Droit à déduction de l’impôt, paiement de l'impôt · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Hasselt 20 octobre 2011

Rechercher
Texte en néerlandais

Droit à déduction de l’impôt, paiement de l'impôtTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-impot-paiement-disposition-tribunal-hasselt-2011-10-20-3eaa

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Hasselt
Date
20 octobre 2011

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

88 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Hasselt du 20.10.2011

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER A, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :

IN ZAKE A.R. nr. 10/1701/A

A. BVBA, …, …, ondernemingsnummer ….

Eiseres, vertegenwoordigd door mr. V. H., advocaat te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, in de persoon van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.

ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN, in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het BTW­controlekantoor Houthalen-Helchteren, met burelen gevestigd te 3530 Houthalen­Helchteren, Vredelaan 31.

Verweerder, vertegenwoordigd door mr. K. L. loco mr. R. F., advocaat te …, … en de heer V. R., fiscaal deskundige - dienstdoende eerstaanwezend inspecteur - als gevolmachtigde.

VOLGT HET VONNIS :

Gelet op :

- het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 28.07.2010, met in bijlage kopie van het proces-verbaal van 01.06.2010;

- de conclusies en stukken van verweerder;

- de conclusies en stukken van eiseres.


I. FEITEN EN VOORGAANDEN

1. Eiseres is ingevolge de door haar uitgeoefende werkzaamheid van voegwerken en het reinigen van gevels geregistreerd als belastingplichtige onder BTW-nummer …. Zij is dan ook onderworpen aan de bepalingen van het BTW-wetboek en aan de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 26.02.2010 vond er door L. S., fiscaal deskundige bij de Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, verbonden aan het controle kantoor van de BTW te Houthalen-Helchteren, een BTW­controle plaats bij eiseres met betrekking tot de periode van 01.01.2009 tot en met 31.12.2009.

Bij deze controle werd vastgesteld dat een aantal facturen in de boekhouding van eiseres waren opgenomen die evenwel niet werden opgenomen in de BTW-aangiftes van enkele leveranciers van eiseres, in het bijzonder BVBA T.J.D. C..

Bij contactname met de leverancier BVBA T.J.D. C. bleek deze eiseres niet te kennen. Na verder onderzoek bleek dat op de facturen een bankrekeningnummer stond vermeld dat niet toebehoort aan de leverancier BVBA T.J.D. C.. Evenmin is het logo, de naam en het telefoon- en faxnummer correct. Ten slotte bleek de handtekening op de facturen niet de handtekening van de zaakvoerder van de leverancier BVBA T.J.D. C. te zijn.

Gelet op deze vaststellingen stelde de administratie een correctiegave op met betrekking tot de facturen van BVBA T.J.D. C.. Vervolgens deed ze een voorstel tot minnelijke regeling aan eiseres doch de raadsman van eiseres deelde mee hiermee niet akkoord te gaan.

Omdat eiseres niet akkoord ging met de correctieopgave werd van deze controle een proces-verbaal opgesteld door L. S. op 01.06.2010 (stuk 1 bundel verweerder).

Het recht op aftrek van BTW werd verworpen omdat eiseres niet in het bezit was van facturen uitgereikt overeenkomstig de artikelen 53, § 2 en 53octies W.BTW waarop de vermeldingen voorkomen bedoeld in artikel 5, § 1 van het KB nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de BTW.

Uit het proces-verbaal blijkt dat de belastingplichtige nog volgende bedragen verschuldigd blijft :

- … euro BTW;

- … euro aan administratieve geldboete gelijk aan het dubbel van de BTW overeenkomstig art. 70, §1bis BTW-wetboek;

- 0,80 % intresten per maand vanaf 21.01.2010 op de som van … euro overeenkomstig art. 91, §1 BTW-wetboek.

Dit proces-verbaal werd ter kennis gebracht van eiseres op 02.06.2010 (stuk 2 bundel verweerder).

