Paiement de l'impôt, disposition pénale, amende administrative, poursuite, instance · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Hasselt 23 mai 2007

Rechercher
Texte en néerlandais

Paiement de l'impôt, disposition pénale, amende administrative, poursuite, instanceTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/paiement-impot-disposition-penale-amende-tribunal-hasselt-2007-05-23-c03d

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Hasselt
Date
23 mai 2007

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

69 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Hasselt du 23.05.2007

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :

IN ZAKE A.R. nr. 05.0101.A

T. S. BVBA, vennootschap met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven bij de kruispuntbank der ondernemingen onder nr. …

Eiseres, vertegenwoordigd door Mr. B. loco Mr. L., advocaat te …, ….

tegen :

ADMINISTRATIE DER BELASTINGEN, INVORDERING SECTOR BTW, op vervolging en benaarstiging van de rekenplichtige van het Tweede BTW ontvangkantoor van Hasselt, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3500 Hasselt, Thonissenlaan 20.

DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.

Verweerder, vertegenwoordigd door Mr. D. loco Mr. R. F., advocaat te …, ….

VOLGT HET VONNIS :

Gelet op :

- het tussenvonnis van deze rechtbank van 07.03.2007;

- de besluiten en stukken van verweerder;

- de besluiten en stukken van eiseres.

FEITEN EN VOORGAANDEN :

De BVBA T. S. is ingevolge de door haar uitgeoefende beroepsactiviteit van kleinhandel in vloeibare brandstoffen geregistreerd als BTW-belastingplichtige (BTW-nummer …) en zodoende onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering daarvan genomen besluiten.

Op 15.04.2004, 23.08.2004 en 04.10.2004 hebben de heer L. H., eerstaanwezend inspecteur bij de Administratie van de BTW, registratie en domeinen, en de heer G. D. S., inspecteur bij de Administratie van de Directe Belastingen, beiden ter beschikking gesteld van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomstenfiscaliteit, controlecentrum Tongeren­Genk, bij eiseres onder meer een BTW-controle doorgevoerd die betrekking had op de handels- en beroepswerkzaamheden door de belastingplichtige uitgeoefend tijdens de jaren 2001 en 2002.

Bij nazicht van de voorgelegde boeken en stukken en van de verstrekte inlichtingen stelden de controleambtenaren onder meer het volgende vast :

- de zaakvoerders van de belastingplichtige verklaarden dat ze tijdens de gecontroleerde periode geen goederen verkochten aan particulieren, ze leverden enkel brandstof aan afnemers die deze aanwenden voor beroepsgebruik;

- in het uitgaande facturenboek waren verschillende facturen geboekt met de vermelding "kontante verkoop";

- bij nazicht bleek dat deze facturen niet werden opgesteld op naam van een bepaalde afnemer maar dat er de vermelding "kontante verkopen" op was aangebracht;

- de facturen werden nooit overhandigd, noch verstuurd aan een bepaalde klant;

- de heer B. B., zaakvoerder van eiseres, verklaarde dat een gedeelte van de contant betaalde levering van goederen niet werden gefactureerd aan de afnemer, maar de ontvangsten werden dagelijks in het kasboek ingeschreven en maandelijks en globaal vermeld op een interne factuur "kontante verkopen", die geboekt werd in het verkoopjournaal.

De controleverrichtingen en hun resultaten werden opgenomen in een proces-verbaal van 26.10.2004 en waarbij werd vastgesteld dat eiseres het hiernavolgende bedrag verschuldigd is ingevolge het niet uitreiken van een reglementaire factuur voor alle geleverde goederen in tegenstelling met de bepalingen van art. 53, eerste lid, 2° BTW-wetboek en art. 1, § 1 van het KB nr. 1 van 29.12.1992, te weten een geldboete op grond van art. 70 § 2 van het BTW-wetboek en bij toepassing van art. 84, derde lid BTW-wetboek en tabel C, rubriek 1, onderverdeling 1) van de bijlage bij het KB nr. 41 van 30.01.1987 verminderd tot 60% en afgerond tot 273.020,00 euro.

