Fraude à la TVA, Acquisition intracommunautaire, TVA allemande · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Gand 24/286/A 10 novembre 2025

Rechercher
Texte en néerlandais

Fraude à la TVA, Acquisition intracommunautaire, TVA allemande

https://juriel.be/fr/jurisprudence/fraude-tva-acquisition-intracommunautaire-allemande-tribunal-gand-2025-11-10-f891

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Gand
Numéro de rôle
24/286/A
Date
10 novembre 2025

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

151 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Gand du 10.11.2025 ( 24/286/A)

FIN 54797752-01

[ partiellement Favorable ]

TVA – Fraude à la TVA – Acquisition intracommunautaire – TVA allemande – Exonération de TVA – Transport – État membre de départ – État membre d'arrivée – Opérations triangulaires

Texte intégral:

Corps de la décision

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent d.d. 10.11.2025 ( 24/286/A)

In de zaak van:

cie1, vennootschap naar Duits recht, met zetel te Duitsland, ... ..., ..., gekend onder het Duits BTW-nummer ...,

Met woonstkeuze bij haar raadsman hierna nader vermeld,

eisende partij, hebbende als raadsman mr. KELL LIVIUS, advocaat te 1000 Brussel, Verenigingstraat 57-59;

Tegen:

DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën — Stafdienst Logistiek —1030 Brussel, Koning Albert II laan 33 bus 971, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal, KMO Specifieke Materies — Expertise 1, met kantoor te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50 — bus 3412, KBO ...,

verwerende partij, voor wie optreedt de heer W.S., attaché bij een fiscaal bestuur;

beslist de rechtbank als volgt:

I. DE RECHTSPLEGING

De rechtbank nam kennis van de argumenten van de partijen op de openbare terechtzitting van 13 oktober 2025. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam de zaak in beraad. De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in en het gedinginleidende verzoekschrift van 24 januari 2024 en de conclusies van partijen.

II. DE VORDERING

Eiseres vordert in 'syntheseconclusie' de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren:

"En bijgevolg:

het innings- en invorderingsbericht BTW met artikelnummer … te vernietigen en de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van alle sommen die ten onrechte uit hoofde van voormeld bericht zouden zijn geïnd of ingehouden, vermeerderd met de wettelijke en gerechtelijke interesten;

de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding (ad 15.000,00 €)."

Verweerster vordert in 'syntheseconclusies':

"Het verzoekschrift minstens ongegrond te verklaren;

De vordering van eiseres af te wijzen;

Voor recht te zeggen dat de btw-schuld vervat in invorderingsorder …, thans …., bestaande uit de btw-hoofdschuld van 297.697,94 EUR, de wettelijk verminderde btw-boete van 59.530,00 EUR en de op voormelde bedragen verschuldigde wettelijke interesten, wel degelijk verschuldigd is;

Eiseres te veroordelen tot betaling van de kosten."

III. RELEVANTE FEITEN EN GESCHIL

1. Uit een spontane uitwisseling van gegevens op datum van 15 maart 2018 door de Duitse belastingadministratie en ontvangen door de Belgische administratie in overeenstemming met Verordening EU nr. 904/2010 van de Raad betreffende administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde, en overeenkomstig artikel 93terdecies W.BTW, blijkt dat eiseres de volgende handelingen heeft gesteld (stuk 1 verwerende partij):

Aankoop van goederen (impregneerspray) bij de Duitse leverancier cie2­ (...). De goederen werden rechtstreeks geleverd op de Belgische opslagplaats van de eindklant cie3 (onderneming naar het recht van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland met op het moment van levering van de goederen het Britse btw-nummer ...). Deze aankoopfacturen/transportdocumenten vermelden als afleveradres ..., ... ..., België, en er werd Duitse btw in rekening gebracht;

De tegenoverstaande verkoopfacturen werden opgesteld aan de klant cie3 met vermelding van diens Britse btw-nummer ..., en werden uitgereikt met vrijstelling van btw en de volgende vermelding "Goods Manufactured in the EU, sold and delivered without VAT as per §4 tax regulations".

2.Op basis van het voorgaande werd vastgesteld dat eiseres, volgens verweerster, zich in België voor btw-doeleinden diende te registreren aangezien zij in België belastbare intracommunautaire verwervingen alsook lokale binnenlandse leveringen heeft verricht. Dit resulteerde in het proces­verbaal van 21 december 2021 (stuk 2 verwerende partij).

