Exonération, exportation, importation, opération intracommunautaire, champ d'application · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Bruxelles 26 janvier 2012

Rechercher
Texte en néerlandais

Exonération, exportation, importation, opération intracommunautaire, champ d'applicationTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/exoneration-exportation-importation-operation-cour-appel-bruxelles-2012-01-26-a101

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Bruxelles
Date
26 janvier 2012

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

108 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Bruxelles du 26.01.2012

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

HOF van BEROEP te BRUSSEL, zesde fiscale Kamer - Openbate terechtzitting van 26/01/2012

Nr. van de zaak : 2008/AR/2250

INZAKE VAN :

De NV H., met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …,

appellant,

vertegenwoordigd door Meester K. H., advocaat te …, …,

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen; vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, in de persoon van de e.a. Inspecteur van het eerste BTW-ontvangkantoor te Hasselt, met kantoren gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat, 41, bus 46,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester A. V. L. d. J., advocaat te …, ….


R. 2012 EINDARREST- gegrond

In deze zaak spreekt het hof volgend arrest uit.

PROCEDURE

Gelet op de procedurestukken, inzonderheid het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 14 mei 2003, het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 27 juni 2006, en het arrest van het Hof van cassatie van 20 maart 2008.

FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

De rechtbank van eerste aanleg te Hasselt werd door appellante geadieerd met een verzet tegen een dwangbevel, lastens haar uitgevaardigd op 23 maart 1998. Het dwangbevel had een BTW­bedrag in, hoofdsom van … BEF en een geldboete van … BEF tot voorwerp.

Het dwangbevel volgde op een onderzoek waarbij werd vastgesteld dat de verkopen van appellante, groothandelaar in audiovisuele apparatuur, tijdens de periode van 1 mei 1996 tot 30 september 1997, aan E. W. T. SL; met zetel in Spanje, en B. Ltd., met zetel in het Verenigd Koninkrijk, met vrijstelling van BTW bij toepassing van artikel 39bis, § 1, 1° W.BTW kaderen in een intracommunautair driehoeksverkeer. De controleambtenaar, na te hebben overwogen dat het eigen is aan het intracommunautair driehoeksverkeer dat het vervoer van de goederen slechts bedongen kan zijn in één van de contractuele relaties, hetzij in de relatie A-B, hetzij in de relatie B­C, en dat bijgevolg één van de leveringen noodzakelijkerwijze een levering zonder vervoer is, die belastbaar is op de plaats waar de goederen ter beschikking worden gesteld van de koper of de overnemer, en na te hebben vastgesteld dat appellante niet als opdrachtgever van het vervoer fungeerde en dat de afgevaardigde bestuurder van appellante tijdens de controle had verklaard dat appellante de goederen opgeslagen in de magazijnen van de NV M. vrijgaf in handen van de kopers, oordeelde dat ''de leveringen tussen (appellante) enerzijds en de B. Ltd. en E. W. T. SL anderzijds geen leveringen met vervoer zijn zodat de vereenvoudigingmaatregel uitgewerkt en gebaseerd op artikel 25ter en quinquies van het BTW-Wetboek, in uitvoering van artikel I, punt 23 van de richtlijn 92/111/EEG van 14 december 1992, niet van toepassing is (vereenvoudigd intracommunautair driehoeksverkeer)” (proces-verbaal van 20 februari 1998). De controleambtenaar besloot dat op grond van artikel 15, § 2 W.BTW en artikel 15, § 7 W.BTW de leveringen worden geacht in België te hebben plaatsgevonden, zodat de BTW opeisbaar is.

De eerste rechter verklaarde bij vonnis van 14 mei 2003 het verzet ontvankelijk doch ongegrond, en veroordeelde appellante in de gedingkosten, op grond dat appellante het bewijs niet levert van de verzending van de goederen vanuit België naar een andere EU-lidstaat, en de verkopen aldus niet voldoen aan de voorwaarden van een intracommunautaire levering.

Het hof van beroep te Antwerpen hervormde dit vonnis bij arrest van 27 juni 2006, op grond dat geïntimeerde in de gerechtelijke procedure de piste verliet die de administratie in het proces-verbaal ter ondersteuning van hef betwiste dwangbevel bewandelde, en op grond dat een totaal nieuwe argumentatie niet kan worden aangenomen.

