Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la cour d’appel d’Anvers dd. 27.10.2015 (2014/AR/1675)
WF: 713-15-12/048296
TVA – Mentions sur une facture – Amende fiscale – Réduction de l’amende fiscale
Législation
Articles 70, § 2, et article 84, troisième alinéa, du Code de la TVA
Article premier, dernier alinéa, de l’arrêté royal n°41 du 30 janvier 1987 fixant le montant des amendes fiscales proportionnelles en matière de taxe sur la valeur ajoutée
Synthèse
L’assujetti à la TVA est enregistré comme grossiste en équipements d’éclairage et autres articles domestiques. Lors d’un contrôle, il a été constaté que l’immeuble de l’assujetti ne disposait pas d’un magasin qui serait accessible à des particuliers. Néanmoins des factures ont été émises avec la mention « vente au détail », l’identité de l’acheteur n’étant donc pas mentionnée. Pour la période contrôlée, le chiffre d’affaires relatif aux ventes faites à des particuliers s’établit à 51,05% du chiffre d’affaire total.
En vertu de l’article 70, § 2, du Code de la TVA, une amende proportionnelle égale à deux fois la taxe due sur les opérations litigieuses a été infligée et cette amende a été reprise dans la contrainte.
L’article premier, dernier alinéa de l’arrêté royal n°41 du 30 janvier 1987 fixant le montant des amendes fiscales proportionnelles en matière de taxe sur la valeur ajoutée mentionne que l'échelle de réduction prévue aux tableaux A à J de l'annexe audit arrêté n'est pas applicable en cas d'infractions commises dans l'intention d'éluder ou de permettre d'éluder la taxe.
La cour estime qu’étant donné la nature du commerce, vu le fait que les locaux commerciaux ne sont pas adaptés à la vente aux particuliers et compte tenu de l’importance des ventes litigieuses par rapport au chiffre d’affaires total, les infractions constatées ne peuvent pas être considérées comme purement accidentelles. Elles ont donc été commises dans l’intention d’éluder la taxe.
Cela a pour conséquence que, dans le cadre de l’application de la législation belge, l’administration n’avait pas d’autres possibilités que d’infliger une amende égale à deux fois la taxe due sur les opérations litigieuses.
Le juge d’appel estime : « Une telle atteinte à la situation financière de l’entreprise a pour conséquence de mettre son existence en péril. Une telle amende n’est plus proportionnelle à l’infraction et à la finalité d’une telle amende administrative. Au regard des circonstances, il doit être déduit qu’en l’espèce l’amende de 200% est disproportionnée et doit être réduite à 50% de la taxe due sur les opérations litigieuses. »
Commentaire
En ce qui concerne la problématique susmentionnée, la Cour constitutionnelle et la Cour de cassation considèrent que le pouvoir judiciaire se doit de respecter la même politique que le pouvoir exécutif. Il peut être dérogé aux principes généraux de droit, notamment par le droit fondamental dit de « proportionnalité ». Les exceptions sont cependant soumises à des conditions et doivent être motivées sur la base de critères objectifs, de sorte que les principes généraux de droit, tels les droits fondamentaux de « sécurité juridique » et d’« égalité », ne soient pas violés. Ce qui n’est pas le cas en l’espèce.
Position de l’administration
L’administration s’est pourvue en cassation.
Texte intégral
La décision est publiée uniquement dans la langue originale
Corps de la décision
Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen
dd. 27.10.2015
2014/AR/1675
E-C NV. met maatschappelijke zetel te…, … en met ondernemingsnummer … … … eiseres in hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. D.C. loco Mr.V.B.M., advocaat …
tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen van 03 maart 2014
tegen
DE BELGISCHE STAAT. Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen 3, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 ANTWERPEN, Italiëlei 4 bus 4 verweerder In hoger beroep,
Mevrouw V.B.
Gelet op de door de wet vereiste processtukken In behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 3 maart 2014, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 23 juni 2014, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.
1. De feiten.
De NV E-C, eiseres in hoger beroep, is sedert 1 Januari 1971 geregistreerd als BTW–belasting-plichtige onder het nummer BExxxx.xxx.xxx voor de activiteit van (op het ogenblik van de controle) "overige industrie" (Inmiddels gewijzigd in "groothandel in verlichtingsapparatuur en andere consumentenartikelen"). De maatschappelijke zetel was, op het ogenblik van de controle, gevestigd te XXX; vanaf 25 maart 2014 is de zetel verplaatst naar x.