3.Uit analyse van de feiten, antwoorden, gegevens en contracten blijkt, volgens

verweerster, hetgeen niet wordt betwist:

a.Een eerste vennootschap A verkoopt goederen aan een tweede vennootschap B, cie2, een vennootschap naar Duits recht (afgekort: "cie2"),

b.De vennootschap B verkoopt deze goederen aan eiseres, vennootschap C;

c.Eiseres, vennootschap C, verkoopt deze goederen aan vennootschap D, cie3, een vennootschap naar het recht van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland zonder vaste inrichting of btw-nummer in België (afgekort: "cie3"),

d.Het vervoer gebeurt rechtstreeks van A, in Duitsland, naar D in een magazijn in België;

e.Het vervoer wordt georganiseerd door B, voor rekening van C middels incoterm EXW.

4.Op 16 januari 2022 zond eiseres aan verweerster een schrijven in het Nederlands, Duits en Engels (stuk 4 verwerende partij). Dit schrijven werd beschouwd als een administratief bezwaarschrift.

Daarnaast ontving verweerster een tweede schrijven op 24 maart 2022 van de hand van mevr. B.B. en mevr. T.M., Partner resp. Manager bij cie4.

Op 9 juni 2022 werd verweerster door cie4 ingelicht via e-mail (stuk 6 verwerende partij) over de resultaten van het geschil tussen eiseres en de Duitse administratie.

5.Bij administratieve beslissing van 6 december 2023 werd het bezwaar van

eiseres afgewezen.

Verweerster concludeerde immers uit alle gegevens dat het vervoer plaats vindt in de relatie tussen cie2 en eiseres, wat btw-technisch betekent dat eiseres een intracommunautaire verwerving verrichtte in België en vervolgens een plaatselijke levering in België, in overeenstemming met het proces-verbaal van regularisatie.

6.Eiseres legde op 24 januari 2024 een verzoekschrift neer ter griffie van deze

rechtbank.

Zij verzet zich tegen de btw-schuld vervat in invorderingsorder 5002/5090/3004, thans van 297.697,94 EUR, de wettelijk verminderde btw-boete van 59.530,00 EUR en de op voormelde bedragen verschuldigde wettelijke interesten.

IV. BEOORDELING

1. Ontvankelijkheid

Verweerster voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt is de vordering ontvankelijk.

2. Ten gronde

Inzake de nagevorderde btw

2.1.

Eiseres betwist de toerekening van het intracommunautair vervoer van de goederen aan de levering door de Duitse firma cie2 aan haar (d.i. de zgn. 'eerste levering'). Eiseres stelt dat het intracommunautair vervoer moet worden toegerekend aan de levering door haar aan de Engelse firma cie3 (d.i. de zgn. 'tweede levering').

In het voorliggende geschil was de eerste leverancier (d.i. de Duitse firma cie2­) wel degelijk op de hoogte dat de eerste afnemer (d.i. eiseres) de betrokken goederen zou doorverkopen aan de Engelse firma cie3. De overeenkomst die eiseres met de Duitse firma cie2 heeft gesloten, is dienaangaande duidelijk.

De overeenkomst wijst ontegensprekelijk uit dat de eerste leverancier van meet af aan wist dat de betrokken goederen door eiseres voor aanvang van het transport zouden worden doorverkocht aan de Engelse firma cie3.

Eiseres blijft erbij dat het intracommunautair vervoer van de betrokken goederen uitsluitend aan de 'tweede levering', d.w.z. de levering door haar aan de Engelse firma cie3., kan worden toegerekend.

Dit houdt, volgens eiseres, in dat:

(i) de levering van cie2 aan eiseres een lokale levering in Duitsland is;

(ii) eiseres in Duitsland een vrijgestelde intracommunautaire levering heeft verricht;

(iii) cie3 mogelijks een intracommunautaire verwerving in België heeft verricht.

2.2.

Verweerster daarentegen is van oordeel dat er voor de toepassing van de btw

moet vanuit worden gegaan dat:

(i) cie2 een vrijgestelde intracommunautaire levering in Duitsland heeft verricht;

(ii) eiseres in België een intracommunautaire verwerving heeft verricht;

(iii) eiseres vervolgens in België een levering heeft verricht aan cie3.

De btw die van eiseres werd gevorderd uit hoofde van de twee laatste handelingen blijft aldus gehandhaafd.

2.3.

De rechtbank merkt op dat in het voorliggende geschil de circulaire nr. 38/2006 van belang is. Hierin worden enkele voorbeelden opgesomd om de werking van kettingverkoop met een intracommunautair vervoer te verduidelijken:

A, een belastingplichtige, gevestigd en voor btw-doeleinden geïdentificeerd in Lidstaat 1, verkoopt goederen aan B, een belastingplichtige gevestigd en voor btw-doeleinden geïdentificeerd in Lidstaat 2. Belastingplichtige B verkoopt de goederen aan C, belastingplichtige (of niet-belastingplichtige rechtspersoon) gevestigd en voor btw-doeleinden geïdentificeerd in Lidstaat 3. De goederen worden rechtstreeks vervoerd van Lidstaat 1 naar Lidstaat 3.