Het hof van beroep maakte op die grond het betwiste dwangbevel ongedaan, beval de terugbetaling van het eventueel reeds teveel betaalde, vermeerderd met de wettelijk verschuldigde moratoriuminteresten, en veroordeelde geïntimeerde in de kosten van beide aanleggen.

Het Hof van Cassatie vernietigde dit arrest op 20 maart 2008, hield de kosten aan en liet de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter, en verwees de zaak naar dit hof.

Het Hof. van cassatie vernietigde op basis van de volgende overwegingen : "3. De appelrechters stellen vast dat 'in het proces­verbaal van 20 februari 1998 tot navordering van de BTW werd overgegaan omdat de verkopen van (appellante) aan E. W. T. SL en B. Ltd. zou kaderen in een intracommunautair driehoeksverkeer (ABC-transactie genoemd) waarbij de goederen verkocht worden door een BTW­belastingplichtige in EU-Lidstaat 1 (België) aan een BTW-belastingplichtige in EU-Lidstaat 2 (Verenigd Koninkrijk of Spanje), die deze goederen op zijn beurt doorverkoopt aan een BTW-belastingplichtige in EU-Lidstaat 3 (Italië), doch de goederen rechtstreeks verzonden worden van Lidstaat 1 naar Lidstaat 3 en omdat volgens het litigieuze proces-verbaal bij een dergelijke transactie de eerste verkoop dient gelokaliseerd te worden in België en hierop Belgische BTW verschuldigd is”.

4. De appelrechters stellen vast dat (geïntimeerde) op pagina 19 van zijn syntheseconclusie van 2 maart 2006 aanvoert dat :

• zoals voorheen betoogd, en ook door de eerste rechter is aanvaard, (geïntimeerde) niet het bewijs hoeft te leveren omtrent het al dan niet intracommunautair driehoeksverkeer;

• het (appellante) behoort om het bewijs te leveren dat zij bij toepassing van artikel 39bis BTW-Wetboek en koninklijk besluit nr. 52 terecht met vrijstelling van BTW mocht en kon factureren.

5. Het arrest oordeelt dat ‘(geïntimeerde) m.a.w. de piste verlaat die zij bewandelde in het proces-verbaal ter ondersteuning van het litigieuze dwangbevel’,

6. Het arrest door voormeld oordeel van de conclusies van (geïntimeerde) een uitlegging geeft die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is en miskent derhalve de bewijskracht ervan.

Het middel is gegrond".

GRIEVEN

Appellante streeft de hervorming van het bestreden vonnis na.

Zij formuleert de volgende middelen : (1) de onwettige wijziging van de BTW-vordering, (2) de vervulling van de voorwaarden van een intracommunautaire levering, (3) in hoofdorde : de ontstentenis van bewijs van een intracommunautair driehoeksverkeer, (4) in ondergeschikte orde, het bestaan van een intracommunautair driehoeksverkeer doet de vrijstelling inzake intracommunautaire leveringen niet teniet, (5) het bewijs van het vervoer van de goederen naar Italië, en (6) het vertrouwensbeginsel.

Appellante vordert haar vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren.

Zij vordert desgevallend, bij toepassing van artikel 234 EG­Verdrag, de volgende prejudiciële vraag aan het Europees Hof van Justitie te stellen : “Moet art. 28quater, A, sub a), eerste alinea van de Zesde Richtlijn 77/388/EG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting- Gemeenschappelijk stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde : uniforme grondslag, zoals gewijzigd bij Richtlijn 91/680/EEG van de Raad van 16 december 1991, aldus worden uitgelegd dat de levering van een goed door een belastingplichtige verkoper aan een belastingplichtige afnemer beschouwd wordt als een vrijgestelde intracommunautaire levering wanneer dat goed voor korte tijd opgeslagen werd in een opslagruimte die door een derde tijdelijk ter beschikking gesteld was van de belastingplichtige verkoper, en dat goed onmiddellijk na de terbeschikkingstelling in deze opslagruimte door de verkoper aan de afnemer en de eigendomsoverdracht ervan naar een andere E.U.-Lidstaat vervoerd wordt door. een derde voor rekening van de afnemer ?”

Zij vordert desgevallend, bij toepassing van artikelen 871, 877 en 878 Ger. W., geïntimeerde te verplichten de door de NV M. voorgelegde handelsdocumenten, waarvan sprake in het proces-verbaal van 20 februari 1998, over te leggen.

