Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d'Appel de Bruxelles du 17.06.2004
Résumé non fourni
Texte de l’arrêt
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
HOF van BEROEP te BRUSSEL, Zesde fiscale kamer - Openbare terechtzitting van 17-06-2004
Nr. van de zaak : 1998/AR/323
INZAKE VAN :
De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Heer Minister van Financiën, administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te 3300 Tienen, Goossensvest 3.
appellant,
oorspronkelijke verweerder,
vertegenwoordigd door Mr. B. loco Mr. H., advocaat. (…, …)
tegen :
De VZW V. T. in vereffening, vertegenwoordigd door haar vereffenaarster, Mter. S. D. S., advocate, wiens kantoren gevestigd zijn te …, ….
geïntimeerde,
oorspronkelijke eiseres,
vertegenwoordigd door Mr. B. loco B. B., advocaat, (…, …)
R. EINDARREST - Hervormd
Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit :
Het hoger beroep d.d. 3 februari 1998 is gericht tegen een vonnis van de vijfde kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven d.d. 24 september 1997 waarvan geen akte van betekening neergelegd wordt. Het hoger beroep is ontvankelijk.
Het vonnis verklaart het verzet van 28 februari 1995 gericht tegen een op 2 februari 1995 betekend dwangbevel, gegrond.
Het dwangbevel had betrekking op een correctieopgave van 12 mei 1994 waardoor de administratie … F BTW (plus een verminderde boete van 15 % en de intresten) voor de jaren 1991 en 1992 vorderde. Dit bedrag is als volgt samengesteld :
1. / verkeerde toepassing van art.17bis van het KB nr. 1 (verlegging van heffing) : … F.
2. / te weinig aangegeven omzet in de uitbating van de cafetaria … F.
3. / verworpen aftrek van BTW op ontvangen leveringen, die betrekking hebben op het aanleggen van modeltuinen : … F.
De correctieopgave is door appellante op 12 mei 1994 voor akkoord ondertekend.
Op 28 februari 1995 is appellante op dit akkoord teruggekomen, betreffende uitsluitend punt 3 van de correctieopgave.
Voorwerp van het geschil
Artikel 44, § 2, 7° wetboek BTW bepaalt dat van de belasting zijn vrijgesteld de diensten die door de belastingplichtige aan de bezoekers worden verstrekt in het raam van al of niet geleide bezoeken aan o.a. plantentuinen. Volgens de memorie van toelichting van de Wet, hebben deze diensten “in algemene zin betrekking op het onderwijs in de brede betekenis”; zij vervullen m.a.w. een educatieve of wetenschappelijke rol.
In de mate dat deze diensten vrijgesteld zijn, is - luidens artikel 46, § 2 - de BTW op de ontvangen leveringen, die betrekking hebben op het aanleggen van die tuinen, niet aftrekbaar.
De administratie beweert dat appellante de modeltuinen aangelegd heeft om de door artikel 44, § 2, 7° bedoelde diensten te verstrekken, zodat kwestieuze BTW (… F in hoofdsom) op de tussen 15 april 1991 en 31 december 1991 gedane investeringen en kosten voor die toontuinen, niet aftrekbaar zijn.
Appellante is hiermee eens wanneer zij op 25 januari 1991 haar BTW aangifte van aanvang van haar werkzaamheid op 1 mei 1991 invult en wanneer zij de correctieopgave zonder voorbehoud voor akkoord tekent op 12 mei 1994.
Zij is het hiermee niet meer eens wanneer zij het bedrag van … F in haar aangiften van 1991 aftrekt en wanneer zij op 28 februari 1995 tegen het dwangbevel verzet aantekent. Zij houdt dan voor dat zij tot doel heeft de bezoekers aan te sporen ook dergelijke tuinen aan te leggen en dat haar activiteit verkoopstimulerend en een commercieel is, zodat zij in werkelijkheid geen door artikel 44, § 2, 7° bedoelde diensten levert. De eerste rechter heeft haar gelijk gegeven.