2. Bij verzoekschrift op tegenspraak, ter griffie neergelegd door eiseres op 28.07.2010, stelde eiseres een vordering in.

Eiseres vordert :

- te zeggen voor recht dat haar beroep ontvankelijk en gegrond is;

- de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van alle bedragen die zij wederrechtelijk inhield op grond van het proces-verbaal van 1 juni 2010, verhoogd met de wettelijke intresten sedert de datum van het verzoekschrift, d.i. 27.07.2010;

- volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Europees Hof van Justitie :

- Schendt een Lid-Staat de artikelen 167 en 169 Rl. 2006/112 door de aftrek van BTW te verwerpen indien het om fictieve leveringen gaat doch dezelfde persoon de BTW over deze facturen tezelfdertijd ook afdroeg en de Staat aldus BTW-inkomsten behoudt ?

- Schendt een Lid-Staat de artikelen 167 e.v. Rl. 2006/112 door de aftrek van BTW te verwerpen omdat de betreffende facturen niet voldoen aan de wettelijke vereisten betreffende de vermeldingen die in de facturen moeten worden opgenomen ? Maakt het een verschil uit of de belastingplichtige terzake te goeder trouw was of niet ?

- de veroordeling van verweerder tot de gerechtskosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, begroot op … euro.

Verweerder verzoekt de vordering van eiseres af te wijzen als ongegrond en dienvolgens eiseres te veroordelen tot de gerechtskosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, begroot op … euro.

II. BEOORDELING

1. Ontvankeliikheid

Er worden door verweerder geen middelen van ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is dan ook ontvankelijk.

2. Ten gronde

2.1. Betreffende het recht op aftrek

De betwisting behelst de vraag of eiseres over kon gaan tot aftrek van de BTW met betrekking tot de facturen uitgereikt door BVBA M. S. en T.J.D. C.. Krachtens het op huidig geschil van toepassing zijnde art. 45, § 1 W.BTW waarin het beginsel van het recht op aftrek is vastgelegd, mag de belastingplichtige, op de belasting die hij verschuldigd is, in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten.

Opdat een belastingplichtige de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten zou mogen aftrekken, moet de belastingplichtige overeenkomstig art. 3 van het KB nr. 1 van 23.07.1969 in het bezit zijn van een door zijn leverancier of dienstverrichter uitgereikte regelmatige factuur waarop hem inzonderheid de opeisbare belasting wordt in rekening gebracht.

Krachtens voormeld art. 3 van het KB nr. 3 van 10.12.1969 moet eiseres aldus, om haar recht op aftrek te kunnen uitoefenen, in het bezit zijn van een factuur opgemaakt overeenkomstig art. 5, § 1 van het KB nr. 1 van 23.07.1969.

Bijgevolg moet eiseres in het bezit zijn van regelmatige facturen en kunnen facturen waarop de verplichte vermeldingen ontbreken geen aanleiding geven tot recht op aftrek tenzij blijkt dat die vermeldingen geen nut hadden voor de inning van de BTW en voor de controle erop door de administratie (zie H.v.J., 14 juli 1988, R.W., 1988-89, 309; Cass., 13 oktober 2000, F.J.F., 2000/297 en Cass., 19 september 1996, R.W., 1996-97, 1306; Cass, 13 oktober 2000, www.cass.be).

Uit het proces-verbaal van 01.06.2010 en bijlagen, waarvan de vaststellingen door eiseres niet worden weerlegd, blijkt dat aan deze voorwaarden niet voldaan is.

