontrole toe te laten naar analogie met het Regentsbesluit van 18 maart 1831, het zg. Organiek besluyt van het bestuur van 's lands middelen. Het Hof van Cassatie oordeelde dat het toetsingsrecht van de rechtbanken en hoven niet inhoudt dat deze op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boetes kunnen verminderen of kwijtschelden ( zie Cass. 21 januari 2005, Fiscoloog nr. 969, p. 7; Cass.30 november 2006, R.G.C.F.2007,363, met noot M. MORIS, "le pouvoir d'appréciation du juge en matière d'amendes fiscales"; Cass. 16 februari 2007 (4 arresten), T.F.R. 2007, 934, met noot G. GOOSSENS,"Redelijkheid, evenredigheid en proportionaliteit”.

Het standpunt van het Hof van Cassatie inzake de rechterlijke toetsing van fiscale geldboetes. Zie ook: B. COOPMAN, "Hof van Cassatie vindt verzachtende omstandigheden te "subjectief"", Fisc. Act. 2005, nr. 7, 24 februari 2005, 5).

Op 15 mei 2008 besliste het Grondwettelijk Hof evenwel dat, wanneer bij de rechter een beroep wordt ingesteld tegen een beslissing die de minister van Financiën of diens gedelegeerde op grond van art. 9 van voornoemd Regentsbesluit heeft genomen, die rechter, zoals de minister van Financiën of diens gedelegeerde, de geldboete moet kunnen kwijtschelden of verminderen (zie Grondwettelijk Hof 15 mei 2008, T.F.R. 2008, 1027, met noot B. COOPMAN, "Rechtsmacht over fiscale boetes reikt volgens Grondwettelijk Hof zo ver als Regentsbesluit").

Het Hof van Cassatie heeft zich in de arresten van 12 december 2008 en 13 februari 2009 opnieuw uitgesproken over de draagwijdte van de rechterlijke beoordeling van fiscale administratieve sancties (zie Cass., 12 december 2008 en vier arresten van 13 februari 2009, www.cass.be). Drie van de vijf arresten bevestigen de eerdere rechtspraak. In twee andere arresten verfijnt het Hof zijn interpretatie van evenredigheidstoetsing. Het Hof bevestigt dat een evenredigheidstoetsing is toegestaan, ook al beschikt de administratie over een gebonden bevoegdheid bij het opleggen van de sanctie. In het laatste arrest van 13 februari 2009 wordt voor het eerst erkend dat de feitenrechter, mits voldoende motivering, een proportionele BTW-boete kan verminderen. De feitenrechter mag binnen het kader van de evenredigheidstoetsing rekening houden met bepaalde omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingplichtige. De rechtbank is van oordeel dat er in onderhavig geval elementen zijn aangereikt waaruit zou blijken dat de opgelegde boete onevenredig is en niet in verhouding staat met de concrete gegevens van de zaak.

De rechtbank stelt vast dat eiser niet éénduidig het bewijs kan leveren dat hij de administratie mondeling heeft ingelicht over de stopzetting van zijn activiteiten in zijn gesprekken met de BTW-administratie, controle Lanaken, noch dat de opname in van de stopzetting bij de Kruispuntbank van Ondernemingen op 01.09.2010 op dat ogenblik werd meegedeeld aan de Kruispuntbank, doch de rechtbank heeft geen enkele reden om aan de waarachtigheid te twijfelen nu uit de feitelijke gegevens wel degelijk blijkt dat eiser sedert 2010 geen activiteiten niet meer uitvoerde o.m. omwille van zijn ziektetoestand.

Eiser heeft zeer onnauwkeurig gehandeld door de gegevens niet per aangetekend schrijven te verzenden.

Bovendien stelt de rechtbank vast dat de administratie verwijst naar herhaalde herinneringsbrieven die zij zou hebben verzonden, zonder deze evenwel aan de rechtbank te overleggen. Dit gegeven overstijgt derhalve ook het loutere niveau van de bewering niet.

Ook stelt de rechtbank vast dat de administratie voor een identieke inbreuk die zij weerhoudt voor 2013 slechts een boete van 50,00 euro oplegt (zie stuk 8, bundel eiser).

Nu de geldboete werd opgelegd voor een niet-intentioneel begane fout (kwade trouw wordt immers niet vermoed en wordt te dezen ook niet bewezen) maar voor een fout welke is te wijten aan een onvoorzichtigheid van eiser, sluit in de gegeven omstandigheden het opleggen van een zware financiële geldboete van 3.000,00 euro niet aan bij de feiten.

De boete dient dan ook te worden verminderd tot 50,00 euro.

De vordering van eiser is dan ook in die mate gegrond.


Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S., 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art. 13 en 14).

De vordering is in geld waardeerbaar.


De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.


Dispositif

OM DEZE REDENEN:

De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak,

Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk en als volgt gegrond,

Stelt dat de opgelegde geldboete en kosten vermeld in het proces-verbaal van·23.07.2014 en het dwangbevel van 25.07.2014 dient verminderd te worden tot een geldboete van 50,00 euro.

Zegt voor recht dat de reeds gemaakte uitvoeringkosten ten laste van de Belgische Staat vallen.

Veroordeelt verweerder tot de helft kosten van het geding en begroot deze in hoofde van eiser op 715,00 euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de 11A kamer, op het gerechtshof te Hasselt op 29.10.2015, alwaar zetelden:

Mevrouw M. C., ,rechter, enige rechter, en

De heer L. P. ,griffier.

Textes cités

2
CTVA art. 701 occurrence

Décisions similaires

8