De feiten
Volgens de statuten van geïntimeerde heeft zij tot doel het “aanleggen van siertuinen in België te bevorderen en hierdoor het tuintoerisme te stimuleren”.
Op 25 januari 1991 heeft zij een BTW aangifte “604 A” van aanvang van een werkzaamheid vanaf 1 mei 1991 ingevuld, waarin zij in vak II verklaart toontuinen met drankgelegenheid te zullen uitbaten en in vak III - a/ aanduidt dat zij slechts voor een gedeelte van haar werkzaamheid aan de BTW onderworpen zal zijn. Gezien het café aan de BTW onderworpen is, betekent dit dat volgens geïntimeerde de uitbating van de toontuinen aan deze belasting niet onderworpen zal zijn.
Op 4 juni 1991 geeft de Directeur van Mechelen, die territoriaal onbevoegd is, een advies waarvan hij uitdrukkelijk stelt dat het niet bindend is. Volgens dit advies volstaat het dat de bezoekers van de toontuinen dienen te betalen, om de handelingen die betrekking hebben op deze toontuinen, te beschouwen als belastbaar in de BTW (stuk 14 van het dossier van de VZW)
De Staat beweert, zonder door de VZW tegengesproken te worden, het volgende “alhoewel aanlegster stelt dat zij BTW aanrekent op de toegangsprijs (...) blijkt echter dat deze aangerekende BTW door aanlegster niet doorgestort wordt via haar periodieke aangiften”. (Besluiten van de Staat in eerste aanleg, blz. 6, voorlaatste lid). Deze informatie werd overgenomen door de eerste rechter; hij achtte ze niet relevant.
In de aangiften betreffende de periode van april tot 31 december 1991 heeft de VZW de BTW op de kosten en investeringen van de toontuinen afgetrokken.
Op 3 november 1991 heeft de VZW aan de bevoegde Directeur (van Hasselt) gevraagd of zij al dan niet een gemengde belastingplichtige was. Op 12 december 1991 antwoordde de Controleur dat de Directeur op 10 december een beslissing genomen had die volledig overeenstemde “met het standpunt dat reeds eerder door hemzelf werd ingenomen, namelijk wat de toontuinen zelf betrof er geen BTW-belastingplicht is (...)” (stuk 13 van het dossier van de VZW).
De VZW heeft de correctieopgave, waarin de aftrek van de BTW op de investeringen en kosten voor de tuinen verworpen werden, zonder voorbehoud voor akkoord getekend op 12 mei 1994.
Zij is van gedachte veranderd sedert het aantekenen, op 28 februari 1995, van het verzet tegen het dwangbevel.
Ter zitting uitgenodigd haar rekeningen neer te leggen ten einde het hof toe te laten een beter inzicht te verwerven op van de activiteiten van de VZW, heeft deze laatste twee weken nadien -in voortzetting van de zaak- verklaard dat zij die rekeningen niet neerlegde.
Discussie
De bevordering van de tuinaanleg ten einde het tuintoerisme te stimuleren (statuten van de VZW), het uitgeven van een wandelgids die de verschillende soorten tuinen met hun typische eigenschappen omschrijft, en het organiseren van vergaderingen en studiedagen (stukken 9 tot 12 van het dossier van de Staat) duiden aan dat de geleverde diensten in de brede betekenis een educatieve en wetenschappelijk rol vervullen, zoals bedoeld door art. 44, § 2, 7°.
Deze diensten zijn bijgevolg van de belasting vrijgesteld, ongeacht of deze educatieve handelingen voor enkele tuinliefhebbers aankoopstimulerend kunnen zijn, wat de tuinsector betreft.
In zijn niet bindend advies van 4 juni 1991 neemt de Directeur van Mechelen geen standpunt in betreffende de vraag te weten of die handelingen ja dan neen een educatief karakter hebben.
Een reeks elementen tonen aan dat de VZW trouwens zelf overtuigd was dat zij voor de tuinactiviteiten van de BTW vrijgesteld was, zoals blijkt uit :
1/ haar aangifte van aanvang van werkzaamheden d.d. 25/1/1991.
