Non dépôt des déclarations TVA, Amendes TVA · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Anvers 26 juin 2025

Rechercher
Texte en néerlandais

Non dépôt des déclarations TVA, Amendes TVA

https://juriel.be/fr/jurisprudence/non-depot-declarations-tva-amendes-tribunal-anvers-2025-06-26-bc09

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Anvers
Date
26 juin 2025

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

130 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du tribunal de première instance d'Anvers du 26.06.2025

WF 707-15-19/066797 - Finaliti 54782065/01

[ Jugement favorable ]

Taxe sur la valeur ajoutée – Non dépôt des déclarations TVA – Amendes TVA – Non bis in idem – Principe de

Proportionnalité

Dispositions légales

Art. 70, §1 CTVA

Résumé du jugement/de l’arrêt

1.Faits et jugement en première instance

À la suite d'un contrôle de la TVA, il a été constaté que la partie appelante n'avait pas déposé de déclarations de TVA et n'avait pas versé la TVA due entre le deuxième trimestre 2017 et 2018, alors qu'elle avait effectué des opérations imposables. Un procès-verbal a été dressé le 21 novembre 2019 et la dette de TVA a été inscrite au registre de perception et de recouvrement, qui a été déclaré exécutoire le 14 janvier 2020. Après l'ouverture de comptes spéciaux à la charge de la partie appelante, cinq amendes TVA de 2 000 euros chacune pour non-dépôt de déclarations périodiques et également trois amendes TVA de 3 000 euros chacune pour non-dépôt des listings de clients de 2018, 2019 et 2020 ont été réclamées.

La partie appelante n'était pas d'accord avec cette décision et a formé opposition par requête contradictoire, déposée au greffe du tribunal de première instance d'Anvers, section Anvers, le 19 mai 2022. Le premier juge a déclaré la demande de la partie appelante recevable mais non fondée.

La demanderesse a interjeté appel contre ce jugement.

Texte intégral:

Le jugement est publié uniquement dans la langue originale.

Corps de la décision

Vonnis Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 26.06.2023

22/2085/A

Inzake:

X. met zetel te …, KBO: …

eiseres

- niet vertegenwoordigd ter zitting, hebbend als raadsman meester S.K.,

advocaat, met kantoor te …,

TEGEN:

DE BELGISCHE STAAT,

Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal, Directeur van het KMO Centrum Antwerpen, met kantoren gevestigd te 2000 Antwerpen, Italielei 4 bus 2, KBO : 0308.357.159

verweerder

- vertegenwoordigd ter zitting door mevrouw A. E., in hoedanigheid van rijksambtenaar voor de Federale Overheidsdienst Financiën.


Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer:

- het verzoekschrift toegekomen ter griffie op 19 mei 2022, ingeschreven op 19 mei 2022,

- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, §1 van het Gerechtelijk Wetboek op 24

juni 2022,

- de besluiten van verweerder.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in de gerechtszaken.

Verweerder werd gehoord in zijn middelen en gezegden ter zitting van 5 juni 2023.

Eiseres was niet verschenen, alhoewel behoorlijk in kennis gesteld van de beschikking conform artikel 747, §2 van het Gerechtelijk Wetboek, en verweerder vorderde een op tegenspraak gewezen vonnis overeenkomstig artikel 747, §4 van het Gerechtelijk Wetboek.


1. Feiten en procedurele voorgaanden

Huidige betwisting betreft de btw-vordering opgenomen in het innings- en invorderingsregister van:

•14 januari 2020 met schuldnummer 500.2212.63339 (stuk 2 AD), gebaseerd op het

proces-verbaal van 21 november 2019 (stuk 1 AD);

•18 oktober 2019 met schuldnummer 500.2154.52938 (stuk 6 AD), gebaseerd op de bijzondere rekening van 31 januari 2019 (stuk 5 AD);

•6 januari 2020 met schuldnummer 500.2193.64361 (stuk 14 AD), gebaseerd op de bijzonder rekening van 31 juli 2019 (stuk 13 AD);

•4 januari 2021 met schuldnummer 500.2329.94477 (stuk 16 AD), gebaseerd op de bijzondere rekening van 30 april 2020 (stuk 15 AD);

•15 april 2021 met schuldnummer 500.2375.00230 (stuk 18 AD), gebaseerd op de bijzondere rekening van 31 oktober 2020 (stuk 17 AD);

•14 december 2021 met schuldnummer 500.2464.94554 (stuk 4 AD), gebaseerd op de bijzondere rekening van 30 april 2021 (stuk 3 AD);

•5 maart 2020 met schuldnummer 500.2222.55567 (stuk 10 AD), gebaseerd op het proces-verbaal wegens niet indiening van de klantenlijst 2018 (stuk 9 AD);

•8 april 2021 met schuldnummer 500.2369.79965 (stuk 8 AD), gebaseerd op het proces-

verbaal wegens niet indiening van de klantenlijst 2019 (stuk 7 AD);

•3 maart 2022 met schuldnummer 500.2498.55808 (stuk 12 AD), gebaseerd op het proces-verbaal wegens niet indiening van de klantenlijst 2020 (stuk 11 AD).