Zij vordert desgevallend, bij toepassing van artikel 915 e.v Ger. W., vier personen als getuigen te horen aangaande het feit dat de goederen die zij aan E. W. T. SL en B. Ltd. had geleverd, daadwerkelijk in opdracht van deze fü1na,s naai· Italië werden vervoerd en aldaar ook aankwan1en.

Zij vordert het betwiste dwangbevel te vernietigen, voor recht te zeggen dat zij de in het dwangbevel gevorderde, sommen niet verschuldigd is, zowel wat de BTW betreft, als wat de kosten, interesten en kosten betreft.

Zij vordert de uitvoering van het betwiste dwangbevel te verbieden.

Zij vordert de teruggave te bevelen van alle ten onrechte ingehouden bedragen, te vermeerderen met de moratoire interesten.

Zij vordert geïntimeerde te veroordelen in de kosten.

Geïntimeerde betwist de beweerde intracommunautaire leveringen. Volgens geïntimeerde, verrichtte appellante, die noch als rechtstreekse vervoerder, noch als opdrachtgever van het vervoer optrad, de leveringen van goederen uitsluitend in België, nl. tot in de magazijnen te Antwerpen.

Hij vordert het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en het bestreden vonnis in al zijn geledingen te bevestigen met verwijzing van appellante in de kosten.

BEOORDELING

1. Appellante herneemt voor het hof het middel dat zij afleidt uit de onwettige wijze waarop geïntimeerde voor de eerste rechter zijn vordering op een andere juridische grondslag steunde dan deze geformuleerd in het proces-verbaal dat de motivering van het betwiste dwangbevel vormt.

Het hof van beroep te Antwerpen kende het hoger beroep van appellante op die grond toe.

Het arrest van het hof van beroep te Antwerpen werd echter door het Hof van cassatie vernietigd (zie supra).

Appellante miskent de omvang van de uitgesproken cassatie wanneer hij andermaal voormeld middel formuleert.

Het Hof van cassatie oordeelde immers dat het hof van beroep te Antwerpen de bewijskracht van de conclusie van geïntimeerde miskende door te oordelen dat hij in conclusie de piste verliet die hij bewandelde in het proces-verbaal ter ondersteuning van het betwiste dwangbevel.

In conclusie genomen voor het hof, waarin geïntimeerde de argumentatie herneemt die hij voor het hof van beroep te Antwerpen ontwikkelde, stelt geïntimeerde dat "zo de intracommunautaire leveringen reeds zouden hebben plaatsgehad, ze zeker niet door rechtstreeks of zelfs onrechtstreeks toedoen van (appellante) zijn tot stand gekomen” (syntheseconclusie, blz. 4), Geïntimeerde herhaalt aldus voor het hof wat de administratie in het proces-verbaal van 20 februari 1998 stelde, nl. dat geen levering met vervoer plaatsvond in de relatie tussen appellante en E. W. T. SL en tussen appellante en B. Ltd.

Gelet op het arrest van het Hof van cassatie, kan appellante niet langer staande houden dat geïntimeerde op onwettige wijze zijn vordering op een andere juridische grondslag steunt.

2. Appellante kocht de goederen aan bij de producenten ervan (Panasonic, Sony, Kenwood, e.a.) of bij andere groothandelaars in audiovisuele apparatuur.

Zij liet de aangekochte goederen vervoeren van de magazijnen van de producent of·een·andere leverancier naar opslagruimten in … ter beschikking gesteld door de NV M., de NV H. B. of de BVBA V..

De goederen werden vervolgens vervoerd naar Italië.

Geïntimeerde betoogt dat "zo de intracommunautaire leveringen reeds zouden hebben plaatsgehad, ze zeker niet door rechtstreeks of zelfs onrechtstreeks toedoen van (appellante) zijn tot stand gekomen” (syntheseconclusie, blz. 4).

Geïntimeerde betwist aldus de intracommunautaire leveringen vooreerst omdat "(appellante) tot op heden nog steeds niet de stukken (heeft) voorgelegd dewelke wettelijk vereist zijn om zich op artikel 39bis van het Wetboek te kunnen beroepen" (syntheseconclusie, blz. 8), nl. stukken die appellante, volgens geïntimeerde, kon bekomen bij grensexpediteurs, buitenlandse accountantskantoren, vervoerbedrijven, enz. (syntheseconclusie, blz. 5).

