Droit à déduction de l’impôt · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruxelles 19 octobre 2010

Rechercher
Texte en néerlandais

Droit à déduction de l’impôtTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-impot-tribunal-bruxelles-2010-10-19-3315

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruxelles
Date
19 octobre 2010

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

116 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruxelles du 19.10.2010

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 35ste Kamer

AR 2009/2502/A

- BTW

- op tegenspraak

- eindvonnis

In zake van :

De NV B. P. C., met zetel te …, …, KBO nr. …,

eisende partij,

vertegenwoordigd door Mr. W. D., advocaat met kantoor te …, …

tegen :

De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, administratie der directe belastingen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, voor wie optreedt de ontvanger van het BTW-ontvangkantoor Brussel 1, met kantoor te 1000 Brussel,

verwerende partij,

vertegenwoordigd door Mr. A. D., advocaat met kantoor te …, …

In deze zaak, in beraad genomen op 7/09/2010, wordt door de rechtbank volgend vonnis uitgesproken :

Gelet op :

- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 25/02/2009;

- de beschikking houdende de bepaling van conclusietermijnen genomen in toepassing van art. 747, § 2 Ger. W. d.d. 24/04/2009;

- de conclusies, aanvullende conclusies en syntheseconclusies voor verwerende partij, neergelegd ter griffie op respectievelijk 24/06/2009, 24/12/2009 en 6/04/2010;

- de conclusies en syntheseconclusies voor eisende partij neergelegd ter griffie op 21/09/2009 en op 24/02/2010;

- het bundel met stavingstukken van verwerende partij neergelegd ter zitting op 7/09/2010;

- het bundel met stavingstukken van eisende partij, neergelegd ter griffie op 24/02/2010;

Gehoord de partijen ter openbare zitting van 7/09/2010 waarna, de zaak in beraad werd genomen.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

1. FEITEN

Het geding heeft betrekking op een geschil inzake BTW.

N.a.v. een controle door de diensten van verweerder m.b.t. de periode 2004-2005 werd. o.m. vastgesteld dat eisende partij een appartement in een appartementsgebouw in oprichting, gelegen te … op de hoek van de … en de … (residentie …) had aangekocht waarvoor de BTW werd afgetrokken.

De controle werd vervolgens uitgebreid over de jaren 2005 en 2006.

Er werd ook vastgesteld dat de BTW werd afgetrokken op de aankoop van een kast.

Verder bleek dat het appartement bewoond werd door de heer R. V., vader van de heer J. V., zaakvoerder van eisende partij. Hij betaalde daartoe een huur van € 250,00 per maand.

Volgens eisende partij zou het om een conciërgewoning gaan.

Eisende partij verrichte evenwel geen diensten van conciërge voor derden; en de zetel van eisende partij is op een ander adres gevestigd.

Op 21/10/2008 werd een inregel stelling verstuurd naar eisende partij. Ook na een uitstel bleef een antwoord daarop uit.

Op 28/11/2008 werd vervolgens een proces-verbaal opgesteld. Daarin werden o.m. volgende inbreuken op de BTW wetgeving vastgesteld :

- aftrek van BTW op de aankoop van een appartement, aangemerkt als kijkwoning, in de residentie E. te …;

- de aftrek van BTW betaald op de aankoop van een schuifdeurkast waarvan de bestemming voor handelingen onderworpen aan de BTW niet werd aangetoond;

- de vordering van BTW op voordelen van alle aard op de privé terbeschikkingstelling van bedrijfswagens.

M.b.t. de sommen opgenomen in dat p.v. werd een dwangbevel uitgevaardigd op 11/12/2008 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 19/12/2008 en ter kennis gebracht aan eisende partij d.m.v. aangetekend schrijven d.d. 22/12/2008.

Volgens het dwangbevel is eisende partij verschuldigd aan verweerder :

BTW : € 32.388,05

Boetes : € 3.230,00

Interesten : p.m.