Wanneer B gevestigd is of voor de btw geïdentificeerd is zowel in de Lidstaat van vertrek (LS 1) als in de Lidstaat van aankomst van de goederen (LS 3) dient, aan de hand van de contracten te worden vastgesteld, in welke relatie de levering met vervoer naar de koper plaatsvindt (levering A-B of B-C).

Wanneer het vervoer door of voor rekening van A plaatsvindt, heeft dit vervoer onmiskenbaar plaats in de relatie A-B.

Wanneer het vervoer door of voor rekening van C plaatsvindt, heeft dit vervoer onmiskenbaar plaats in de relatie B-C.

Wanneer het vervoer door of voor rekening van B plaats vindt, wordt als praktische regel en behoudens tegenbewijs door de partijen of de administratie verondersteld dat de levering met vervoer naar de koper zich voordoet:

in de relatie A-B, wanneer B aan A zijn btw-identificatienummer toegekend in de Lidstaat van aankomst van de goederen (LS 3) opgeeft (de levering B-C is dan een Interne levering in deze Lidstaat);

in de relatie B-C, wanneer B aan A ofwel helemaal geen btw-identificatienummer opgeeft of wel zijn btw-identificatienummer, toegekend in de Lidstaat van vertrek van de goederen (LS 1) (de levering A-B is dan een interne levering in deze Lidstaat)."

2.4.

De rechtbank stelt in het voorliggende geschil vast dat uit de feiten blijkt dat het recht om als eigenaar over de goederen te beschikken pas overgaat op de eindafnemer in het land van bestemming, zijnde België. Dus niet in het land van vertrek, laat staan op een tijdstip voorafgaand aan het vervoer, zodat het vervoer niet kan worden toegerekend aan de tweede relatie, zoals eiseres ten onrechte voorhoudt.

Het recht om als eigenaar over de goederen te beschikken in de tweede relatie, werd immers pas overgedragen op de eindafnemer na het intracommunautaire vervoer bij aankomst in België.

2.5.

De rechtbank besluit dat eiseres zich in België voor btw-doeleinden diende te registreren aangezien zij in België belastbare intracommunautaire verwervingen alsook lokale binnenlandse leveringen heeft verricht. Het proces­verbaal van 21 december 2021 wordt dan ook bevestigd.

De nagevorderde btw door verweerster vastgesteld is terecht.

Inzake de verjaring

2.6.

Eiseres argumenteert dat de door de Duitse belastingadministratie aan de FOD Financiën meegedeelde inlichtingen niet volstaan om van de 7 jarige verjaringstermijn gebruik te maken. Eiseres beweert immers dat (1) de inlichting uit het buitenland ten eerste voldoende duidelijk en precies moet zijn en bijgevolg moet volstaan om de btw na te vorderen, en (2) dat het feit dat de administratie na het ontvangen van de inlichting nog een onderzoek heeft opgestart en een vraag om inlichtingen heeft gestuurd naar eiseres, zou aantonen dat de ontvangen inlichting aldus niet volstaat.

2.7.

Artikel 82bis, §1, 2de lid W.BTW bepaalt dat de verjaring pas intreedt na het verstrijken van het 7de kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan wanneer een inlichting wordt meegedeeld aan de Belgische belastingdienst:

"In afwijking van het eerste lid is er evenwel verjaring na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan, wanneer:

10 een inlichting, een onderzoek of een controle aantoont dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België, dat er handelingen ten onrechte werden vrijgesteld of dat er onrechtmatige belastingaftrekken werden toegepast en de inlichting werd meegedeeld of verzocht of het onderzoek of de controle werd uitgevoerd of verzocht door, hetzij een andere lidstaat van de Europese Unie, overeenkomstig de regels daartoe bepaald in dit Wetboek of in de regelgeving van deze Unie, hetzij een bevoegde overheid van enig ander land waarmee België een overeenkomst heeft gesloten tot het vermijden van dubbele belasting of waarvoor een rechtsgrond bestaat die het uitwisselen van inlichtingen regelt, in verband met de belasting waarop die overeenkomst of die rechtsgrond van toepassing is; (...)"

2.8.