Nochtans achtte de controleambtenaar in het proces-verbaal van 20 februari 1998 het intracommunautair driehoeksverkeer bewezen omdat "op grond van de attesten, opgemaakt door NV M., mag worden aangenomen dat de goederen; vervoerd of verzonden werden vanuit Lid-Staat 1 (België) naar Lid-Staat 3 (Italië) zonder Lid-staat 2 (Verenigd Koninkrijk of Spanje) aan te doen”.

Beide soorten transacties, het intracommunautair driehoeksverkeer en de intracommunautaire levering behelzen evenwel een vervoer buiten België maar binnen de Europese Unie.

Nu de administratie in het proces-verbaal van 20 februari 1998 dat bijzondere bewijswaarde heeft overeenkomstig artikel 59, § 1, eerste lid, W.BTW, de materiële vaststelling deed dat de goederen werden vervoerd vanuit België naar Italië, kan geïntimeerde voor het hof het vervoer buiten België maar binnen de Europese Unie niet afdoen als niet bewezen.

Geïntimeerde bettwist de intracommunautaire leveringen vervolgens omdat appellante noch als rechtstreekse vervoerder, noch als opdrachtgever van het vervoer optrad.

De goederen werden inderdaad voor rekening van de kopers E. W. T. SL en B. Ltd. vervoerd vanuit België naar Italië.

Voor de vrijstelling van de BTW van de intracommunautaire levering, is evenwel geenszins vereist dat het vervoer door de verkoper of in zijn opdracht gebeurt, zoals appellante terecht opmerkt.

Luidens artikel 39bis W.BTW wordt immers van de belasting vrijgesteld, de levering van goederen door de verkoper, door de afnemer of voor hun rekening verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap.

3. Vervolgens stelt geïntimeerde enerzijds, wat betreft het intracommunautair driehoeksverkeer, dat "het intracommunautair vervoer plaatsvindt en wordt verricht nadat de firma B. Ltd. de terbeschikkingstelling van de goederen heeft bekomen ingevolge eigendomsoverdracht en aflevering ervan door (appellante) aan de firma B. Ltd. in de magazijnen te … (…), alsmede dat vervolgens de firma B. Ltd. als opdrachtgever van het vervoer der goederen door M. vanuit … naar Italië degene is die de intracommunautaire leveringen ook effectief heeft verricht' (syntheseconclusie, blz. 5), en dat “een intracommunautaire levering met betrekking tot dezelfde goederen, hetgeen het materieel vervoer onderstelt vanuit België over de landsgrenzen heen naar een andere Europese Lidstaat, in een zelfde fase slechts door één bepaalde firma kan worden verricht en dan nog maar eenmalig, zodat een goed op een gegeven tijdstip nooit door twee personen intracommunautair tegelijk kan zijn geleverd, daar het uiteraard maar éénmaal de grens hoeft te overschrijden om België te hebben verlaten" (ibid.).

Anderzijds stelt geïntimeerde dat "de vaststellingen opgenomen in het proces-verbaal ter zake door de NV M. voorgelegde handelsdocumenten, het ontbreken of niet voorleggen van stavingstukken door (appellante). tijdens de controle, haar eigen verklaringen in conclusies verklaringen van de heer V. en meer duiden duidelijk aan dat er tussen (appellante) en de in het PV opgenomen afnemers een nationale levering gebeurde.

Concluant dient geen “bewijs” te leveren van driehoeksverkeer.

In het licht hiervan, vermits (appellante) factureerde met de vrijstelling van BTW op basis van artikel 39bis van het W.BTW is het aan (appellante) om het bewijs te leveren dat zij zich terecht op deze vrijstelling beriep” (syntheseconclusie, blz. 7-8),

De bovenstaande argumentering van geïntimeerde is niet zonder tegenstrijdigheid, nu geïntimeerde het intracommunautair driehoeksverkeer betwist, maar niettemin argumenten formuleert die de aanvaarding van het bestaan van het intracommunautair driehoeksverkeer impliceren, met dien verstande dat, volgens geïntimeerde het intracommunautair vervoer moet worden toegerekend aan de tweede levering, nl. de levering die plaatsvond in de relatie tussen E. W. T. SL en B. Ltd. en hun Italiaanse afnemer, en bijgevolg enkel deze levering als een intracommunautaire levering kan worden in aanmerking genomen:

4. Appellante stelt in hoofdorde dat een intracommunautair driehoeksverkeer niet bewezen is, en in ondergeschikte orde, dat het bestaan van een intracommunautair driehoeksverkeer de vrijstelling inzake intracommunautaire leveringen niet teniet doet.