Op 25/02/2009 tekende eisende partij verzet aan tegen dit dwangbevel d.m.v. verzoekschrift neergelegd ter griffie van deze rechtbank

2. VOORWERP VAN DE VORDERING

De vordering van eisende partij strekt ertoe het dwangbevel RCIV nr. … Reg. 127/12249 uitgevaardigd op 11/12/2008 door de e.a. inspecteur van het BTW Brussel 1, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 19/12/2008 door de e.a. inspecteur aangewezen door de Gewestelijk directeur van de Administratie van de BTW te Brussel (1° directie) per aangetekend schrijven d.d. 22/12/2008 aan eisende partij ter kennis gebracht nietig te verklaren in de mate er meer gevorderd wordt dan € 1.180,93.

Te horen zeggen voor recht dat de bedragen vermeld in het dwangbevel ten titel van BTW, geldboeten en interesten niet verschuldigd zijn in de mate ze € 1.180,93 te boven gaan.

Verweerder te veroordelen tot de terugbetaling aan eisende partij van alle sommen die reeds door eisende partij betaald werden of door verwerende partij ingehouden werden op grond van voormeld dwangbevel dit in de mate die sommen de € 1.180,93 te boven gaan.

Verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

Verweerder concludeert tot de ongegrondheid van de vordering.

3. BEOORDELING

3.1. Ontvankelijkheid

De ontvankelijkheid van de vordering wordt niet betwist door verweerder.

Nu er ook geen ambtshalve gronden van niet-ontvankelijkheid voorhanden zijn dient de vordering ontvankelijk verklaard te worden.

3.2. Gegrondheid

Eisende partij voert aan dat :

- de schuifdeurkast wel degelijk een beroepsmatige uitgave vormt omdat ze geplaatst is in het bureau van de zaakvoerder die ook thuis actief verder werkt aan de dossiers van eisende partij.

- het modelappartement te beschouwen is als een bedrijfsmiddel, nl. een kijkwoning, waardoor de BTW de eisende partij daarover verschuldigd is aftrekbaar is.

- de boete haar niet kan worden opgelegd aangezien zij geen inbreuken beging op de BTW-wetgeving.

M.b.t de schuifdeurkast

Eisende partij argumenteert dat de aankoop van deze kast een beroepsmatige uitgave is nu de zaakvoerder van eisende partij thuis eveneens een kantoor heeft waaraan hij aan dossiers zou werken.

Om deze reden zou de BTW op de aankoopprijs (€ 283,76) volledig in aftrek kunnen worden gebracht.

Verweerder stelt dat alhoewel n.a.v. de controle verteld werd dat de kast in kwestie in het modelappartement werd geplaatst de verkoopovereenkomst voorziet dat ze diende geleverd en geplaatst op het privé-adres van de zaakvoerder van eisende partij.

Verder zou er tijdens de controle nooit gewag gemaakt zijn geweest van het feit dat de zaakvoerder van eisende partij thuis ook over een kantoor beschikt, evenmin zouden er kosten i.v.m. daarmee in mindering zijn gebracht.

Verder vertoont de kast in kwestie, zoals moet blijken uit de·bestelbon, de kenmerken van een kleerkast.

Uit de verkoopovereenkomst blijkt dat de kast bedoeld was voor in de privé woning van de heer J. V., en dat het eerder een slaapkamerkast lijkt te zijn.

Gelet op het feit dat n.a.v. de controle eerst werd voorgehouden dat de kast in het modelappartement werd geplaatst en vervolgens geen verduidelijkingen m.b.t. de kast meer werden gegeven besliste de Fiscale Administratie terecht dat het een privé-uitgave betreft, zeker nu eisende partij tot op heden geen afdoende bewijs van het beroepsmatig karakter ervan bijbrengt.

M.b.t het modelappartement

Eisende partij argumenteert dat dit een bedrijfsmiddel is (een kijkwoning) en dat de BTW die erop verschuldigd is aftrekbaar zou zijn in toepassing van art. 45, § 1 W.BTW.