2/ het niet doorstorten aan de Staat van de BTW op de toegangsprijzen.
3/ het voor akkoord tekenen van de correctieopgave van 12/5/1994.
Het door de Staat ingesteld hoger beroep is bijgevolg gegrond.
OM DEZE REDENEN,
HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak,
Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond.
Vernietigt het vonnis a quo en verklaart het verzet tegen het dwangbevel ongegrond.
Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen, begroot in graad van hoger beroep op … EUR voor appellant en op … EUR voor geïntimeerde.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op 17-06-2004.
alwaar aanwezig waren en zitting namen :
K. V. H., voorzitter,
B. V., raadsheer,
B. d. C., plaatsvervangend raadsheer,
C. D. N., griffier.
C. D. N. B. d. C. B. V. K. V. H.
AR 95/58560
V. T. VZW, met zetel te …, …, …, vertegenwoordigd door haar afgevaardigd-bestuurder, de heer J. R.;
eiseres,
ter zitting vertegenwoordigd door meester J. L., advocaat te …, …;
tegen :
De BELGISCH E STAAT, Ministerie van Financiën, BTW TIENEN, in de persoon van de Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Tienen, wiens kantoren gevestigd zijn in het Rijksadministratief Centrum, Goossensvest nr. 3 te 3300 Tienen;
verweerster,
ter zitting vertegenwoordigd door haar raadsman meester D. B., advocaat te …, …;
De rechtbank spreekt het vonnis uit in deze zaak die op tegenspraak gepleit werd en in beraad genomen op de zitting van 18 juni 1997;
Gelet op de artikels 2-9-34-36-37-40 en 41 van de wet op het taalgebruik in gerechtszaken.
Gehoord partijen in hun middelen en gelet op hun conclusies en stukken;
Gezien de inleidende akte van verzet d.d. 28 februari 1995 betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder J. H., met standplaats te …, ertoe strekkende het verzet ontvankelijk en gegrond te horen verklaren en bijgevolg de tenuitvoerlegging van het dwangbevel d.d. 2 februari 1995 te horen opschorten en stuiten; Te horen zeggen voor recht dat eiseres de hoedanigheid bezit van belastingplichtige met recht op BTW-aftrek, en dienvolgens te horen zeggen dat de aanspraken van verweerder inzake heffing-, achterstallige BTW, boetes, aankleven, intresten onverschuldigd zijn, met de veroordeling van verweerder tot de kosten van het geding, vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
Overwegende dat de vordering regelmatig werd ingesteld en ontvankelijk is;
Voorgaanden
Overwegende dat eiseres als BTW-belastingplichtige geregistreerd werd onder het nummer …, wegens de aangegeven activiteit van uitbating van T. met drankgelegenheid, en dit voor een gedeelte van haar beroepswerkzaamheid en waarvoor zij derhalve onderworpen is aan de BTW-Wetgeving en aan de ter uitvoering ervan getroffen besluiten;
Overwegende dat op 8 juni 1993, na een voorafgaande verwittiging, werd overgegaan bij eiseres tot een controle van de boekhouding in verband met de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de BTW;
Dat tijdens het onderzoek een aantal inbreuken op de BTW-Wetgeving werden vastgesteld, inbreuken dewelke werden opgenomen in een correctieopgave met voorstel tot minnelijke regeling, die op 12 mei 1994 voor akkoord werd ondertekend door de heer J. R., in zijn hoedanigheid van gedelegeerd bestuurder van eiseres;
Overwegende dat op 26 januari 1995 door de bevoegde ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Tienen een dwangbevel werd uitgevaardigd, dat samen
Overwegende dat artikel 4 van het BTW-Wetboek (toepasselijk voor 1 januari 1993 -de vordering van verweerder heeft betrekking op de periode 1991-1992) bepaalt dat belastingplichtig is, ieder wiens werkzaamheid erin bestaat geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten te verrichten die in het BTW-Wetboek omschreven zijn;