(zie stuk 1, bundel verweerder).

De verminderde geldboete werd als volgt gemotiveerd in het proces-verbaal :

"Gelet enerzijds op het feit dat door ondergetekenden werd vastgesteld dat door belastingplichtige een zeer aanzienlijk deel van de door haar aangegeven omzet, met name 71, 19 % in het jaar 2001 en 59,32 % in het jaar 2002 niet werd gefactureerd, terwijl dit wettelijk verplicht was omdat het ging om contant betaalde ontvangsten, afkomstig van leveringen van brandstoffen aan belastingplichtigen die deze aanwenden voor beroepsgebruik, en anderzijds ook op het feit dat zij niet van oordeel zijn dat deze overtredingen werden begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken (…)"

Op 06.12.2004 ging de waarnemend eerstaanwezend inspecteur van het Tweede BTW-Ontvangkantoor, de heer D. S., over tot de opstelling van een dwangbevel gesteund op het proces-verbaal van 26.10.2004. Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur op 08.12.2004 (zie stuk 2, bundel verweerder).

In dit dwangbevel werd de geldboete ten bedrage van … euro gevorderd alsook moratoire intresten over de nog verschuldigde geldboete vanaf de betekening van het dwangbevel in toepassing van art. 91, § 4 WBTW alsmede de vervolgingskosten.

Bij exploot van gerechtsdeurwaarder M. D., vervanger van gerechtsdeurwaarder G. G. van 23.12.2004 werd het dwangbevel van 06.12.2004 en het proces-verbaal van 26.10.2004 betekend aan eiseres (zie stuk 3, bundel verweerder).

Bij brief van 04.11.2004 verzocht eiseres aan de BTW-directie om de opgelegde BTW-boete kwijt te schelden of tenminste in die mate te reduceren dat zij betaalbaar wordt (zie stuk 5, bundel verweerder).

Eiseres motiveerde haar verzoek door te stellen dat zij niet van de facturatieplicht op de hoogte was. Zij verklaarde dat zij een groot gedeelte van haar omzet realiseerde doordat Turkse vrachtwagenchauffeurs, op weg van Turkije naar Groot-Brittannië bij haar kwamen tanken. Deze chauffeurs betalen contant. Zij wensen geen aankoopfactuur omdat zij van hun werkgever een bepaald bedrag ter beschikking krijgen om alle kosten te dekken. Om die reden werd er voor deze verkopen geen factuur opgesteld maar werden deze verkopen opgenomen in een maandelijkse verzamelfactuur. Tevens wijst eiseres er op dat er over de grootte van de omzet geen betwisting bestaat en dat de controlerende ambtenaren hebben vastgesteld dat de opname in de verzamelfactuur steeds plichtsbewust is gebeurd. De Belgische staat heeft ingevolge de door haar gevolgde handelswijze geen nadeel ondervonden.

Eiseres ontving geen inhoudelijk standpunt op haar verzoek tot kwijtschelding, minstens herleiding van de opgelegde BTW-boete.

Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 11.01.2005, stelde eiseres derhalve fiscaal beroep in en vorderde de vernietiging minstens een zeer grote herleiding van de door verweerder opgelegde BTW-boete ten bedrage van … euro.

BEOORDELING

1. Ontvankelijkheid :

Er worden door verweerder geen middelen van ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is dan ook ontvankelijk.

2. Ten gronde :

Eiseres betwist niet dat zij in toepassing van art. 53, eerste lid, 2° WBTW en art. 1, § 1 van het KB nr. 1 van 29.12.1992, zoals dat van toepassing was tijdens de gecontroleerde periode, ertoe gehouden was om aan de afnemers facturen uit te reiken voor de door haar geleverde goederen, zoals weergegeven in het proces-verbaal van 26.10.2004.

Eiseres streeft enkel de kwijtschelding, minstens de herleiding van de opgelegde geldboete na.