Met betrekking tot de facturen die werden opgenomen in de boekhouding van eiseres en waarbij de firma BVBA T.J.D. C. diensten zou hebben verstrekt aan eiseres, werden de volgende vaststellingen opgenomen :

- BVBA T.J.D. C. kent eiseres niet en stelt dat zij niet voor haar gewerkt heeft;

- het bankrekeningnummer dat vermeld is op deze facturen bestaat niet en behoort niet te aan de BVBA T.J.D. C.;

- telefoon- en faxnummer, vermeld op deze facturen zijn niet deze van de BVBA T.J.D. C.;

- de naamsvermelding van de firma is niet correct: tussen T.J.D. en C. wordt op deze facturen een verbindingsteken geplaatst;

- de handtekening die is vermeld op deze facturen is niet die van de zaakvoerder van de BVBA T.J.D. C..

Aangezien eiseres niet in het bezit is van facturen die uitgereikt zijn overeenkomstig de artikelen 53, § 2 en 53octies W.BTW waarop de vermeldingen voorkomen bedoeld in art. 5, § 1 van het KB nr. 1 heeft zij geen recht op aftrekt van de in aftrek gebrachte BTW en werd het recht op aftrek terecht verworpen.

Ten onrechte houdt eiseres voor dat de administratie haar aantijdingen omtrent de facturen niet bewijst. De administratie geeft in haar proces-verbaal van 01.06.2010 een duidelijke opsomming over welke facturen het gaat. In bijlage bij het proces-verbaal van 01.06.2010 is een proces-verbaal van vaststellingen van 30.03.2010 opgemaakt door de heer L. B.; e.a. inspecteur verbonden aan het BTW-kantoor te Waremme waarin door de boekhouder van de BVBA T.J.D. C. wordt bevestigd dat de betreffende facturen niet afkomstig zijn van de BVBA T.J.D. C.. Teven wordt er in bijlage een kopie van een origineel factuur van de BVBA T.J.D. C. bijgebracht waaruit het verschil in lay-out en vermeldingen blijkt.

De rechtbank is verder van oordeel dat de administratie haar bevoegdheid niet heeft overschreden door per fax. inlichtingen te vragen aan eiseres.

Ook pleegt de administratie geen inbreuk op haar beroepsgeheim door de facturen mee te delen aan de BVBA T.J.D. C.. De administratie is opzichtens derden gehouden door haar beroepsgeheim (zie art. 93bis, eerste lid W.BTW) doch de firma BVBA TJD C. kan in deze bezwaarlijk als een derde worden beschouwd.

Overmacht kan niet worden weerhouden in hoofde van eiseres. Eiseres is als handelaar bijzonder onvoorzichtig te werk gegaan. Uit het dossier blijkt dat eiseres gecontacteerd werd door twee personen, de genaamde B. en A., waarvan zij zich de achternamen niet meer kan herinneren. Deze heren boden haar Poolse werkkrachten aan om bepaalde werken voor haar in onderaanneming uit te voeren. De prestaties werden door eiseres "cash" betaald, zonder dat men aanvankelijk in het bezit was van een factuur. Er werden kwitanties opgesteld; allen uitgeschreven te …, die werden ondertekend met een niet nader de definiëren handtekening. Uit geen enkel gegeven blijkt dat eiseres rechtstreeks contact heeft opgenomen met de BVBA T.J.D. C.. Een dergelijke handelswijze van eiseres kan derhalve geen overmacht uitmaken.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat het voorliggende geschil kan opgelost worden zonder dat het stellen van de voorliggende prejudiciële vragen aan het Europees Hof van Justitie noodzakelijk is.

Tot slot kan de rechtbank niet akkoord gaan met de stelling van eiseres dat indien de facturen fictief zouden zijn en dus niet zouden beantwoorden aan werkelijke prestaties, de administratie de BTW die over de facturen werd afgedragen niet mag behouden. De verwezenlijking van een handeling die onderworpen is aan de BTW doet immers de verschuldigdbaarheid van de BTW ontstaan. De aftrek werd enkel verworpen omdat niet voldaan is aan de formele voorwaarden van art. 53, § 2 en 53 octies W.BTW en art. 5, § 1 van het KB nr. 1.