Eiseres is als advocatenkantoor geregistreerd als btw-belastingplichtige onder het nummer BE….

Op 2 mei 2019 en 7 oktober 2019 vond een btw-controle plaats door de belastingadministratie die plaatsvond op de zetel van eiseres.

Naar aanleiding van deze controle werd op 7 oktober 2019 een correctieopgave verstuurd naar eiseres (stuk 22 AD).

Aangezien eiseres niet reageerde op de correctieopgave, stelde de belastingadministratie op 21 november 2019 een proces verbaal op (stuk 1 AD). Op basis van dit proces-verbaal werd op 6 januari 2020 een schuld ingeschreven in het innings- en invorderingsregister met registernummer 202001NL004 en schuldnummer 500.2212.63339, dat uitvoerbaar werd verklaard op 14 januari 2020. Het innings- en invorderingsbericht werd verzonden naar eiseres op 14 januari 2020 (stuk 2 AD).

Eiseres diende op 13 december 2019 een administratief bezwaar in tegen het proces-verbaal van 21 november 2019 (stuk 23 AD). Het bezwaarschrift werd door de belastingadministratie afgewezen op 7 april 2020 (stuk 24 AD).

Daarnaast vaardigde de belastingadministratie vijf bijzondere rekeningen uit lastens eiseres wegens het niet-indienen van de periodieke btw-aangiftes waarbij telkenmale ook een boete werd uitgevaardigd voor de periodes 30/09/2018 tot 31/01/2019, 31/03/19 tot 31/07/2019, 30/09/2019 tot 30/04/2020, 30/06/2020 tot 31/10/2020 en 31/12/2020 tot 30/04/2021), waarvoor een schuld werd ingeschreven in het innings- en invorderingsregister met resp. schuldnummers 500.2154.52938, 500.2193.64361, 500.2329.94477, 500.2375.00230 en 500.2464.94554 (stukken 3-4, 5-6, 13-14, 15-16 en 17-18 AD) en werden door de belastingadministratie tevens boetes opgelegd wegens het niet-indienen van de klantenlijsten voor de jaren 2018 t.e.m. 2020 door eiseres, waarvoor een schuld werd ingeschreven in het innings- en invorderingsregister met resp. schuldnummers 500.2222.55567, 500.2369.79965 en 500.2498.55808 (stukken 7-8, 9-10 en 11-12 AD).

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 19 mei 2022 stelde eiseres een vordering in rechte in tegen de voormelde btw-schulden.

2. Vorderingen van partijen

De vordering van eiseres strekt ertoe:

- het verzoekschrift ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- bijgevolg het dwangbevel nietig te verklaren, minstens te horen zeggen voor recht dat het in het innings- en invorderingsregister btw, opgenomen btw met registernummer 201910NL021, schuldnummer 500.2212.63339 opgemaakt op 6 januari 2020 en uitvoerbaar verklaard op 14 januari 2020 gegrond op het proces-verbaal tot naheffing van de btw waarbij van eiseres wordt gevorderd: de gevorderde sommen niet verschuldigd zijn, zowel wat de btw betreft als wat de boeten, kosten en interesten betreft;

- derhalve de uitvoering van het innings- en invorderingsregister btw, nl. een btw schuld met registernummer 201910NL021, schuldnummer 500.2212.63339 opgemaakt op 6 januari 2020 en uitvoerbaar verklaard op 14 januari 2020 waartegen verzet te horen verbieden;

- alsmede het dwangbevel nietig te verklaren, minstens te horen zeggen voor recht dat de in het innings- en invorderingsregister btw, opgenomen btw schulden onder de artikelen 500.2464.94554, 500.2154.52938, 500.2369.79965, 500.2222.55567, 500.2498.55808, 500.2193.64361, 500.2329.94477 en 500.2375.00230 niet verschuldigd zijn;

- derhalve de uitvoering van het innings- en invorderingsregister btw wat betreft voornoemde btw schulden waartegen eiseres verzet aantekent te horen verbieden; derhalve de Belgische Staat te horen veroordelen tot terugbetaling van alle ingehouden, betaalde of in beslag genomen sommen te vermeerderen met de moratoire en/of gerechtelijke interesten;

- de Belgische Staat te horen veroordelen tot de kosten.