Op 18 november 2011 wordt door een daartoe bevoegd BTW - ambtenaar een beheerscontrole uitgevoerd op de maatschappelijke zetel over de periode van 1 januari 2009 tot 30 september 2011.
De ambtenaar stelt vast dat het pand op de xxx geen winkel Is die normaal toegankelijk is voor particulieren, het is een groot magazijn waar de artikelen opgestapeld liggen op grote rekken.
In de boekhouding over de periode van 1 Januari 2010 tot 30 september 2011 worden facturen aangetroffen waarop de identiteit van de koper niet is vermeld. Op deze facturen staat de vermelding "detailverkoop". Volgens mevrouw R. W., bestuurder van eiseres in hoger beroep, hebben deze facturen betrekking op aankopen door natuurlijke personen. Met betrekking tot de leveringen, vermeld op de facturen, verklaart zij:
- de identiteit van de kopers niet te kennen,
- dat het gaat over verschillende kopers,
- dat de kopers hun aangekochte goederen steeds contant betaalden in geld,
- dat er voor deze leveringen geen bestelbonnen werden opgemaakt.
In 2010 werden 262 facturen opgemaakt en in de periode van 1 januari tot 30 september 2011 werden 158 facturen opgemaakt.
In 2010 werden 15 facturen voor 'detailverkoop' opgemaakt (5,73% van de opgemaakte facturen). De omzet op deze facturen bedraagt 49.359,38 euro, zijnde 51,83% van de totale omzet.
In de periode van 1 Januari tot 30 september 2011 werden 9 facturen voor 'detailverkoop' opgemaakt (5,70% van de opgemaakte facturen) en de omzet op deze facturen bedroeg 31.818,18 euro, zijnde 51,05% van de totale omzet tijdens deze periode.
Op basis van deze vaststellingen wordt op 24 januari 2012 een proces-verbaal opgesteld waarin de inbreuken worden vastgesteld, met name overtreding inzake het opmaken van facturen voor leveringen die bestemd zijn voor een economische activiteit zoals voorzien in artikel 1, § 6 van het K.B.nr. 1, en de verplichte vermelding op deze facturen op grond van artikel 5 van dit K.B.
Volgens dit proces-verbaal is eiseres in hoger beroep op grond van artikel 70. §2 W.BTW een geldboete verschuldigd van 34.094,62 euro (het dubbel van de op de handelingen verschuldigde BTW van 17.047,31 euro).
Op 30 april 2013 - hangende de procedure voor de rechtbank van eerste aanleg – wordt door S.S., ontvanger, een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 13 mei 2013 wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur. Krachtens dit dwangbevel is eiseres in hoger beroep nog een bedrag verschuldigd van 31.872,42 euro (34.094,62 euro - 2.222,20 euro), meer intresten.
2.De voorafgaande procedure.
2.1. - Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 27 juli 2012, vordert eiseres in hoger beroep het verzoekschrift ontvankelijk en gegrond te verklaren; te zeggen voor recht dat de P.V. inzake BTW van 24 januari 2012 tot betaling van BTW - boete van 34.094,62 euro faalt naar recht; het dwangbevel overgemaakt aan eiseres in hoger beroep tot betaling van de BTW - boete van 34.094,62 euro, als belasting over de toegevoegde waarde te vernietigen en haar ervan te ontlasten van alle heffingen In de BTW welke gegrond zijn op de hogervermelde P.V. en dwangbevel; minstens de opgelegde boete kwijt te schelden gezien de goede trouw van eiseres In hoger beroep; minstens de opgelegde boete te herleiden tot zijn redelijke proporties; de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van alle sommen die op grond van deze P.V. en het dwangbevel zouden zijn geïnd, verhoogd met de moratoriumintresten; de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, Inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding en uitgavenvergoeding, zoals voorzien bij artikel 1022 Ger.W.
