Exonération, Livraison perles fines, pierres · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Anvers 17 octobre 2001

Rechercher
Texte en néerlandais

Exonération, Livraison perles fines, pierres

https://juriel.be/fr/jurisprudence/exoneration-livraison-perles-fines-pierres-tribunal-anvers-2001-10-17-5c67

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Anvers
Date
17 octobre 2001

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

66 paragraphes

Corps de la décision

Jugement du Tribunal de Première Instance d'Anvers dd. 17.10.2001

Exonération - Livraison perles fines, pierres gemmes, ...

Lorsqu'un assujetti à la TVA, qui invoque l'exemption de TVA prévue pour la livraison de perles, pierres gemmes et similaires faite à des personnes qui sont exclusivement négociants en ces biens, ne peut fournir une preuve suffisante à l'appui de cette exemption, notamment parce que les factures ont été délivrées à un destinataire fictif, l'Administration de la TVA est fondée à percevoir à sa charge la TVA due sur les opérations en cause, majorée des amendes et intérêts légaux.

2F kamer

Rechter: Dhr. L. Boeynaems

Griffier: Dhr. K. Beyers

Partij: B.V.B.A. Diammaz t. De Belgische Staat

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, o.m.:

-de dagvaarding-verzet tegen dwangbevel, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder C. S. loco P. G., belet, te Antwerpen op 25 november 1998,

-de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 19 september 2001.


Gegevens en voorgaanden

Uit de uiteenzettingen van partijen blijkt dat er door de Gewestelijk Directeur van de Bijzondere Belastinginspectie Antwerpen op 7 januari 1998 een brief is gericht aan de Procureur-Generaal bij het parket bij het Hof van Beroep te Antwerpen.

Afschrift van deze brief ligt niet voor, echter wel een eensluidende kopie van het antwoord van 16 maart 1998 (stuk 5 verweerder) waarbij toelating wordt gegeven tot inzage en tot het nemen van afschrift van een strafdossier dat toen berustte ter parket van de procureur des Konings te Antwerpen onder notitienummer F 1475/95.

Een proces-verbaal (stuk 4 verweerder) van twee ambtenaren van genoemde B.B.I. van 28 oktober 1998 ten name van huidig eiseres (BTW-nummer 450.068.221) vermeldt dat van het BTW-dossier van deze laatste inzage werd genomen, evenals van het hogerop vermelde strafdossier ten name van een derde.

Huidig eiseres blijkt uitgaande (verkoop)facturen te hebben opgesteld aan het adres van ene N.V. P. te Antwerpen, deze laatste met BTW-nummer 429.420.582.

De verkoopfacturen zijn opgesteld onder vermelding van het vrijstellingsregime van artikel 42 § 4 Wetboek BTW («de leveringen van echte parels, natuurlijke edelstenen en dergelijke, aan personen die uitsluitend handelaar in die goederen zijn»), en worden samen met hun gegevens concreet opgesomd in het hogerop vermelde proces-verbaal.

Datzelfde proces-verbaal verwijst naast naar artikel 42 § 4 van het Wetboek ook naar de in een aanschrijving (nummer 19 van 26 juni 1990) opgesomde modaliteiten voor de toepassing van de vrijstelling onder vermeld artikel 42 § 4, en stelt dat huidig eiseres de toepassingsvoorwaarden van het vermelde wetsartikel niet heeft vervuld met betrekking tot de vermelde facturen, nu de bestemmeling een fictieve afnemer behelsde.

Met toepassing van de artikelen 2 en 15 § 7 Wetboek BTW beoordeelde het proces-verbaal de normaal toepasselijke BTW als verschuldigd, zulks onder toepassing van de in de betrokken periodes (1993-1994-1995) toepasselijke percentages, wat leidde tot een vordering van het recht plus een geldboete gelijk aan tweemaal het recht, en tenslotte wettelijke intrest.

Huidig verweerder vaardigde in opvordering van de vermelde sommen op 30 oktober 1998 een dwangbevel ref. Reg. 127/66/98 uit ten name van huidig eiseres (uitvoerbaar verklaard op 9 november 1998, aangetekend betekend 10 november 1998).

Huidig eiseres ging in verzet met gerechtsdeurwaardersexploot dat werd betekend op 25 november 1998 en dat ter griffie dezer rechtbank werd aangeboden op 1 december 1998.

Zij verwijst daarin naar een gemotiveerd antwoord van 10 november 1998, waarvan echter geen afschrift voorligt.

Onderzoek en beoordeling

1. Er wordt door partijen geen exceptie van onontvankelijkheid van de voor de rechtbank ingestelde vordering naar voren geschoven, en de rechtbank stelt van haar kant evenmin enige van ambtswege op te werpen oorzaak van ontoelaatbaarheid vast.