Dat bij toepassing van artikel 18, § 1 van het BTW-Wetboek onder het verrichten van diensten wordt verstaan, de uitvoering ingevolge een contract onder bezwarende titel van welke handeling ook die verder beschreven wordt in artikel 18, § 1;
Dat dus het bestaan van een contract onder bezwarende titel doorslaggevend is in de bepaling of de handelingen die men geregeld en zelfstandig stelt, de hoedanigheid van BTW-belastingsplichtige verlenen;
Overwegende dat ingevolge artikel 18, § 1, 12° van het BTW-Wetboek als een dienst wordt beschouwd die onderworpen is aan de BTW de toekenning van het recht op toegang tot inrichtingen van cultuur, sport of vermaak, alsmede de toekenning van het recht gebruik ervan te maken;
Dat volgens de handleiding van het Ministerie van Financiën, administratie van de BTW, tot de werkingssfeer van artikel 18, § 1, 12° van het BTW-Wetboek behoren : musea, tentoonstellingszalen, floraliën, handelsbeurzen, balzalen, zwembaden, solariums, golfterreinen, visvijvers, automobielcircuits, wielerbanen, grotten en lunaparken;
Overwegende dat derhalve het enkel gegeven dat in de door eiseres tentoongestelde tuinen, planten voorkomen, niet inhoudt dat die tuinen zonder meer gelijk moeten worden gesteld met diegene bedoeld in artikel 44, § 2, 7° van het BTW-Wetboek;
Overwegende dat eiseres terecht stelt dat de vrijstelling van BTW een uitzonderingsregeling is, zodat de voorwaarden beperkend moeten worden geïnterpreteerd en de vrijstelling niet mag uitgebreid worden tot instellingen die in het artikel niet zijn opgesomd of door het artikel niet zijn geviseerd;
Dat de memorie van toelichting terzake stelt :
"In een derde groep van vrijgestelde diensten vindt men de diensten die in algemene zin betrekking hebben op het onderwijs in de brede betekenis. Alleen al door het belang van de sommen die ieder jaar door de overheid aan de culturele activiteit worden besteed zijn de voorgestelde vrijstellingen voldoende gerechtvaardigd";
Dat dus de instellingen als bedoeld in artikel 44, § 2, 7° van het BTW-Wetboek vrijgesteld zijn omwille van hun educatieve of wetenschappelijke rol;
Overwegende dat artikel 3 van de statuten van eiseres bepaald :
"De vereniging heeft tot doel het aanleggen van siertuinen in België te bevorderen en hierdoor het tuintoerisme te stimuleren.
Zij streeft naar de verwezenlijking hiervan door alle middelen, waaronder voornamelijk :
1° Aanleg van modeltuinen in de Provincie Vlaams Brabant.
De toontuinen kunnen later worden uitgebreid tot alle andere provincies.
2° Het organiseren van vergaderingen, studiedagen en alle manifestaties welke het doel kunnen steunen.
3° Het huren of verwerven van om het even welke roerende en onroerende goederen om de activiteiten te ondersteunen.
4° Het uitgeven van boeken, tijdschriften, bladen en allerlei publicaties.
5° Het stichten en uitbaten van spijshuizen en drankgelegenheden.
6° Het inschakelen van de V.T.T. in de toeristische circuits van Vlaanderen en speciaal in de kunst-historische gemeente ….
V. T. VZw, met zetel te …, …, … vertegenwoordigd door haar afgevaardigd-bestuurder, de heer J. R.;
eiseres,
ter zitting vertegenwoordigd door meester J. L., advocaat te …, …;
tegen :
De BELGISCH E STAAT, Ministerie van Financiën, BTW TIENEN, in de persoon van de Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Tienen, wiens kantoren gevestigd zijn in het Rijksadministratief Centrum, Goossensvest nr. 3 te 3300 Tienen;
verweerster,
ter zitting vertegenwoordigd door haar raadsman meester D. B., advocaat te …, …;
De rechtbank spreekt het vonnis uit in deze zaak die op tegenspraak gepleit werd en in beraad genomen op de zitting van 18 juni 1997;
Gelet op de artikels 2-9-34-36-37-40 en 41 van de wet op het taalgebruik in gerechtszaken.