2.2. - Het bestreden vonnis verklaart de vordering ontvankelijk en toelaatbaar, maar ongegrond; veroordeelt eiseres in hoger beroep tot de kosten en vereffent de kosten in hoofde van verweerder in hoger beroep niet bij gebrek aan opgave en begroting van eigen kosten in conclusie.
De eerste rechter oordeelt ten gronde als volgt:
"Eiseres staat voor de BTW enkel geregistreerd als groothandel.
Op zich moge dit niet allesbepalend zijn, feit blijft dat zij geen specifieke inrichting heeft voor verkoop in het klein.
De omzet in de hier betrokken facturen heeft werkelijk niets te maken met detailverkoop.
Het wettelijk verwijt dat de belastingdienst maakt aan de opmaak van de facturen is dan ook geenszins vormelijk, maar heeft inhoud.
Inderdaad brengt de niet identificatie van de in realiteit niet particuliere afnemer mede dat in de verdere fasen) van de ketting belastbare materie verloren gaat, minstens dat een en ander oncontroleerbaar werd door de handelwijze van eiseres.
Sanctionering van deze handelwijze is dan ook volop gerechtvaardigd.
Eiseres pleit dat de omvang van de sanctie te dezen niet evenredig is met de feiten.
Met name zou het slechts gaan om ongeveer 5% van de omzet.
Blijkt dat de feiten zijn wat ze zijn en strenge aanpak behoeven.
Het argument dat de zuster van de zaakvoerder de feiten heeft begaan en dat zij ondertussen werd ontslagen lijkt te sterk op de klassieke zondebok die de woestijn werd ingestuurd. Overigens blijkt uit de ontslagbrief dat het ontslag werd gegeven om economische redenen.
Het neemt aldus de aan eiseres toerekenbare feiten geenszins weg.
Het vinden van de feiten in de administratie van eiseres neemt de fraude-intentie niet weg (zie en vgl. Cass. 1 maart 1991, FJF 91/134).
Verweerder wijst er pijnlijk op dat in 2010 en het gecontroleerde deel van 2011 telkens meer dan 50% van de omzet als detailverkoop werd gefactureerd, bovendien telkens zonder detail.
De tijdsduur van de vastgestelde fraude duidt op de geenszins occasionele aard van de feiten.
Er ligt te dezen dan ook geen reden voor tot mildering van de toegepaste sanctie."
2.3. - Tegen dit vonnis heeft eiseres in hoger beroep bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 23 juni 2014, hoger beroep ingesteld.
3. De vorderingen en standpunten in hoger beroep
3.1. - Eiseres in hoger beroep vordert haar vordering toelaatbaar en gegrond te verklaren; het bestreden vonnis teniet te doen; opnieuw recht doende, het PV inzake BTW van 21 januari 2012 tot betaling van een BTW - boete van 34.094,62 euro van nul en generlei waarde te verklaren; opnieuw recht doende, het dwangbevel met kenmerk Reg. Xxx/xxxx en met RCIV-nr.xxx/xxxx/xxxxx, uitgevaardigd op 30 april 2013 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 13 mei 2013 door de Gewestelijke Directeur van de Belasting over de Toegevoegde Waarde te Antwerpen van nul en generlei waarde te verklaren; ondergeschikt minstens de in het dwangbevel opgelegde geldboete ten bedrage van 34.094,62 euro te schrappen dan wel te verminderen en uitstel te verlenen van tenuitvoerlegging van de boete; in uiterst ondergeschikte orde de zaak naar de rol te verwijzen; teruggave te bevelen van de bedragen die ten onrechte zouden zijn betaald door eiseres In hoger beroep en / of ingehouden door verweerder In hoger beroep en die toegerekend werden op de sommen vermeld in het dwangbevel, bedragen die moeten worden vermeerderd met de wettelijke en de gerechtelijke intresten vanaf de datum van betaling of inhouding; verweerder in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding, hierin begrepen de rechtsplegingsvergoeding zowel in eerste aanleg als in hoger beroep bepaald op het basisbedrag, 2.200,00 euro; in ondergeschikte orde, indien eiseres in hoger beroep zou veroordeeld worden tot een rechtsplegingsvergoeding, deze te herleiden tot het minimumbedrag.