2. In de verzetsakte van 25 november 1998 wierp eiseres op dat zij geen inzage had gehad van de strafbundel die de basis zou vormen voor het proces-verbaal dat zelf de basis vormt voor het dwangbevel.

Stuk 8 van verweerder vormt een aftekening per 27 november 1998 voor inzage van een gerechtsdossier bestaande uit 54 kopies.

In conclusie voor eiseres wordt het argument van niet-inzage (neerkomend op de aanvoering van schending van de rechten van verdediging) blijkbaar door haar niet meer gehanteerd.

3. Eerst in conclusie voert eiseres aan dat door nietigheid van het proces-verbaal en van het dwangbevel (vanuit onvoldoende motivering ervan), het vorderingsrecht van verweerder verjaard zou zijn.

Verweerder gaat over de verjaringsexceptie rechtstreeks inhoudelijk het debat aan.

Terecht doet hij gelden dat aan de hand van de strafbundel wel werd vastgesteld dat de op de van eiseres uitgaande facturen vermelde bestemmeling een fictieve afnemer is gebleken, maar dat deze uit de strafbundel gepuurde kennis niet de basis zelf vormt van het proces-verbaal, maar wel aanleiding is geweest tot een nader onderzoek van die facturatie, welk laatste onderzoek pas de basis heeft gevormd van het proces-verbaal.

Op bladzijde 3 van het proces-verbaal wordt namelijk uitdrukkelijk gesteld dat huidige eiseres niet aantoont dat de facturatie is geschied onder de vrijstellingsvoorwaarden van artikel 42 § 4 Wetboek BTW.

Zulks impliceert ondubbelzinnig dat verweerder daarmee stelde dat huidig eiseres de bewijslast draagt van het voorhanden en het voldaan zijn van een wettelijke uitzondering (van artikel 42 § 4) op de heffingsregels (van artikel 2 en artikel 15 § 7).

De controleambtenaren hebben aldus vastgesteld dat huidig eiseres die op haar rustende bewijslast niet invulde.

Stellen dat de verklaringen van de zaakvoerster van huidig eiseres, gedaan in het kader van het hogerop vermelde strafonderzoek, moeten worden beschouwd als buitengerechtelijke bekentenissen die dienstig zijn geworden tot het bepalen van de belastbaarheid, de belasting en de boete zelf, komt met betrekking tot het bovenstaande nietigheidsargument en alzo ook met betrekking tot het daaraan klevende verjaringsargument niet overeen met de realiteit.

Nu het proces-verbaal, al dan niet in samenhang met het dwangbevel, niet nietig is, en er evenmin enige losstaande nietigheid van het dwangbevel zelf wordt aangevoerd, is om voorgaande redenen geen verjaring ingetreden.

4. De vrijstelling van artikel 42 § 4 Wetboek BTW vormt een vrijstelling die het recht op aftrek van de voorbelasting niet inperkt.

Artikel 42 § 4 bestaat slechts uit de bezorgdheid van de wetgever om de betrokken handelaar de voorfinanciering te besparen van de op factuur door elke BTW-belastingplichtige aan zijn medecontractant (handelaar) aan te rekenen, en daarna aan de Belgische Staat - via opname in de periodieke aangifte - te betalen BTW.

Blijkbaar ging de wetgever daarbij uit van de toendertijd empirisch gedane vaststelling dat leveringen van echte parels en natuurlijke edelstenen in het overgrote deel van de gevallen toch een fase behelzen die voorafgaat aan van BTW vrijgestelde uitvoer (verwijzing door verweerder in conclusie naar de Memorie van Toelichting bij de wetsgenese, daarin niet tegengesproken door eiseres).

5. Eiseres redeneert door eliminatie dat - zo de op de factuur vermelde bestemmeling van de goederen dan bij denkhypothese al als fictief afnemer mag gelden - de transacties in realiteit geen andere bestemming hebben kunnen krijgen dan de volgende:

-levering aan natuurlijke personen-consumenten, wat gezien de hoeveelheden onwaarschijnlijk voorkomt;

-levering voor export, wat precies de beweegreden voor de wetgever tot vrijstelling is geweest om deze aan de export voorafgaande fase vrij te stellen;

-levering aan andere onbekend gebleven inlandse diamanthandelaars, wat bij correcte facturatie hoe dan ook tot vrijstelling aanleiding had moeten geven.

Eiseres stelt dat deze eliminatie leidt tot een concordant vermoeden dat de Belgische Staat geen BTW heeft ontbeerd uit hoofde van de voor het overige niet ontkende facturatie-onregelmatigheid, en dat in ieder geval de nevenliggende gevolgen op het gebied van de inkomstenbelastingen (vennootschapsbelasting) alvast geregeld zijn door middel van een akkoord met de daartoe bevoegde belastingdienst.