Verweerder verzoekt de rechtbank:

 de door eiseres ingestelde vordering in nietigverklaring van het proces-verbaal van 21 november 2019 en van de inschrijving (onder de referte 202001N1004) van het schuldartikel 500.2212.63339 in het innings- en invorderingsregister dat uitvoerbaar werd verklaard op 14 januari 2020, ontvankelijk doch ongegrond te verklaren;

 de door eiseres ingesteld vordering om nietig of minstens van onwaarde te verklaren:

•de schuldartikels houdende opgelegde boetes wegens niet-indiening van de btw-aangiftes zoals die blijken uit de diverse bijzondere rekeningen (500.2154.52938, 500.2193.64361, 500.2329.94477, 500.2375.00230 en 500.2464.94554),

•de schuldartikels houdende opgelegde boetes wegens de niet-indiening van de klantenlijsten voor de jaren 2018, 2019 en 2020 (500.2222.55567, 500.2369.79965 en 500.2498.55808), ontvankelijk doch ongegrond te verklaren;

- en zodoende:

•de inhoud van het proces-verbaal van 21 november 2019 en de inschrijving in het innings- en invorderingsregister d.d. 14 januari 2020 (202001NL004) zoals opgenomen in het innings- en invorderingsbericht van 14 januari 2020 te bevestigen zodat de erin opgenomen bedragen verschuldigd blijven;

•de verschuldigdheid van de boetes opgelegd middels de bijzondere rekeningen d.d. 31 januari 2019, 31 juli 2019, 30 april 2020, 31 oktober 2020 en 30 april 2021 zoals die blijken uit de respectieve innings- en invorderingsberichten van 18 oktober 2019 (201910NL013), 6januari 2020 (201912NL022), 4januari 2021 (202012NL019), 15 april 2021 (202104NL010) en 14 december 2021 (202111NL021) te bevestigen;

•de verschuldigdheid van de boetes opgelegd wegens het niet-indienen van de klantenlijsten voor de jaren 2018, 2019 en 2020 zoals die blijken uit de respectieve innings- en invorderingsberichten van 5 maart 2020 (202003NL002), 8 april 2021 (202104NL004) en 3 maart 2022 (202202NL023) te bevestigen;

 eiseres tenslotte te veroordelen tot alle kosten van het geding.

3. Ontvankeliikheid

De ontvankelijkheid van de vordering van eiseres wordt door verweerder niet betwist. Er zijn evenmin ambtshalve aan te voeren bezwaren betreffende de ontvankelijkheid.

De vordering van eiseres is dan ook ontvankelijk.

4. Beoordeling

4.1. Betreffende de inbreuken op artikel 53 van het btw-wetboek (niet-aangegeven en niet-doorgestorte btw)

Naar aanleiding van de controle bij eiseres werd door de belastingadministratie vastgesteld dat er vanaf het tweede kwartaal van 2017 tot en met 2018 geen btw-aangiftes werden ingediend. Evenwel was uit de voormelde controle gebleken dat eiseres wel degelijk belastbare handelingen had gesteld in deze periode waarbij zij btw ontving van haar klanten maar deze niet doorstortte aan de Belgische Staat.

De rechtbank stelt vast dat eiseres geen concrete betwisting voert m.b.t. de inbreuken aangaande de niet-aangifte en de niet-doorstorting van de btw in haar verzoekschrift maar enkel stelt dat het zou gaan om een eenmalige overtreding.

Uit de vaststellingen opgenomen in het proces-verbaal d.d. 21 november 2019 (stuk 1 AD) blijkt duidelijk dat eiseres belastbare handelingen (diensten) en de daarop verschuldigde btw niet opnam in de daartoe bestemde btw-aangiftes. Van een zogenaamde eenmalige overtreding kan geenszins sprake zijn nu eiseres gedurende een periode van bijna 2 jaar geen btw-aangiftes indiende.

De belastingadministratie heeft aldus terecht de verschuldigde btw nagevorderd op grond van de schending van artikel 53 van het btw-wetboek.

De vordering van eiseres is op dit punt ongegrond.