Gehoord partijen in hun middelen en gelet op hun conclusies en stukken;
Gezien de inleidende akte van verzet d.d. 28 februari 1995 betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder J. H., met standplaats te …, ertoe strekkende het verzet ontvankelijk en gegrond te horen verklaren en bijgevolg de tenuitvoerlegging van het dwangbevel d.d. 2 februari 1995 te horen opschorten en stuiten; Te horen zeggen voor recht dat eiseres de hoedanigheid bezit van belastingplichtige met recht op BTW-aftrek, en dienvolgens te horen zeggen dat de aanspraken van verweerder inzake heffing-, achterstallige BTW, boetes, aankleven, intresten onverschuldigd zijn, met de veroordeling van verweerder tot de kosten van het geding, vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
Overwegende dat de vordering regelmatig werd ingesteld en ontvankelijk is;
Voorgaanden
Overwegende dat eiseres als BTW-belastingsplichtige geregistreerd werd onder het nummer …, wegens de aangegeven activiteit van uitbating van Toontuinen met drankgelegenheid, en dit voor een gedeelte van haar beroepswerkzaamheid en waarvoor zij derhalve onderworpen is aan de BTW-Wetgeving en aan de ter uitvoering ervan getroffen besluiten;
Overwegende dat op 8 juni 1993, na een voorafgaande verwittiging, werd overgegaan bij eiseres tot een controle van de boekhouding in verband met de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de BTW;
Dat tijdens het onderzoek een aantal inbreuken op de BTW-Wetgeving werden vastgesteld, inbreuken dewelke werden opgenomen in een correctieopgave met voorstel tot minnelijke regeling, die op 12 mei 1994 voor akkoord werd ondertekend door de heer J. R., in zijn hoedanigheid van gedelegeerd bestuurder van eiseres;
Overwegende dat op 26 januari 1995 door de bevoegde ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Tienen een dwangbevel werd uitgevaardigd, dat samen met de correctieopgave d.d. 12 mei 1994, bij exploot van gerechtsdeurwaarder L. V. te … op 2 februari 1995 aan eiseres werd betekend;
Overwegende dat in het dwangbevel, bevel tot betalen wordt gegeven van :
- als belasting op de toegevoegde waarde : … fr.
- als geldboete ingevolge art. 70 ,§ 1 en 70, § 1bis van het BTW-Wetboek : … fr.
- de wettelijk intresten verschuldigd door de niet tijdig betaalde BTW te rekenen vanaf 21 april 1992, onder aftrek van de reeds toegerekende som van … fr.
- de moratoire intresten over de nog verschuldigde geldboeten die loopt vanaf de betekening van het dwangbevel.