Eiseres in hoger beroep voert aan dat zij enkel bij particuliere verkopen een verkoopfactuur heeft opgesteld met vermelding detailverkoop en niet de volledige identiteit van de desbetreffende koper / particulier heeft opgenomen. Enkel de volledige identiteit van de particuliere koper ontbrak. Zij heeft echter steeds te goeder trouw gehandeld.
Volgens eiseres in hoger beroep dient de opgelegde administratieve geldboete van 200% verminderd te worden en dient er uitstel van tenuitvoerlegging toegekend te worden.
Eiseres in hoger beroep heeft steeds te goeder trouw gehandeld; zij heeft geen BTW ontdoken noch is er enig concurrentieverstorend gevolg van de overtreding; zij heeft geen enkel voordeel behaald uit de beweerde overtreding en bovendien betreft het een eerste inbreuk en heeft zij zich onmiddellijk geschikt naar de opmerkingen van de administratie. De opgelegde boete brengt het voortbestaan van eiseres In hoger beroep in gevaar. De opgelegde boete Is onevenredig en dient verminderd te worden.
Eiseres in hoger beroep vraagt in ieder geval uitstel te verlenen van tenuitvoerlegging van de boete.
3.2. - De Belgische Staat vordert het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en het bestreden vonnis te bevestigen en eiseres In hoger beroep te veroordelen tot alle kosten van het geding: Indien de hoofdvordering toch gegrond zou worden verklaard de uitspraak omtrent de rechtsplegingsvergoeding aan te houden tot het Grondwettelijk Hof uitspraak heeft gedaan.
De Belgische Staat benadrukt dat indien eiseres in hoger beroep facturen opmaakt, deze regelmatig dienen te zijn, ongeacht of zij gehouden is tot facturatie of niet, en dienen deze facturen uitgereikt te worden. De leveringen aan particulieren betreffen goederen in hoeveelheden die de normale behoeften van particulieren overstijgen. Er wordt door eiseres in hoger beroep ook niet aangetoond dat de afnemers voor wie de stukken werden opgesteld 'natuurlijke personen' (voor privé gebruik) zijn, wat gezien de bedragen onwaarschijnlijk is. De handelsruimte waarin de verkopen plaatsvinden, is niet geschikt om te verkopen aan particulieren: het betreft een 'groothandel' die voornamelijk aan winkels geschenken en verlichting levert. De Belgische Staat wijst er op dat respectievelijk 51,83% van de omzet in 2010 en 51,05%van de omzet in de periode van 1 januari tot 30 september 2011 via 'detailverkoop' werd gefactureerd, op stukken die een bedrag vermelden dat gemiddeld gezien bijna 18 keer hoger is dan het bedrag dat op 'regelmatige' facturen wordt
vermeld.
Er Is geen reden tot kwijtschelding of vermindering van de opgelegde boete, noch om uitstel
van tenuitvoerlegging toe te staan.
Ter zitting verklaart de Belgische Staat niet langer de opschorting van de uitspraak over de rechtsplegingsvergoeding te vragen en akkoord te zijn dat de rechtsplegingsvergoeding dient begroot te worden op 2.200,00 euro.
4. Beoordeling
4.1. - De factureringsplicht.
De facturering maakt het voorwerp uit van artikel 53, §§2 en 3 W.BTW en van de artikelen 1 tot 13 van het K.B. nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de BTW.
Uit artikel 53, §2 W.BTW blijkt dat er in hoofde van de belastingplichtige geen verplichting tot het opmaken en uitreiken van een factuur bestaat met betrekking tot de levering van goederen of het verstrekken van diensten aan een natuurlijke persoon die deze goederen of diensten bestemt voor zijn privé gebruik.
Deze niet - verplichting tot het uitreiken van een factuur heeft dus betrekking op de aankopen verricht door natuurlijke personen, al dan niet BTW - belastingplichtigen, wanneer zij deze goederen of diensten bestemmen voor hun privé gebruik.
De belastingplichtige behoudt de mogelijkheid om een factuur uit te reiken wanneer daartoe geen verplichting bestaat, doch zijn keuze heeft gevolgen ten aanzien van het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt en ten aanzien van zijn boekhoudkundige verplichtingen, onder meer de vorm waaraan de factuur moet voldoen en de vermeldingen die moeten op voorkomen.