6. Terecht werpt verweerder daar tegen op (aanvullende conclusie, bladzijde 11 bovenaan) dat eiseres niet aantoont aan wie ze effectief heeft geleverd.

Met name bepaalt artikel 1 van KB nr. 1 inzake BTW een facturatieplicht met betrekking tot leveringen aan beroepsafnemers, zulks zonder uitzondering voor de hier voorliggende BTW-handelingen.

Deze correct uit te voeren verplichting, onder meer door vermelding van de juiste afnemer, stelt de BTW-Administratie in staat om de BTW-bestemming van de goederen te volgen, en na te gaan of de vrijstelling wel degelijk terecht werd nagestreefd door de uitreiker van de factuur.

7. De eliminatieve bewijsvoering van eiseres is niet exhaustief.

Meer bepaald is de stelling van eiseres dat ze eerder actief is in de kleinere edelsteen en dat dergelijke edelstenen (waarop de kwestieuze facturatie volgens haar slaat) louter worden verkocht aan diamanthandelaren, al was het maar gelet op de gefactureerde hoeveelheden, niet overtuigend.

De vrijstelling in de fase onder artikel 42 § 4 Wetboek BTW is immers wel belastingneutraal binnen die fase, maar belet niet dat de niet-naleving van artikel 42 § 4 gevolgen op BTW-gebied heeft of minstens kan hebben in een verdere fase, reden waarom door de wetgever zelf de vereiste in artikel 42 § 4 is uitgedrukt dat daar slechts leveringen zijn vrijgesteld aan personen die uitsluitend handelaar in die goederen zijn.

Uit de in het proces-verbaal opgenomen vaststelling dat eiseres niet het bewijs levert dat de in de uitgaande facturen uitgedrukte leveringen in aanmerking komen voor vrijstelling, volgt dat BTW verschuldigd is.

Over de bevonden bedragen en het toegepaste BTW-tarief is er geen betwisting.

8. De omvang van de wettelijk mogelijk toepasbare administratieve boete maakt deze boete tot een strafsanctie in de zin van het EVRM, onafhankelijk van de door de belastingdienst werkelijk toegepaste boete.

De rechtbank heeft rechtsmacht om de rechtsgeldigheid van de boete te beoordelen, en evenzeer rechtsmacht om na te gaan of de toegepaste boete aangepast is aan de realiteit van de feiten, zonder echter te mogen overgaan tot een loutere opportuniteitsbeoordeling.

Het proces-verbaal (stuk 4 verweerder) stelt zonder nadere motivering dat in hoofde van eiseres de bedoeling zou hebben bestaan de BTW te ontduiken.

Zulks kon alvast niet worden afgeleid uit de even tevoren louter door de verbalisanten gedane vaststelling dat eiseres haar bewijslast uit artikel 42 § 4 Wetboek BTW niet invulde, zelfs al is de boete van rechtswege verschuldigd.

Te dezen, en zulks louter ter bepaling van de hoogte van de administratieve boete, stelt de rechtbank vast dat uit de samenlezing van de verklaringen van diverse betrokkenen (waaronder de zaakvoerster van eiseres) - opgenomen in de voorliggende processen-verbaal van - het strafdossier - blijkt dat het niet zomaar de bedoeling is geweest om middels de facturatie scheefgelopen situaties recht te trekken, ook al zou de wijze van werken tevoren zijn «getolereerd» door de belastingdiensten vanuit welke beweegreden dan ook.

Nu de alhier voorliggende fiscaal-administratieve geldboete naast een bestraffend en een afschrikkend oogmerk ook een vergoedend oogmerk heeft, en ze door de rechtbank ook werd beoordeeld als terecht aangepast aan de realiteit der feiten, is er geen aanleiding om in huidige betwisting te oordelen dat er daardoor strijdigheid met de rechten van de mens zou zijn ontstaan. Eiseres is bovendien een rechtspersoon.

De administratieve boete dient bijgevolg te worden behouden zoals ze werd toegepast.

Dispositif

OM DEZE REDENEN

DE RECHTBANK

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de rechtsvordering ontvankelijk.

Stelt vast dat de fiscale vordering van verweerder niet is verjaard.

Verklaart de rechtsvordering ongegrond, wijst eiseres er van af en veroordeelt haar tot de kosten van het geding, op heden door de rechtbank aan de zijde van verweerder vereffend op 6600,- BEF (163,61 Euro) geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.

Textes cités

4
CTVA art. 426 occurrences
AR no 1 art. 11 occurrence
CTVA art. 151 occurrence
CTVA art. 21 occurrence

Décisions similaires

8