Het is een bedrijfsmiddel omdat eisende partij door de aankoop van het appartement zou hebben mogen optreden als tussenpersoon bij de verkoop van appartementen gevestigd in de residentie E., en omdat dankzij die aankoop eisende partij geselecteerd werd voor de verkoop van de projecten van de NV N.. Vervolgens zou eisende partij via het architectenbureau dat samenwerkt met NV N., het kantoor ACE dan weer contracten gekregen hebben met promotoren zoals NV P. en NV J.G. P..

Voorts zouden potentiële kopers van een appartement een appartement gekocht hebben omdat eisende partij eigenaar was een modelappartement.

Ook de Administratie der directe· belastingen zou de kwalificatie als modelappartement hebben erkend door aan te nemen dat het modelappartement afschrijfbaar is.

Verweerder argumenteert dat het appartement in kwestie geen bedrijfsmiddel is.

Uit de feiten blijkt inzake dat het appartement in kwestie door eisende partij werd verhuurd en afgewerkt en ingericht werd volgens haar smaak. Hier dient er al onmiddellijk op gewezen dat er geen gelijkenis is met de feiten in de door eisende partij aangehaalde arresten van het Hof van Beroep van Gent d.d. 20/12/2005 en 6/03/2007.

In de aan de orde zijnde periode werden o.m. als bedrijfsmiddelen beschouwd de lichamelijke goederen die op duurzame wijze werden gebruikt in de onderneming als werkinstrumenten of exploitatiemiddelen (art. 6, § 1, KB nr. 3). Het betreft de roerende goederen (bv. computer) alsook de onroerende goederen (bv. kantoorgebouw), waarvan de herzieningstermijn respectievelijk op 5 en 15 jaar is vastgesteld.

Uit geen enkel stuk blijkt welk het maatschappelijk doel van eisende partij precies is. Dit heeft nochtans zijn belang om te kunnen nagaan of een goed voor eisende partij al dan niet een bedrijfsmiddel kan zijn.

Aangenomen mag worden dat het maatschappelijk doel van eisende partij het bemiddelen is bij de verkoop en bij de verhuur van onroerende goederen.

De rechtbank moet vaststellen dat gedurende de periode van de controle tot na het instellen van de vordering eisende partij naliet enig bewijs bij te brengen m.b.t. de bewering dat het appartement een model appartement en dus bedrijfsmiddel was.

De bewijswaarde van de thans bijgebrachte stukken (eigen verklaring en verklaringen klanten) is zeer twijfelachtig. Het betreft allen stukken met als datum de dag van de controle of nadien.

In alle redelijkheid dient benadrukt te worden dat eisende partij geen aannemer is die een bepaalt type woning (bijvoorbeeld appartement) bouwt. Het betreft een dienstverrichter die bemiddelt.

Nu elke woning in verband waarmee eisende partij bemiddelt anders is, ook een appartement kan een modelappartement geen bedrijfsmiddel zijn voor eisende partij omdat dit appartement nooit zal verkocht worden aan de klant. Het zal het appartement, aan de achterzijde zijn (of aan de voorzijde), op het gelijkvloers of op een verdieping en het is dat appartement dat de koper wil zien en geen ander.

Nu eisende partij ook geen aannemer is en instaat voor de afwerking (vloer, keuken, badkamer enz.) regelt de klant de afwerking ook niet met eisende partij.

Nu het appartement bovendien verhuurd is (aan de vader van de zaakvoerder van eisende partij) maakt dit het gebruikt van het appartement als model- of als kijkappartement nog onwaarschijnlijker.

Elke BTW-plichtige dient bovendien in principe een tabel der bedrijfsmiddelen bij te houden (art. 11, § 5 van KB nr. 3). De tabel der bedrijfsmiddelen is onlosmakelijk verbonden met rooster 83 van de BTW-aangifte (aankoop bedrijfsmiddelen).