In deze blijkt uit de vaststellingen van de controleambtenaar en uit de voorgelegde stukken dat eiseres in hoger beroep tijdens de gecontroleerde periode facturen heeft uitgereikt met betrekking tot door haar gedane leveringen van goederen zonder Inachtneming van de ter zake geldende wettelijke voorschriften en bepalingen, meer bepaald werd de Identiteit van de kopers niet vermeld op deze facturen.
Deze materiële vaststellingen werden opgenomen in het proces-verbaal van 24 januari 2012. Overeenkomstig artikel 59 W.BTW levert dit proces-verbaal bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen.
Het hof stelt vast dat eiseres in hoger beroep deze vaststellingen niet betwist noch het tegendeel ervan bewijst.
De bewering van eiseres in hoger beroep dat zij niet diende te factureren bij de verkoop aan particulieren is niet ter zake dienend. De betwisting heeft geen betrekking op de vraag of eiseres in hoger beroep al dan niet kon genieten van een ontheffing van de factureringsplicht, maar wel dat zij heeft gefactureerd zonder de wettelijke vermeldingen op te nemen in haar facturen. Indien men factureert, dienen de facturen te voldoen aan de wettelijke opgelegde formaliteiten en voorwaarden.
4.2. – De geldboete.
4.2.1. – Artikel 70, §2 W.BTW, zoals van toepassing In deze zaak, bepaalt:
''Wanneer de factuur of het als zodanig geldend stuk, waarvan de uitreiking is voorgeschreven door de artikelen 53, 53octies en 54, of door de ter uitvoering ervan genomen besluiten, niet is uitgereikt of onjuiste vermeldingen bevat ten aanzien van het identificatienummer, de naam of het adres van de bij de handeling betrokken partijen, de aard of de hoeveelheid van de geleverde goederen of verstrekte diensten, de prijs of het toebehoren ervan, wordt een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de op de handeling verschuldigde belasting, zonder dat ze minder mag bedragen dan 50 EUR.
Die geldboete is verschuldigd individueel door de leverancier of de dienstverrichter en door zijn medecontractant. Ze is evenwel niet verschuldigd wanneer de overtredingen als louter toevallig kunnen worden aangemerkt, inzonderheid op grond van het aantal en het belang van de handelingen waarvoor geen regelmatig stuk is uitgereikt, vergeleken met het aantal en het belang van de handelingen waarvoor wel een regelmatig stuk is uitgereikt of wanneer de leverancier of de dienstverrichter geen ernstige reden om te twijfelen aan de niet - belastingplichtigheid van de medecontractant.
…”.
Krachtens artikel 84, derde lid, W.BTW wordt binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.
Ingevolge het K.B. nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, kan de wettelijke boete van 200% verminderd worden. De schaal voor de vermindering van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde is bepaald in de tabellen A tot J gevoegd bij dit K.B.nr. 41.
Voor de geldboeten van toepassing voor de overtredingen beoogd in artikel 70, §2 W.BTW is tabel C van toepassing.
Volgens artikel 1 van het K.B. nr. 41 is de in de tabellen A tot J van de bijlage bij dit besluit opgenomen schaal niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.
4.2.2. - De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, mag de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen, van het Interne recht, met Inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.
Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratie geldboete van zodanige omvang.
De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van de reeds opgelegde sancties en de wijze waarop In gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met die sanctie.
Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwiitschelden of verminderen.
4.2.3. - Uit de vaststellingen van de controleambtenaar blijkt dat het pand aan de … te…, waar eiseres in hoger beroep ten tijde van de controle haar activiteit uitoefende, geen winkel is die normaal toegankelijk is voor particulieren, doch een groot magazijn waar de artikelen opgestapeld liggen op grote rekken.
Hieruit blijkt dat haar activiteit er niet op gericht is goederen voor privé gebruik te verkopen.
Uit de vaststellingen blijkt ook dat het totaal van de 'detailverkoop' in 2010 goed is voor 51,83% van de totale omzet van 2010 en in de gecontroleerde periode van 2011 voor 51,05% van de totale omzet van deze periode. Ook al gaat het om een gering aantal van het totaal uitgereikte facturen (5,73% van de opgemaakte facturen in 2010 en 5,70% van de opgemaakte facturen in de gecontroleerde periode van 2011), kan niet gesteld worden dat de overtredingen louter toevallig waren.