De rechter kan met volle rechtsmacht oordelen over de door de administratie opgelegde geldboete (zie E.H.R.M., 4 maart 2004, T.F.R., 2004, nr. 264, 636; Arbitragehof, 24 februari 1999 en 12 juni 2002, R.W., 1998-99, 1346).

De rechter aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van art. 70 WBTW te toetsen, mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. Hierbij mag hij inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie. Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (zie Cass. 21 januari 2005, R. W., 2005-2006, 1015).

De rechter moet kunnen nagaan of de straf niet onevenredig is met de overtreding en in voorkomend geval de administratieve sancties verminderen. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt immers in dat bij de voorbereiding en bij het nemen van een overheidsbesluit alle relevante factoren en omstandigheden worden afgewogen; als materiële component zit hierin onder meer vervat dat de voor de belanghebbende nadelige gevolgen niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelstellingen.

De sanctiemaat mag dus niet onevenredig zijn in verhouding tot de handhavings- en repressiedoelstellingen, waarbij de ernst van de overtreding de eerste wegingsfactor van belang blijft. De beslissing kan wel op zorgvuldigheid (inclusief evenredigheid) worden getoetst, maar niet op loutere opportuniteit en billijkheid (bijv. verzachtende omstandigheden) (zie conclusie advocaat-generaal Thijs bij Cass., 21 januari 2005, R. W, 2005- 2006, 1015).

De rechtbank stelt vast dat ingevolge de wettelijke bepalingen (meer bepaald tabel C, rubriek I, 1) van de bijlage bij het KB nr. 41 van 30.01.1987) de verschuldigde boete 60 % bedroeg, zijnde … euro.

De uitsluiting van de opportuniteitsbeoordeling kan evenwel niet tot gevolg hebben dat deze boete niet kan worden verminderd.

In casu dient te worden nagegaan of de opgelegde boete van … euro in verhouding staat met de concrete gegevens van de zaak.

Het staat vast dat de gevorderde administratieve boete verschuldigd is door de loutere schending van de facturatieplicht, hetgeen door eiseres niet betwist wordt, en dit ongeacht de goede trouw die eiseres inroept.

Het is op grond van de hoger geciteerde feitelijkheden duidelijk dat eiseres bijzonder onnauwkeurig heeft gehandeld. Zij dient de gevolgen te dragen van haar gebrek aan zorgvuldigheid bij het vervullen van de opgelegde wettelijke verplichtingen.

Nu de geldboete werd opgelegd voor een niet-intentioneel begane fout (kwade trouw wordt immers niet vermoed en wordt te dezen ook niet bewezen) maar voor een fout welke is te wijten aan een vergaande onvoorzichtigheid van eiseres, sluit in de gegeven omstandigheden het opleggen van een geldboete van …0 euro, zijnde 10% van de opgelegde geldboete van … euro, beter aan bij de feiten.

De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

Dispositif

OM DEZE REDENEN :

De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak,

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en in volgende mate gegrond,

Zegt voor recht dat de geldboete, zoals voorzien in het dwangbevel van 08.12.2004, wordt herleid tot 10% van de opgelegde boete van … euro, zijnde … euro.

Veroordeelt beide partijen elk tot de helft van de kosten van het geding en begroot deze kosten aan de zijde van eiseres op :

- … euro rechtsplegingsvergoeding.

- … euro aanvullende rechtsplegingsvergoeding tussenvonnis.

en aan de zijde van verweerder op:

- … euro rechtsplegingsvergoeding.

- … euro aanvullende rechtsplegingsvergoeding tussenvonnis.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer op het gerechtshof te Hasselt op 23.05.2007 alwaar aanwezig waren :

Mevrouw M. C., enige rechter, en,

De Heer Ph. N., griffier.

Ph. N. M. C.

Textes cités

5
AR no 1 art. 12 occurrences
CTVA art. 532 occurrences
CTVA art. 702 occurrences
CTVA art. 841 occurrence
CTVA art. 911 occurrence

Décisions similaires

8