Zoals appellante stelt, indien de door haar verkochte goederen voor rekening van E. W. T. SL en B. Ltd. werden vervoerd vanuit België naar een magazijn van deze firma’s in Italië en aldaar tijdelijk werden opgeslagen met het oog op de doorverkoop aan bv. een firma in … (…), was er geen sprake van een intracommunautair driehoeksverkeer, maar verrichtte appellante in dat geval een gewone intracommunautaire levering, die van de BTW vrijgesteld is.

In het proces-verbaal van 20 februari 1998 werd evenwel vastgesteld dat uit de door de NV M. voorgelegde handelsdocumenten blijkt dat de goederen door de kopers E. W. T. SL en B. Ltd. werden doorgefactureerd aan een Italiaanse firma.

Zoals hierboven gesteld, heeft het proces-verbaal krachtens artikel 59, § 1 W.BTW bijzondere bewijskracht wat betreft de vastellingen.

Er vond derhalve wel degelijk een intracommunautair driehoeksverkeer plaats.

Zoals in het proces-verbaal van 20 februari 1998 werd vastgesteld en overigens uit de stukken blijkt, deelde E. W. T. SL aan appellante een Spaans BTW-nummer mede, zijnde een BTW-nummer toegekend door de lidstaat waar E. W. T. SL gevestigd is) en deelde B. Ltd. aan appellante een Brits BTW-nummer mede, zijnde een BTW-nummer toegekend door de lidstaat waar B. Ltd. gevestigd is.

Overeenkomstig de administratieve circulaire nr. AOIF 38/2006 van 28 augustus 2006, nr. 100 (www.fisconetplus.be ), wordt het vervoer geacht aldus verbonden te zijn aan de relatie tussen appellante en E. W. T. SL en aan de relatie tussen appelante en B. Ltd. Nog overeenkomstig voormelde circulaire verrichtte appellante aldus in België intracommunautaire leveringen en verrichtten E. W. T. SL en B. Ltd. intracommunautaire verwervingen in Italië en vervolgens binnenlandse leveringen zonder vervoer aan de Italiaanse firma, welke verwervingen aldaar belastbaar zijn.

Het feit dat het intracommunautair vervoer dient te worden toegerekend aan de eerste levering, en niet aan de tweede levering, wordt bevestigd door de omstandigheid dat de opslagruimten te … fungeerden. als magazijnen van appellante, en niet als magazijnen van de kopers E. W. T. SL en B. Ltd.

De NV M. factureerde immers de kosten voor lossen en Iaden van de goederen aan appellante (stuk 18 van de bundel van appellante).

De NV H. B. liet appellante weten dat de goederen in haar magazijn opgeslagen lagen op risico van appellante. Ook de NV H. B. factureerde aan appellante de kosten voor het inladen op de vrachtwagen naar Italië (dossier 32 van stuk 12 van de bundel van appellante).

Indien het magazijn als een opslagruimte van E. W. T. SL en B. Ltd. zou dienen te worden beschouwd, zoals geïntimeerde voorhoudt, dan zouden de kosten voor het Iaden van een vrachtwagen in dit magazijn nooit ten laste van appellante zijn geweest.

Daarenboven was appellante verzekerd voor de opslag van de goederen in het magazijn te … (stuk 27 van de bundel van appellante).

Appellante had geen enkele reden om de opgeslagen goederen te laten verzekeren, indien het magazijn te … als een magazijn van E. W. T. SL en B. Ltd. zou dienen te worden beschouwd. In dat geval zouden E. W. T. SL en B..Ltd. immers de goederen ter beschikking hebben gekregen op het ogenblik van de aankomst in het magazijn en viel het risico voor beschadiging bij opslag en laden ten laste van E. W. T. SL en B. Ltd.

De opslagruimten te … dienen aldus te worden beschouwd als de opslagruimten van appellante voor de periode dat de goederen er waren opgeslagen, d.i. tussen het tijdstip waarop de goederen door haar leveranciers werden geleverd en afgeladen in het magazijn en het ogenblik waarop de goederen het magazijn verlieten met bestemming Italië.

