Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du tribunal de première instance d'Anvers du 19.12.2025 (25/269/A)
FIN 59352313-01
[Favorable]
TVA – Impôt sur les sociétés – Contrôle fiscal – Amende proportionnelle
Résumé
Pas disponible
Texte intégral:
Corps de la décision
Ce jugement n'est disponible que dans la langue originale.
Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 19.12.2025
25/269/A
Inzake:
cie1
met zetel te ..., KBO: ...
eiseres
vertegenwoordigd ter zitting door meester Bart Coopman, advocaat, met kantoor te 1980 Zemst, Schom 11,
TEGEN:
DE BELGISCHE STAAT,
Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal, Directeur van het KMO Centrum Mechelen, met correspondentieadres 9050 Gent, Gaston Crommenlaan 6 bus 561, KBO : 0308.357.159
verweerder
vertegenwoordigd ter zitting door P.V., in hoedanigheid van rijksambtenaar voor de Federale Overheidsdienst Financiën.
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer:
- het verzoekschrift toegekomen ter griffie op 18 januari 2025, ingeschreven op 20 januari
2025,
de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, §1 van het Gerechtelijk Wetboek op 14 februari 2025,
de besluiten van partijen.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in de gerechtszaken.
Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 21 november 2025.
1. Feiten en procedurele voorgaanden
Huidige betwisting betreft de btw-schuld met schuldartikel … opgenomen in het innings- en invorderingsregister op 18 november 2024 en uitvoerbaar verklaard op 19 november 2024 en de btw-schuld met schuldartikel … opgenomen in het innings- en invorderingsregister op 20 januari 2025 en uitvoerbaar verklaard op 23 januari 2025 .
Eiseres is sinds 22 november 2010 geregistreerd als btw-belastingplichtige onder het nummer ....
Op 23 januari 2024 werd de accountant van eiseres in kennis gesteld dat eiseres geselecteerd was voor een controle inzake vennootschapsbelasting met betrekking tot aanslagjaar 2022 en inzake btw met betrekking tot de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021.
Op 13 februari 2024 vond een controle plaats van de boekhouding op het kantoor van de accountant van eiseres. Nadien volgden nog verschillende vragen om inlichtingen ook met betrekking tot de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2023, waarna bijkomende inlichtingen/stukken werden bezorgd door eiseres (stukken 8-11 AD).
Op 9 augustus 2024 werd een regularisatieopgave inzake de vastgestelde inbreuken op de btw-wetgeving voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2023 verstuurd naar de accountant van eiseres.
Op 20 augustus 2024 werd een controle opgestart voor de periode van 1 januari 2024 tot en met 30 juni 2024.
Op 5 september 2024 werd een regularisatieopgave inzake de vastgestelde inbreuken op de btw-wetgeving voor de periode van 1 januari 2024 tot en met 30 juni 2024 verstuurd naar de raadsman van eiseres.
Op 10 september 2024 werd een niet-akkoord ontvangen met betrekking tot voornoemde regularisatieopgaven.
Aangezien er geen minnelijk akkoord kon worden bereikt over de vastgestelde inbreuken en bedragen, werden de vastgestelde inbreuken voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 30 juni 2024 opgenomen in het proces-verbaal van regularisatie van 4 oktober 2024 (stuk 1 AD). In dit proces-verbaal werden volgende bedragen gevorderd:
als btw: 29.227,93 euro,
als proportionele geldboete: 2.920,00 euro (10%),
te vermeerderen met de wettelijk verschuldigde interesten vanaf 21 juli 2024.
Voor de schuld opgenomen in dit proces-verbaal werd het invorderingsorder met nummer … opgesteld. De schuld werd opgenomen in het innings- en invorderingsregister met nummer 202411NL012, dat werd opgemaakt op 18 november 2024 en uitvoerbaar verklaard op 19 november 2024. Een uittreksel uit het innings- en invorderingsregister werd opgestuurd naar eiseres op 19 november 2024 (stuk 2 AD).
Op 21 november 2024 werd een btw-controle aangekondigd voor de periode van 1 juli 2024 tot en met 30 september 2024.
De vastgestelde inbreuken voor de periode van 1 juli 2024 tot en met 30 september 2024 werden opgenomen in het proces-verbaal van regularisatie van 9 december 2024 (stuk 3 AD). In dit proces-verbaal werden volgende bedragen gevorderd:
als btw: 1.893,50 euro,
als proportionele geldboete: 189,00 euro (10%),
te vermeerderen met de wettelijk verschuldigde interesten vanaf 21 oktober 2024.