4.2. Betreffende de vermeende inbreuken inzake de vermeldingen op de facturen

Volgens eiseres zou de belastingadministratie haar verwijten dat een groot aantal facturen niet de wettelijk verplichte vermeldingen zou bevatten.

Uit geen enkel stuk uit het dossier blijkt dat de belastingadministratie btw zou hebben nagevorderd om reden dat eiseres bepaalde vermeldingen niet opnam in haar facturen.

De vordering van eiseres is op dit punt dus ongegrond wegens gebrek aan enige grondslag.

4.3. Betreffende de opgelegde boetes

Volgens eiseres zijn de door de belastingadministratie opgelegde boetes in strijd met het 'non bis in idem'-beginsel, het proportionaliteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Bovendien zouden de opgelegde boetes volgens eiseres niet verschuldigd zijn aangezien ze zich in een situatie van overmacht zou hebben bevonden.

4.3.1. Betreffende de reaelmatiaheid van de opgelegde boetes

Btw-boete wegens niet-indiening van de aangifte

Eiseres is op grond van artikel 53, §1, 2° van het btw-wetboek en artikel 18, §2 KB nr. 1 ertoe gehouden elk kwartaal een aangifte in te dienen met opgave van de in artikel 18, §2 KB nr. 1 bedoelde gegevens. Het staat in deze vast dat eiseres sedert 2017 stelselmatig heeft nagelaten haar verplichtingen inzake de indiening van aangiftes na te komen (zie stuk 19 AD).

Voor deze inbreuken werd door de belastingadministratie een boete opgelegd krachtens artikel 70, §4, van het btw-wetboek, waarvan het eerste lid Iuidt als volgt:

"§ 4. De niet in de §§ 1, 2 en 3 bedoelde overtredingen van dit Wetboek of van de besluiten genomen ter uitvoering ervan, worden bestraft met een niet-proportionele fiscale geldboete van 50 euro tot 5.000 euro per overtreding. Het bedrag van deze geldboete wordt naar gelang van de aard en de ernst van de overtreding bepaald volgens een school waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld."

Voor het niet-indienen van de btw-aangiftes bedoeld in artikel 53, § 1, 2', van het btw-wetboek, wordt in afdeling 1, rubriek I, onder punt A, KB nr. 44 van 9 juli 2012, een boete van 1.000,00 euro per aangifte voorzien.

Aldus werd eiseres terecht een boete van telkens 1.000,00 euro per aangifte opgelegd (zie stukken 3-4, 5-6, 13-14, 15-16 en 17-18 AD).

Daarnaast werd eiseres bij toepassing van afdeling 1, rubriek I, punt B, KB nr. 44 wegens de laattijdige indiening van de btw-aangifte van het derde kwartaal van 2019, nl. 3 maanden vertraging, een boete van 300,00 euro, zijnde 100,00 euro per maand vertraging, opgelegd (zie stuk 15, p. 4 AD).

De rechtbank stelt ter zake vast dat de boetes regelmatig werden opgelegd.

Proportionele btw-boete wegens niet betaling van de ontvangen btw (proces-verbaal d.d. 21 november 2019)

Zoals hiervoor reeds werd uiteengezet diende eiseres m.b.t. de handelingen verricht in 2017 en 2018 geen btw-aangiftes in. De door haar van haar klanten ontvangen btw werd bijgevolg ook niet doorgestort aan de Schatkist. Eiseres beging aldus een inbreuk op artikel 53, §1, 3° van het btw-wetboek zoals werd opgenomen in het proces-verbaal van 21 november 2019 (stuk 1 AD).

Voor deze inbreuken op artikel 53, §1, 3° van het btw-wetboek werd door de belastingadministratie een boete opgelegd op grond van artikel 70, §1 van het btw-wetboek. Dit artikel bepaalt:

"§ 1. Voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, wordt een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting."

Indien de overtredingen van de belastingplichtige niet werden begaan met het opzet om de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken wordt deze boete verminderd overeenkomstig de schalen die zijn opgenomen in de bijlage bij het KB nr. 41 van 30 januari 1987. In casu legde de belastingadministratie een boete op van 20% van de verschuldigde btw op grond van rubriek V, tabel G van het KB nr. 41 van 30 januari 1987, zijnde een bedrag van 20.090,00 euro.

Ook wat de proportionele boete betreft dient de rechtbank vast te stellen dat deze boete conform de wettelijke bepalingen ter zake werd opgelegd.