De rechtbank merkt op dat de bewering van eiseres, met name dat verweerster

na ontvangst van de inlichting nog een onderzoek heeft opgestart en een verzoek om inlichtingen naar eiseres heeft gestuurd, geenszins aantoont dat de ontvangen inlichting onvoldoende is om de btw te kunnen vaststellen.

2.9.

De rechtbank is van oordeel wanneer een inlichting afdoende aantoont dat belastbare handelingen niet werden aangegeven in België en deze inlichting werd meegedeeld door een andere lidstaat van de Europese Unie er geen sprake is van een schending van de 7-jarige verjaringstermijn.

Nu verweerster heeft aangetoond op basis van de inlichting dat eiseres btw-handelingen heeft gesteld (zie proces-verbaal van regularisatie en de ontvangen inlichting), dat deze handelingen niet in België aangegeven werden, en dat deze inlichting werd meegedeeld door Duitsland is voldaan aan de voorwaarde van artikel 82bis, §1, 2de W.BTW.

De grief van eiseres is ongegrond.

Inzake de proportionele geldboete

2.10.

Eiseres argumenteert dat de proportionele geldboete voor een bedrag van

59.530,00 EUR disproportioneel is.

Het standpunt van verweerster, dat een administratieve geldboete (met strafrechtelijk karakter) uitsluitend kan worden kwijtgescholden/verlaagd wanneer de belastingplichtige `volledig schuld erkent', kan niet worden bijgetreden.

2.11.

Overeenkomstig artikel 70 §1 WBTW wordt, voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. Overeenkomstig artikel 70 §lbis W. BTW verbeurt ieder die op onrechtmatige of ongeoorloofde wijze de belasting in aftrek heeft gebracht, een geldboete gelijk aan het dubbele van die belasting, in zover die overtreding niet wordt bestraft bij toepassing van §1, eerste lid.

Overeenkomstig artikel 84 WBTW wordt het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten binnen de door de wet gestelde grenzen verminderd volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

Overeenkomstig artikel 1, laatste lid van het KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de btw is de schaal voor de vermindering van de proportionele fiscale geldboeten niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

2.12.

De rechter die gevraagd wordt een administratieve sanctie te controleren die een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, zoals in voorliggend geval, moet de wettigheid van die sanctie nagaan en kan meer bepaald onderzoeken of die sanctie verenigbaar is met de dwingende vereisten van de internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dat controlerecht biedt de rechter de mogelijkheid om, met in aanmerkingneming van alle omstandigheden van de zaak, te onderzoeken of de straf niet buiten verhouding staat tot de overtreding, zodat hij kan onderzoeken of de administratie redelijkerwijs een administratieve sanctie van die omvang mocht opleggen. In dat opzicht kan de rechter inzonderheid rekening houden met de ernst van het misdrijf, het bedrag van de reeds opgelegde sancties en de wijze waarop uitspraak is gedaan in soortgelijke zaken. Dit controlerecht houdt niet in dat de rechter, louter om opportuniteitsredenen en in strijd met de wettelijke regels, geldboeten kan kwijtschelden of verminderen (zie ook Cass. 18 april 2013, F.11.0142.F, www.cass.be).

Gelet op de volle rechtsmacht die deze rechtbank heeft inzake administratieve boetes die een strafrechtelijk karakter hebben in de zin van artikel 6 EVRM, is deze rechtbank van oordeel dat zij bevoegd is om de opgelegde geldboete te verminderen of zelfs kwijt te schelden. Artikel 70 W.BTW moet in grondwettelijke zin worden geïnterpreteerd (zie ook GwH 15 mei 2008, nr. 79/2008).

2.13.

De fiscale administratie heeft in voorliggend geschil een proportionele geldboete van 20% opgelegd, met name 59.530,00 overeenkomstig Tabel G, eerste afdeling van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 41 (verminderde geldboete). Een dergelijke geldboete is volgens de rechtbank geen strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM. De geldboete werd in feite en in rechte afdoende gemotiveerd.

De rechtbank is echter wel van oordeel dat de opgelegde geldboete disproportioneel is met de inbreuken en met het doel van een administratieve geldboete. Daarom beslist de rechtbank om de geldboete van 20% te herleiden tot 10%. Des te meer omdat de inbreuken dateren van de periode vóór 30 september 2016, dus meer dan 9 jaar geleden.

De grief van eiseres is gedeeltelijk gegrond.

Inzake het uitstel van de geldboete

2.14.

Eiseres vraagt, in ondergeschikte orde, om een uitstel van de invordering van

de opgelegde geldboete toe te staan.

2.15.