Voor de schuld opgenomen in dit proces-verbaal werd het invorderingsorder met nummer … opgesteld. De schuld werd opgenomen in het innings- en invorderingsregister met nummer …, dat werd opgemaakt op 20 januari 2025 en uitvoerbaar verklaard op 23 januari 2025. Een uittreksel uit het innings- en invorderings-register werd opgestuurd naar eiseres op 23 januari 2025 (stuk 4 AD).
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 18 januari 2025 stelde eiseres een vordering in rechte in.
2. Vorderingen van partijen
De vordering van eiseres strekt ertoe:
haar vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens;
de btw-heffingen/ belastingschulden gekend onder artikelnummer … ten belope van 32.147,93 euro (btw en boete), en onder artikelnummer … ten belope van 2.082,50 euro (btw en boete), beide te vermeerderen met interesten, en zoals bevat in respectievelijk het proces-verbaal d.d. 4 oktober 2024 en het proces-verbaal d.d. 9 december 2024 te vernietigen en voornoemde processen-verbaal eveneens nietig te verklaren;
de voormelde btw-boetes te vernietigen of te ontheffen;
verweerder te veroordelen tot terugbetaling van alle sommen die op grond van deze belastingschuld zijn geïnd of ingehouden, vermeerderd met interesten bepaald in artikel 91 WBTW;
verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding, inclusief de rechtsplegingsvergoeding geraamd op 3.139,53 euro;
de onmiddellijke uitvoerbaarheid van het vonnis te bevelen.
Verweerder verzoekt de rechtbank:
het verzoekschrift ontvankelijk maar ongegrond te verklaren;
het schuldartikel met het nummer … opgenomen in het innings- en invorderingsregister van 18 november 2024 en gemotiveerd door het proces-verbaal van 4 oktober 2024 te bevestigen;
het schuldartikel met het nummer … opgenomen in het innings- en invorderingsregister van 20 januari 2025 en gemotiveerd door het proces-verbaal van 9 december 2024 te bevestigen;
eiseres tot de kosten te veroordelen.
3. Ontvankelijkheid
De ontvankelijkheid van de vordering van eiseres wordt door verweerder niet betwist. Er zijn evenmin ambtshalve aan te voeren bezwaren betreffende de ontvankelijkheid.
De vordering van eiseres is dan ook ontvankelijk.
4. Beoordeling
4.1. Inbreuken op artikel 45, §1 WBTW
In de processen-verbaal van 4 oktober 2024 en 9 december 2024 werden door de belastingadministratie voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 30 september 2024 inbreuken vastgesteld op de aftrekregeling ten aanzien van goederen en/of diensten die volledig of gedeeltelijk bestemd zijn voor privédoeleinden of voor andere doeleinden dan die van de economische activiteit. Ingevolge deze vaststellingen werd de in aftrek genomen btw op kosten gerelateerd aan dieren, tuinwerken, nutsvoorzieningen e.d. verworpen.
Overeenkomstig artikel 45, §1 WBTW mag een btw-belastingplichtige, op de belasting die hij verschuldigd is, de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen in aftrek brengen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van handelingen onderworpen aan de btw.
Op grond van artikel 45, §1 WBTW en artikel 1, §2 KB nr. 3 van 10 december 1969 komt in geen geval voor aftrek in aanmerking, de btw geheven van de goederen en diensten die een belastingplichtige bestemt voor privédoeleinden of voor andere doeleinden dan die van de economische activiteit. Wanneer een goed of een dienst bestemd is om gedeeltelijk voor dergelijke doeleinden te worden gebruikt, is het recht op aftrek naar verhouding van dat gebruik uitgesloten.
De bewijslast ligt ter zake bij de belastingplichtige.
4.1.1. Kosten inzake nutsvoorzieningen
Wat de kosten inzake nutsvoorzieningen betreft stelt de rechtbank vast dat uit de voorliggende gegevens van het dossier geenszins blijkt dat deze kosten enkel en alleen betrekking hebben op de schuur naast de gezinswoning zoals eiseres voorhoudt. Eiseres voert aan dat er aparte tellers zouden zijn geïnstalleerd voor de schuur en de gezinswoning, evenwel betreft dit een loutere bewering die op geen enkele wijze wordt gestaafd met stukken. De rechtbank treedt verweerder dan ook bij dat eiseres ten onrecht de btw met betrekking tot deze aankopen voor 100% in aftrek heeft genomen.