- de vervolgingskosten;
Overwegende dat door eiseres verzet werd aangetekend tegen voormeld dwangbevel bij exploot van gerechtsdeurwaarder J. H., met standplaats te … op 28 februari 1995;
In rechte
Overwegende dat de voor akkoord ondertekende correctieopgave samengesteld is uit verschillende elementen en er tussen partijen blijkbaar geen betwisting bestaat over een gedeelte van de vordering, namelijk de vordering wegens een verkeerde toepassing van artikel 17bis van het koninklijk besluit nr. 1 van 23 juli 1996, blz. IV van de correctieopgave voor een bedrag van … fr., en de vordering op basis van een te weinig aangegeven omzet in de uitbating van de cafetaria aan … Fr., blz. V. van de correctieopgave;
Overwegende dat het verzet van eiseres dus enkel gericht is tegen de vordering aan rechten van … fr., blz. III van de correctieopgave, en de hiermee samenhangende boeten en intresten;
Dat volgens verweerder de BTW op de facturen in verband met investeringen en kosten van de T. niet aftrekbaar zijn op grond van de bepalingen van de artikelen 44, § 2, 7°, artikel 45, § 1 en artikel 46, § 2 van het BTW-Wetboek, zodat door eiseres een teveel aan BTW zou zijn afgetrokken van … fr. en verder werd op de gemeenschappelijke onkosten een teveel aan BTW afgetrokken van … fr., wat een totaal geeft van … fr.;
Overwegende dat eiseres als activiteit heeft de uitbating van modeltuinen, die voor het publiek toegankelijk zijn, met drankgelegenheid en daarnaast de leveringen van goederen en diensten die rechtstreeks samenhangen met de activiteit van de modeltoontuinen;
Dat voor wat betreft de activiteit van restaurant en drankgelegenheid eiseres op grond van artikelen 4 en 18, § 1, 11° van het BTW-Wetboek de hoedanigheid heeft van belastingplichtige met recht op aftrek, daar waar dit door verweerder niet wordt aanvaard voor de activiteit inzake modeltoontuinen;
Overwegende dat de vraag die zich in casu stelt dan ook is of de hoofdactiviteit van eiseres, namelijk het tentoonstellen van modeltuinen, met de daarmee samenhangende diensten en leveringen van goederen, onderworpen zijn aan de BTW;
Overwegende dat verweerder zich hiervoor steunt op artikel 44, § 2, 7° van het BTW-Wetboek dat stelt dat van de BTW vrijgesteld zijn de diensten die door de exploitant aan de bezoekers worden verstrekt met betrekking tot al of niet geleid bezoek aan musea, monumenten, natuurmonumenten, plantentuinen en dierentuinen, wanneer die exploitanten een instelling is die geen winstoogmerk heeft en hij de ontvangsten uit de vrijgestelde werkzaamheden uitsluitend gebruikt tot dekking van de kosten ervan, vrijstelling dewelke niet enkel geldt voor het recht op toegang, maar tevens de bijkomende handelingen omvat;
Overwegende dat artikel 4 van het BTW-Wetboek (toepasselijk voor 1 januari 1993 - de vordering van verweerder heeft betrekking op de periode 1991-1992) bepaalt dat belastingplichtig is, ieder wiens werkzaamheid erin bestaat geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten te verrichten die in het BTW-Wetboek omschreven zijn;
Dat bij toepassing van artikel 18, § 1 van het BTW-Wetboek onder het verrichten van diensten wordt verstaan, de uitvoering ingevolge een contract onder bezwarende titel van welke handeling ook die verder beschreven wordt in artikel 18, § 1;
Dat dus het bestaan van een contract onder bezwarende titel doorslaggevend is in de bepaling of de handelingen die men geregeld en zelfstandig stelt, de hoedanigheid van BTW-belastingsplichtige verlenen;
Overwegende dat ingevolge artikel 18, § 1, 12° van het BTW-Wetboek als een dienst wordt beschouwd die onderworpen is aan de BTW de toekenning van het recht op toegang tot inrichtingen van cultuur, sport of vermaak, alsmede de toekenning van het recht gebruik ervan te maken;
Dat volgens de handleiding van het Ministerie van Financiën, administratie van de BTW, tot de werkingssfeer van artikel 18, § 1, 12° van het BTW-Wetboek behoren : musea, tentoonstellingszalen, floraliën, handelsbeurzen, balzalen, zwembaden, solariums, golfterreinen, visvijvers, automobielcircuits, wielerbanen, grotten en lunaparken;
Overwegende dat derhalve het enkel gegeven dat in de door eiseres tentoongestelde tuinen, planten voorkomen, niet inhoudt dat die tuinen zonder meer gelijk moeten worden gesteld met diegene bedoeld in artikel 44, § 2, 7° van het BTW-Wetboek;
Overwegende dat eiseres terecht stelt dat de vrijstelling van BTW een uitzonderingsregeling is, zodat de voorwaarden beperkend moeten worden geïnterpreteerd en de vrijstelling niet mag uitgebreid worden tot instellingen die in het artikel niet zijn opgesomd of door het artikel niet zijn geviseerd;
Dat de memorie van toelichting terzake stelt :
"In een derde groep van vrijgestelde diensten vindt men de diensten die in algemene zin betrekking hebben op het onderwijs in de brede betekenis. Alleen al door het belang van de sommen die ieder jaar door de overheid aan de culturele activiteit worden besteed zijn de voorgestelde vrijstellingen voldoende gerechtvaardigd";
Dat dus de instellingen als bedoeld in artikel 44, § 2, 7° van het BTW-Wetboek vrijgesteld zijn omwille van hun educatieve of wetenschappelijke rol;
Overwegende dat artikel 3 van de statuten van eiseres bepaald :
"De vereniging heeft tot doel het aanleggen van siertuinen in België te bevorderen en hierdoor het tuintoerisme te stimuleren.