Het Grondwettelijk Hof oordeelde in twee arresten dat artikel 70, §1 (arrest nr. 13/2013 van 21 februari 2013) en artikel 70, §lbis (arrest nr. 32/2020 van 20 februari 2020) W.BTW, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden in zoverre het de rechtbank van eerste aanleg niet mogelijk maakt de in dit artikel voorgeschreven geldboete gepaard te laten gaan met uitstel. Het preciseert dat die vaststelling van gedeeltelijke ongrondwettigheid echter niet tot gevolg heeft dat die bepaling, in afwachting van een optreden van de wetgever, niet meer zou kunnen worden toegepast door de rechtsinstanties wanneer zij vaststellen dat de overtredingen vaststaan, dat het bedrag van de geldboete niet onevenredig is met de ernst van de overtreding en dat er geen reden zou zijn geweest om uitstel te verlenen zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien (zie ook Cass. 20 juni 201.3, F.11.0007.F, www.cass.be).

2.16.

De rechtbank stelt in voorliggend geval vast dat de opgelegde geldboete van 10% evenredig is met de ernst van de overtreding en dat er geen reden zou zijn geweest om eiseres uitstel te verlenen, zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien.

Des te meer daar het verlenen van uitstel voor een administratieve geldboete inzake btw in de huidige stand van de wetgeving neerkomt op een definitieve kwijtschelding van de geldboete, nu de wet voor dergelijke belastingverhoging niet voorziet in een regeling van de voorwaarden waaronder het uitstel kan of moet ingetrokken worden en ook niet voorziet in een instantie die over dergelijke intrekking zou moeten beslissen.

De rechtbank is van oordeel om die redenen het voordeel van het uitstel niet toe te kennen.

De grief van eiseres is ongegrond.

Besluit

2.17.

De rechtbank besluit het innings- en invorderingsbericht btw met artikelnummer 5002/5090/3004 gedeeltelijk te bevestigen, in die zin dat de proportionele geldboete dient verminderd te worden tot 10%.

Voor het overige wordt het proces-verbaal van 21 december 2021 bevestigd.

Alle meeromvattende en strijdige argumenten worden verworpen als niet ter zake dienend.

De vordering van eiseres is gedeeltelijk gegrond.

V. GERECHTSKOSTEN - RECHTSPLEGINGSVERGOEDING

1.De kosten omvatten in de voorliggende zaak onder meer de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek (art. 1018, 6° Gerechtelijk Wetboek).

In toepassing van de artikelen 279 en 162,4° van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten is geen rolrecht verschuldigd.

2.Wanneer de partijen wederzijds lastens elkaar in het ongelijk werden gesteld, kan de rechtbank de kosten omslaan, zo zij dit raadzaam acht (art. 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek).

Gelet op de bovenstaande beoordeling, waarbij eiseres deels in het gelijk wordt gesteld en deels in het ongelijk, komt het passend voor te zeggen voor recht dat elk van de partijen de eventuele kosten, gevallen aan de eigen zijde, definitief voor eigen rekening zal dragen, derwijze dat partijen uit dien hoofde aan elkaar niets meer verschuldigd zullen zijn.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

BESLIST DE RECHTBANK, recht doende op tegenspraak,

met inachtneming van de artikelen 2 en 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken:

 alle meeromvattende en strijdige argumenten te verwerpen als niet ter zake dienend;

- de vordering van eiseres ontvankelijk en (deels) gegrond te verklaren in volgende mate;

de nagevorderde btw (exclusief de proportionele geldboete) te bevestigen;

de proportionele geldboete te verminderen tot 10%;

voor het overige het proces-verbaal van 21 december 2021 te bevestigen;

 de herberekening te bevelen van de bedragen opgenomen in het proces­verbaal van 21 december rekening houdend met de hierboven vermelde elementen;

 voor het overige het innings- en invorderingsbericht btw met artikelnummer 5002/5090/3004 te bevestigen rekening houdend met de hierboven vermelde elementen;

 de terugbetaling te bevelen van alle op grond van voormelde navordering ten onrechte geïnde sommen, vermeerderd met de moratoriumintrest;

 de vordering van eiseres voor het overige ongegrond te verklaren;

 te zeggen voor recht dat iedere partij zijn eigen kosten draagt, in hoofde van eiseres te begroten op de kosten voor het bijdragefonds voor een bedrag van 24,00 EUR en in hoofde van verweerster te begroten op 00,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op maandag 10 november 2025, waar aanwezig waren :

 Thierry Loquet, rechter, voorzitter van deze kamer,

 Melanie Taghon, griffier-hoofd van dienst.

Textes cités

3
AR no 41 art. 11 occurrence
CTVA art. 701 occurrence
CTVA art. 841 occurrence

Décisions similaires

8