Btw-boete wegens niet indiening van de klantenlijsten

De belastingadministratie legde tevens boetes op aan eiseres wegens de niet-indiening van de klantenlijsten (schending van artikel 53quinquies van het btw-wetboek en artikel 1, §1 KB nr. 23 van 9 december 2009). Voor deze inbreuken werd door de belastingadministratie een niet-proportionele geldboete opgelegd krachtens artikel 70, §4 van het btw-wetboek.

Overeenkomstig afdeling 1, rubriek IV, punt A van de bijlage bij het KB nr. 44 van 9 juli 2012 werd de boete bepaald op 3.000,00 euro per overtreding.

Uit de voorgelegde stukken blijkt dat eiseres naliet om de klantenlijsten in te dienen die respectievelijk uiterlijk op 31 maart 2019, 31 maart 2020 en 31 maart 2021 dienden te worden ingediend (zie stukken 9-10, 7-8 en 11-12 AD).

De rechtbank dient dan ook te besluiten dat de opgelegde geldboetes correct werden opgelegd in toepassing van de relevante wettelijke bepalingen.

4.3.2. Betreffende de aanqevoerde schendinq van het 'non bis in idem'-beqinsel

Volgens eiseres is het 'non bis in idem'-beginsel geschonden omdat de belastingadministratie voor dezelfde feiten verschillende boetes heeft opgelegd.

Uit de voorliggende stukken blijkt dat de belastingadministratie boetes heeft opgelegd wegens de niet-betaling van de btw, het niet-indienen van btw-aangiftes en het niet-indienen van klantenlijsten. De belastingadministratie Iegde aldus boetes op voor drie onderscheiden inbreuken van eiseres waarvoor in het btw-wetboek ook telkens in de oplegging van een boete wordt voorzien.

Van enige schending van het 'non bis in idem'-beginsel kan dan ook geen sprake zijn.

4.3.3. Betreffende de aanqevoerde schendinq van het evenrediqheidsbeqinsel

Eiseres voert tevens aan dat er sprake zou zijn van een schending van het evenredigheidsbeginsel en dat de boetes verder zouden gaan dan noodzakelijk.

De rechtbank dient in deze vast te stellen dat eiseres gedurende een periode van 2 jaar meerdere wettelijke verplichtingen inzake de btw-wetgeving niet heeft nageleefd. Zoals de belastingadministratie terecht aanhaalt betreft de indiening van een btw-aangifte een essentiële schakel in het btw-stelsel. Door de vereiste btw-aangiftes niet in te dienen en de aangerekende btw niet door te storten aan de Schatkist heeft eiseres zich gelden toegeëigend die haar geenszins toebehoorden. Ook de klantenlijsten vormen een belangrijke formaliteit in het btw-stelsel. Aan de hand van deze lijsten kan immers worden nagegaan of de aftrek van btw conform de wettelijke regels is gebeurd.

De door eiseres gepleegde inbreuken zijn wel degelijk zwaarwichtig. De opgelegde proportionele en vaste geldboetes staan naar het oordeel van de rechtbank in redelijke verhouding tot de aard en de ernst van de gepleegde inbreuken. De rechtbank ziet dan ook geen enkele reden om de opgelegde btw-boetes te herleiden.

4.3.4. Betreffende de door eiseres aanqevoerde overmacht

Eiseres is van mening de opgelegde boetes niet verschuldigd zijn aangezien ze (haar zaakvoerder) ingevolge zware ziekte diverse ingrepen diende te ondergaan en gehospitaliseerd was.

De rechtbank stelt vast dat eiseres ter zake evenwel geen enkel stuk voorlegt waaruit de vermeende overmacht kan blijken. Dit middel is aldus ongegrond.

5. Kosten van het geding

Eiseres dient als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld te worden tot de kosten van het geding.

Aangezien verweerder niet wordt vertegenwoordigd of wordt bijgestaan door een raadsman, dient er geen rechtsplegingsvergoeding te worden bepaald.

Dispositif

OM DEZE REDENEN DE RECHTBANK

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk maar ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, in hoofde van de Belgische Staat niet begroot en door de rechtbank vereffend op 0,00 euro.

Dit vonnis werd uitgesproken op zesentwintig juni tweeduizend drieëntwintig in openbare zitting van de Kamer AFi4, die samengesteld was uit:

M.D., rechter

N.D., griffier

Textes cités

5
CTVA art. 535 occurrences
CTVA art. 705 occurrences
AR no 1 art. 182 occurrences
AR no 23 art. 11 occurrence

Décisions similaires

8