4.1.2. Kosten inzake tuinonderhoud (stuk 14 AD)
Wat de kosten inzake tuinonderhoud betreft blijkt uit de beschikbare aankoopfacturen van cie2 dat deze betrekking hebben op algemeen onderhoud groenzones, grondwerken, snoeiwerken, behandeling van buxus en parkings met sproeistoffen e.d. Uit de omschrijving van de facturen kan geenszins worden afgeleid dat deze betrekking zouden hebben op de landbouwactiviteit van eiseres. De bewering van eiseres dat het onderhoud voor de tuin aan de gezinswoning afzonderlijk werd gefactureerd wordt wederom niet gestaafd met stukken. De belastingadministratie heeft de btw met betrekking tot deze aankopen derhalve terecht verworpen.
4.1.3. Dierenartskosten hond (stuk 13 AD)
Wat voormelde kosten betreft voert eiseres aan dat deze kosten relevant zouden zijn voor de beroepsactiviteit van eiseres aangezien de hond dienst doet als waakhond voor de dieren. Ook hier dient de rechtbank vast te stellen dat eiseres zich beperkt tot loutere beweringen, zodat de btw met betrekking tot deze kosten terecht werd verworpen.
4.1.4. Kosten verbonden aan de activiteit van het fokken van paarden voor verkoop
Volgens eiseres blijkt uit de voorliggende stukken van het dossier onbetwistbaar dat er sprake is van een economische activiteit bestaande uit het fokken van paarden. Het gegeven dat de activiteit niet winstgevend bleek te zijn en intussen werd stopgezet, impliceert niet dat er geen activiteit zou zijn ontwikkeld. Bovendien genereert een dergelijke activiteit niet onmiddellijk inkomsten. Het kan immers jaren duren vooraleer men paarden kan verkopen.
Ingevolge artikel 4 WBTW wordt als belastingplichtige beschouwd éénieder die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten verricht die in het btw-wetboek zijn omschreven, ongeacht de plaats waar de economische activiteit wordt uitgeoefend.
Of een bepaalde activiteit als een economische activiteit dient te worden beschouwd dient te worden beoordeeld aan de hand van de concrete feitelijke omstandigheden.
Niettegenstaande het fokken van paarden, zoals eiseres terecht opmerkt, een lange opstartfase kent en er aanvankelijk voornamelijk investeringen dienen te gebeuren vooraleer er tot verkoop van paarden kan worden overgegaan, is de rechtbank van oordeel dat in deze niet wordt aangetoond dat het daadwerkelijk de bedoeling was om binnen eiseres een activiteit van paardenfokkerij uit te bouwen.
Uit de voorliggende gegevens van het dossier blijkt immers dat eiseres zelf geen paarden in eigendom heeft. In het proces-verbaal van regularisatie van 4 oktober 2024 wordt vermeld dat volgens de door de accountant van eiseres bezorgde eigendomsbewijzen de 5 paarden allen eigendom waren van L.M.. De bewering van eiseres dat het eerste aangekochte paard in natura werd ingebracht in de vennootschap door L.M. wordt op geen enkele wijze gestaafd met stukken. Ook blijkt uit de boekhouding dat geen enkel paard in de boekhouding werd opgenomen, noch als bedrijfsmiddel, noch in voorraad. Ook het eigendomsbewijs gevoegd bij de verkoopfactuur d.d. 4 juni 2025 van een paard meldt dat het betreffende paard eigendom was van L.M. (stuk 6 eiseres). Deze vaststelling is op zich al voldoende om de kosten m.b.t. de paarden te verwerpen.
Zelfs in de hypothese dat de paarden eigendom zouden zijn van eiseres, wat dus geenszins wordt aangetoond, dan nog dient te worden vastgesteld dat (i) op het moment van de controle in 2024, d.i. 14 jaar na aankoop van het eerste paard en 8 jaar na de geboorte van het laatste paard, nog geen enkel paard werd verkocht en (ii) er verder geen stukken worden bijgebracht aangaande afgesloten verzekeringspolissen/ vergunningen, gemaakte publiciteit voor de verkoop van de paarden, communicatie met potentiële kopers, professionele begeleiding/training van de paarden... zodat ook in die hypothese niet wordt bewezen dat er sprake is van een (uitbouw van een) beroepsmatige activiteit cf. artikel 4 WBTW. De stelling van eiseres dat zij alle moeite heeft gedaan om kopers te vinden voor de paarden door onder meer aanwezig te zijn bij netwerk-events in de sector wordt opnieuw op geen enkele wijze ondersteund door stukken.
De belastingadministratie heeft de btw op de kosten m.b.t. de paarden dan ook terecht verworpen.
4.1.5. Kosten verbonden aan de activiteit van het fokken van wedstriidduiven
Eiseres voert verder aan dat zij zich recentelijk heeft toegelegd op het kweken van wedstrijdduiven. Een dergelijke activiteit kent eveneens een zekere opstartfase waardoor niet onmiddellijk inkomsten kunnen worden gegenereerd.