Van een interne Belgische levering was er sprake tussen de producenten (Panasonic, Sony, Kenwood, e.a.) of andere groothandelaars in audiovisuele apparatuur en appellante. De door de leveranciers van appellante in haar opslagruimten te … geleverde goederen bleven in de opslagruimten korte tijd opgeslagen en bleven er tevens eigendom van appellante.

Pas op het ogenblik dat de goederen op de vrachtwagen van de transporteur van E. W. T. SL en B. Ltd. geladen waren en deze vertrok naar Italië, verkregen E. W. T. SL en B. Ltd. de beschikkingsmacht over de goederen in de zin van het W.BTW.

Nu de macht om als een eigenaar te beschikken over de goederen aan de afnemers E. W. T. SL en B. Ltd. is overgedragen nu aangetoond is dat de goederen naar een andere lidstaat werden vervoerd en na afloop van het vervoer het grondgebied van de lidstaat van levering fysiek hebben verlaten, en nu de goederen in de relatie tussen appellante en E. W. T. SL en B. Ltd. naar Italië werden vervoerd, beantwoorden de verkopen van appellante aan deze afnemers aan alle voorwaarden van een intracommunautaire levering en is hierop geen Belgische BTW door appellante verschuldigd.

Nu daarenboven uit de stukken niet blijkt dat appellante door E. W. T. SL en B. Ltd. ervan op de hoogte werd gebracht dat de goederen aan een Italiaanse firma zouden worden doorverkocht voordat de goederen België, lidstaat van levering, hebben verlaten, beschouwde appellante de door haar verrichte handelingen terecht als intracommunautaire leveringen (vgl. H.v.J.,. Euro Tyre, 16 december 2010, C-430/09, r.o. 36).

Ten onrechte steunde de administratie in het proces-verbaal van 2à februari 1998, op de regeling van het vereenvoudigd intracommunautair driehoeksverkeer voorzien in de artikelen 25ter en 25quinquies W.BTW, welke regeling, immers enkel de intracommunautaire verwerving die in België gebeuren bij een driehoeksverkeer betreft, maar niet toepasselijk is op een situatie waarbij goederen vanuit België naar een andere EU-lidstaat worden vervoerd. In onderhavige zaak is er geen sprake van een intracommunautaire verwerving in België.

Het hoger beroep is gegrond.

Het gervaagde verbod tot uitvoering van het dwangbevel is een executiegeschil waarvoor het hof niet bevoegd is.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak,

Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep gegrond.

Hervormt het bestreden vonnis,

Verklaart het verzet tegen het betwiste dwangbevel ontvankelijk en gegrond,

Vernietigt het betwiste dwangbevel,

Zegt voor recht dat appellante de in het dwangbevel gevorderde sommen niet verschuldigd is, zowel wat de BTW betreft, als wat de kosten, interesten en kosten betreft.

Beveelt de teruggave van alle ten onrechte ingehouden bedragen, te vermeerderen met de moratoire interesten.

Veroordeelt geïntimeerde in de kosten, aan de zijde van appellante begroot op de dagvaardingskosten eerste aanleg van … EUR, de rechtsplegingvergoeding eerste aanleg van … EUR, de rechtsplegingvergoeding voor het hof van beroep te Antwerpen van … EUR de kosten van betekening van het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van … EUR, de kosten v.om· het Hof van cassatie van … EUR en de rechtsplegingvergoeding voor dit hof van … EUR, en aan de zijde geïntimeerde begroot op de rechtsplegingvergoeding eerste aanleg van … EUR de rechtsplegingvergoeding voor het hof van beroep te Antwerpen van … EUR, de kosten voor het Hof van cassatie van … EUR, de dagvaardingskosten voor dit Hof van … EUR en de rechtsplegingvergoeding voor dit hof van … EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de 6de fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel op 26 JANUARI 2012.

alwaar aanwezig waren en zitting namen :

J. V., raadsheer, dd. Voorzitter,

P. V., raadsheer,

R. V., plaatsvervangend raadsheer,

C. D. N., griffier.

C. D. N. R. V. P. V. J. V.

Textes cités

4
CTVA art. 39bis1 occurrence
traité CE art. 2341 occurrence

Décisions similaires

8