Het hof oordeelt dat de vastgestelde overtredingen, gelet op de aard van de handel, de handelsruimte die niet voorzien is voor de verkoop aan particulieren en het belang van de kwestieuze verkopen in vergelijking met de totale omzet, niet als louter toevallig kunnen aangemerkt worden en dat ze begaan werden met het oogmerk om belasting de ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. Derhalve zijn de verminderingen van de proportionele geldboeten bepaald in de tabellen A tot I (in deze tabel C) van het K.B. nr. 41 van 30 januari 1987 niet van toepassing. Dit heeft tot gevolg dat de administratie louter binnen het kader van de toepassing van de Belgische wetgeving geen enkele appreciatiebevoegdheid had en verplicht was om een boete van 200% van de op de handelingen verschuldigde belasting op te leggen.
Er kan evenwel niet aan voorbijgegaan worden dat wanneer een boete van 200% wordt opgelegd In geval van inbreuken die betrekking hebben op een hoog bedrag aan BTW, zoals in deze, dit leidt tot een enorme administratieve geldboete, in die mate dat dergelijke boete een buitensporige last uitmaakt.
Een dergelijke aanslag op de financiële toestand van het bedrijf heeft tot gevolg dat dit het verder bestaan·van het bedrijf In het gedrang kan brengen. Dergelijke boete is niet meer evenredig met de inbreuk en met het doel van een dergelijke administratieve boete.
Uit die gegevens dient afgeleid te worden dat een boete van 200% in casu onevenredig is en moet verminderd worden tot 50% van de op de kwestieuze handelingen verschuldigde belasting.
Het hof oordeelt dat, gelet op het ontduikingsinzicht in hoofde van eiseres in hoger beroep, niet dient Ingegaan te worden op het verzoek om een volledig uitstel van de opgelegde boete uit te spreken.
4.3. - De gerechtskosten.
Krachtens artikel 1017, vierde lid, Ger.W. kunnen de kosten worden omgeslagen zoals de rechter het raadzaam oordeelt, wanneer de partijen onderscheidenlijk omtrent enig geschilpunt in het ongelijk zijn gesteld.
Uit de bovenstaande motieven volgt dat partijen elk omtrent enig geschilpunt in het ongelijk worden gesteld.
Het behoort dan ook om de kosten van het geding om te slaan als volgt: eiseres in hoger beroep is gehouden tot ¼ van de kosten van het geding In beide aanleggen en verweerder in hoger beroep tot ¾ van deze kosten.
Partijen zijn het eens dat de rechtsplegingsvergoeding dient begroot te worden op 2.200,00 euro per aanleg rekening houdend met het pecuniair belang van de vordering.
De Belgische Staat werd noch In eerste aanleg noch In hoger beroep bijgestaan of vertegenwoordigd door een raadsman en kan dus geen aanspraak maken op een rechtsplegingsvergoeding.
Dispositif
5. Beslissing.
Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.
Oe rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.
Het hof verklaart het hoger beroep van de NV EURO-CACECR toelaatbaar en deels gegrond.
Het hof hervormt deels het bestreden vonnis.
Het hof zegt voor recht dat de volgens het proces-verbaal van 24 januari 2012 en het dwangbevel van 30 april 2013 verschuldigde boete dient herleid te worden tot 50% van de op de handelingen verschuldigde belasting en veroordeelt de Belgische Staat tot terugbetaling aan de NV E-C van elke som van het meergevorderde geïnd, ingevorderd of ingehouden, meer de moratoire intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf de datum van inning, invordering of inhouding.
Het hof veroordeelt de NV E-C tot 1/4 en de Belgische Staat tot ¾ van de kosten van het geding In beide aanleggen, in hoofde van de NV E-C begroot op 2.200,00 euro rechtsplegingsvergoeding zo in eerste aanleg als in hoger beroep en n hoofde van de Belgische Staat begroot op 0,00 euro rechtsplegingsvergoeding zo in eerste aanleg als in hoger beroep.
Het hof wijst het meer en l of anders gevorderde af als ongegrond.
Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 27 oktober 2015 door
D. W. Voorzitter
M. G. Raadsheer
C. P. Raadsheer
L. K. Griffier
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.