Inzake wordt deze tabel niet neergelegd.

Uit de briefwisseling met de Administratie der directe belastingen blijkt -in tegenstelling tot hetgeen eisende partij voorhoudt- dat er eigenlijk geen enkel standpunt over het gebruik van het appartement wordt ingenomen.

Eisende partij toont zodoende niet op afdoende wijze aan dat het pand een bedrijfsmiddel is; overeenkomstig art. 45, § 1 W.BTW kan de·BTW belastingplichtige de belasting verschuldigd aan de hem op de aan hem geleverde goederen en verleende diensten slechts in aftrek brengen van de door hem verschuldigde belasting in de mate dat hij die goederen gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen of van andere handelingen welke vermeld zijn in dat artikel.

De uitoefening van het recht op aftrek is niet verworven door het enkele feit dat de uitgave als beroepskost wordt aangemerkt.

Nu er voorts geen betwisting bestaat over het feit dat het appartement in kwestie verhuurd werd aan de heer R. V., staat het vast dat dat appartement werd aangewend voor onroerende verhuur in de gecontroleerde periode. Vermits verhuring vrijgesteld is van BTW werd de BTW op de aanschaffingsprijs ten onrechte in aftrek gebracht.

De feiten die aan de orde zijn in het arrest van het Hof van Beroep van Gent d.d. 6/03/2007 waarnaar eisende partij verwijst zijn helemaal niet vergelijkbaar, zodat eisende partij onterecht naar dit arrest verwijst.

De redenering van eisende partij m.b.t. de notie kijkwoning waarbij verwezen wordt naar circulaire AFZ 24/2002 d.d. 6/12/2002 kan niet worden gevolgd.

Verweerder stelt terecht dat -in deze circulaire geen standpunt wordt ingenomen m.b.t. de notie kijkwoning.

Ook de verwijzing naar de BTW handleiding Hoofdstuk XI nr. 351 punt 3° kan niet worden bijgetreden. Het voorhouden dat de vader van de zaakvoerder van eisende partij tevens conciërge zou zijn is niet ernstig gelet op de feitelijke situatie (geen woning binnen de bedrijfsinstallatie gelet op de afstand tussen de zetel en het appartement in kwestie; het strikt verantwoord zijn voor de onderneming wordt niet aangetoond …).

M.b.t. de geldboete

Gelet op het voormelde werden er wel degelijk inbreuken gepleegd; verweerder kan gevolgd worden waar hij stelt dat de feiten en omstandigheden eerder op kwade trouw wijzen.

De geldboete werd dan ook terecht opgelegd.

Dit middel van eisende partij is ongegrond.

De vordering van eisende partij dient bijgevolg ongegrond te worden verklaard.

4. WAARDE VAN DE VORDERING EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING

Aangezien de vordering van eisende partij ongegrond is, worden de kosten van het geding, in overeenstemming met artikel 1017 van het gerechtelijk wetboek, ten laste gelegd van eisende partij.

Uit het dossier blijkt dat de waarde van het geschil zich situeert tussen € 20.000,01 en € 40.000,00.

Op grond van de waarde van het geschil kan deze vergoeding in toepassing van de bepalingen van het KB d.d. 26 oktober 2007 begroot worden op € 2.000,00. Nu geen der partijen een vordering instelt tot verhoging of verlaging van dit basisbedrag, kan dit bedrag toegekend worden.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van eisende partij ontvankelijk maar ongegrond;

Veroordeelt eisende partij tot betaling van de gedingkosten, begroot € 2.000,00 rechtsplegingsvergoeding aan de zijde van verwerende partij.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 35ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 19 oktober 2010

Waar aanwezig waren en zitting namen :

De heer M. L., rechter

Mevrouw I. D., griffier.

I. D. M. L.

Textes cités

2
AR no 3 art. 111 occurrence
AR no 3 art. 61 occurrence

Décisions similaires

8