Zij streeft naar de verwezenlijking hiervan door alle middelen, waaronder voornamelijk :
1° Aanleg van modeltuinen in de Provincie Vlaams Brabant.
De toontuinen kunnen later worden uitgebreid tot alle andere provincies.
2° Het organiseren van vergaderingen, studiedagen en alle manifestaties welke het doel kunnen steunen.
3° Het huren of verwerven van om het even welke roerende en onroerende goederen om de activiteiten te ondersteunen.
4° Het uitgeven van boeken, tijdschriften, bladen en allerlei publicaties.
5° Het stichten en uitbaten van spijshuizen en drankgelegenheden.
6° Het inschakelen van de V.T.T. in de toeristische circuits van Vlaanderen en speciaal in de kunst-historische gemeente ….
Het integreren in werkverschaffingsprojecten voor het creëren van werkgelegenheid in de toeristische sector.";
Overwegende dat uit de statuten en andere neergelegde stukken blijkt dat de activiteit van eiseres, namelijk het tentoonstellen van modeltuinen, in essentie geen onderwijzende of educatieve bedoeling heeft, doch een commerciële rol in deze zin, dat men modellen van tuinen tentoonstelt opdat dergelijke siertuinen ook door de bezoekers zouden worden aangelegd en zij derhalve verkoopstimulerend is, terwijl anderzijds men hierdoor ook het toerisme sensu lato wil stimuleren;
Overwegende dat daarenboven de handelingen omschreven in artikel 3 van de statuten van eiseres worden verricht mits betaling;
Dat zo ondermeer inkomgeld wordt gevraagd aan de personen die de tentoongestelde siertuinen willen bezoeken;
Dat de opmerking van verweerder dat door eiseres op deze inkomgelden geen BTW wordt afgedragen, terzake niet relevant is en niets te maken heeft met de discussie of de vrijstelling van artikel 44, § 2, 7° van het BTW-Wetboek al dan niet van toepassing is;
Overwegende dat eiseres derhalve als een volledige BTW-belastingplichtige dient beschouwd en het verzet van eiseres voor zover gericht tegen de vordering aan rechten van … fr., met samenhangende boeten en intresten gegrond is.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Rechtdoende in eerste aanleg, op tegenspraak;
Verklaart het verzet ontvankelijk en gegrond zoals hierna bepaald;
Zegt voor recht dat eiseres de hoedanigheid bezit van belastingplichtige met recht op BTW-aftrek en zegt dat de aanspraken van verweerder inzake heffing, achterstallen BTW voor een bedrag van … fr., met de hiermee samenhangende boeten en intresten onverschuldigd is;
Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding, begroot in hoofde van eiseres op … fr. akte verzet en … fr. rechtsplegingsvergoeding en in hoofde van verweerder op … fr. rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gedaan en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de vijfde kamer der rechtbank van eerste aanleg, zitting houdende te Leuven op woensdag 24 september 1997, waar zetelden mevrouw H. D. P., alleensprekend rechter en mevrouw G. D. e.a. adjunct-griffier.
G. D. H. D. P.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.