De rechtbank stelt vast dat uit de vaststellingen tijdens de controle zoals opgenomen in het proces-verbaal van regularisatie van 4 oktober 2024 blijkt dat eiseres in 2020 20 duiven heeft aangekocht en 2 in 2021. Evenwel is van deze aangekochte duiven geen enkel spoor terug te vinden in de balans van eiseres.
Verder blijkt dat er op het moment van de controle in 2024, d.i. 4 jaar na aankoop van de eerste 20 duiven, nog geen enkele omzet werd gegenereerd uit de verkoop van duiven. Ook werden ondanks verzoek daartoe vanwege de belastingadministratie geen stukken voorgelegd die aantonen dat er effectief sprake is van de uitbouw van een activiteit van het kweken van duiven. Zo werd er geen ondernemingsplan voorgelegd, werden er door eiseres geen verzekeringen afgesloten m.b.t. de duiven, is er geen bewijs van lidmaatschap bij een duivenbond of club op naam van eiseres, wordt niet aangetoond dat er enige vorm van publiciteit werd gemaakt, e.d. Er worden enkel wedstrijdformulieren bijgebracht op naam van L.M. en niet op naam van eiseres zelf. Het louter deelnemen aan wedstrijden wijst evenwel niet op het bestaan van een economische activiteit.
De rechtbank dient verweerder dan ook bij te treden dat niet wordt aangetoond dat het houden van duiven in casu het loutere hobbykarakter overstijgt. De btw op de kosten m.b.t. de duiven werd derhalve terecht verworpen.
4.2. Schending van het vertrouwensbeginsel
Eiseres verwijst naar een voorgaande controle voor de periode van 1 januari 2017 tot 31 december 2018 (stuk 3 eiseres) waarbij het beroepsmatig karakter van het fokken van duiven en paarden werd aanvaard door de belastingadministratie. Eiseres meent dat zij er in deze op kon vertrouwen dat de gemaakte kosten aftrekbaar waren, zodat er sprake is van een schending van het vertrouwensbeginsel.
De rechtbank stelt vast dat er inderdaad bij een voorgaande controle met betrekking tot de periode 2017-2018 geen opmerkingen werden gemaakt m.b.t. de activiteit van het fokken van paarden aangezien werd aanvaard dat een dergelijke activiteit een ruime periode nodig heeft om zich te ontwikkelen. Evenwel is gebleken dat er sedert deze voorgaande controle nog steeds geen inkomsten werden behaald en dat er geen concreet bewijs werd geleverd dat men intussen een daadwerkelijke activiteit verder aan het ontwikkelen was. Dergelijke vaststellingen rechtvaardigen dan ook de stelling van de belastingadministratie dat het economisch karakter van de activiteit niet of niet voldoende wordt bewezen.
Tijdens deze voorgaande controle was er nog geen sprake van het fokken van duiven zodat er van een gewettigd vertrouwen absoluut geen sprake kan zijn.
4.3. Opgelegde btw-boete
De belastingadministratie heeft een proportionele geldboete van 10% opgelegd in toepassing van artikel 70, §ibis WBTW en artikel 1, en de bijlage, tabel H van het KB nr. 41, wegens het ten onrechte in aftrek brengen van btw.
Eiseres verzoekt de rechtbank deze geldboetes kwijt te schelden, minstens te ontheffen wegens gebrek aan kwade trouw. Tevens meent eiseres dat de opgelegde geldboetes in de gegeven omstandigheden disproportioneel zijn.
De rechtbank is van oordeel dat de toepassing van een proportionele geldboetes van 10% rekening houdende met de concrete omstandigheden in huidige zaak gerechtvaardigd is en evenredig is met de begane inbreuken.
De rechtbank ziet dan ook geen reden om de geldboetes kwijt te schelden of te verminderen.
5. Kosten van het geding
Eiseres dient als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld te worden tot de kosten van het geding.
Aangezien verweerder niet wordt vertegenwoordigd of wordt bijgestaan door een raadsman, dient er geen rechtsplegingsvergoeding te worden bepaald.
Dispositif
OM DEZE REDENEN
DE RECHTBANK
Rechtdoende op tegenspraak.
Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk maar ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, in hoofde van de Belgische Staat niet begroot en door de rechtbank vereffend op 0,00 euro.
Verklaart de bijdrage voor het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, die werd gestort door eiseres, definitief verworven voor het fonds.
Dit vonnis werd uitgesproken op negentien december tweeduizend vijfentwintig in openbare zitting van de Kamer AFi1, die samengesteld was uit:
M.Declerck, rechter
N.Daneels, griffier
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.