2.2. Betreffende de boete

Eiseres is van oordeel dat de opgelegde boete van 200 % onevenredig is met de begane overtreding en verzoekt de rechtbank ze te herleiden.

De rechter kan met volle rechtsmacht oordelen over de door de administratie opgelegde geldboete (zie E.H.R.M., 4 maart 2004, T.F.R., 2004, nr. 264, 636; Arbitragehof, 24 februari 1999 en 12 juni 2002, R.W., 1998-99, 1346).

De rechter aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van art. 70 W.BTW te toetsen, mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. Hierbij mag hij inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie. Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (zie Cass. 21 januari 2005, R.W., 2005-2006; 1015).

De rechter moet kunnen nagaan of de straf niet onevenredig is met de overtreding en in voorkomend geval de administratieve sancties verminderen. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt immers in dat bij de voorbereiding en bij het nemen van een overheidsbesluit alle relevante factoren en omstandigheden worden afgewogen; als materiële component zit hierin onder meer vervat dat de voor de belanghebbende nadelige gevolgen niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelstellingen.

De sanctiemaat mag dus niet onevenredig zijn in verhouding tot de handhavings- en repressiedoelstellingen, waarbij de ernst van de overtreding de eerste wegingsfactor van belang blijft. De beslissing kan wel op zorgvuldigheid (inclusief evenredigheid) worden getoetst, maar niet op loutere opportuniteit en billijkheid (bijv. verzachtende omstandigheden) (zie conclusie advocaat-generaal Thijs bij Cass., 21 januari 2005, R.W., 2005-2006, 1015).

De rechtbank stelt vast dat ingevolge de wettelijke bepalingen (meer bepaald art. 70, § 1 bis W.BTW) de verschuldigde boete 200 % bedroeg, zijnde … euro.

De uitsluiting van de opportuniteitsbeoordeling kan evenwel niet tot gevolg hebben dat deze boete niet kan worden verminderd.

In casu dient te worden nagegaan of de opgelegde boete van … euro in verhouding staat met de concrete gegevens van de zaak.

Het staat vast dat de gevorderde administratieve boete verschuldigd is door de loutere overtreding, hetgeen door eiseres niet betwist wordt, en dit ongeacht de goede trouw die eiseres inroept.

Het is op grond van de hoger geciteerde feitelijkheden duidelijk dat eiseres bijzonder onnauwkeurig en onvoorzichtig heeft gehandeld. Zij dient de gevolgen te dragen van haar gebrek aan zorgvuldigheid.

Nu de geldboete werd opgelegd voor een niet-intentioneel begane fout (kwade trouw wordt immers niet vermoed en wordt te dezen ook niet bewezen) maar voor een fout welke is te wijten aan een vergaande onvoorzichtigheid van eiseres, sluit in de gegeven omstandigheden het opleggen van een geldboete van … euro, zijnde 10 % beter aan bij de feiten.

De vordering van eiseres is op dit punt gegrond.


Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S., 31.05.2007} en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art. 13 en 14).

Partijen hebben ter zake standpunt ingenomen.

In casu wordt de in het proces-verbaal van 01.06.2010 gestelde fiscale vordering betwist.

Deze vordering is in geld waardeerbaar en de rechtbank bemerkt geen enkele reden om af te wijken van het basisbedrag.


De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.


Dispositif

OM DEZE REDENEN :

De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak,

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en in volgende mate gegrond,

Zegt voor recht dat de geldboete, zoals voorzien in het proces-verbaal van 01.06.2010, wordt herleid tot 10 %, zijnde … euro.

Veroordeelt verweerder tot ¼ van de kosten van het geding en begroot deze kosten aan de zijde van eiseres op … euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer A, op het gerechtshof te Hasselt op 20.10.2011, alwaar aanwezig waren :

L. P. M. C.

Textes cités

4
AR no 1 art. 53 occurrences
AR no 3 art. 31 occurrence
CTVA art. 701 occurrence
CTVA art. 911 occurrence

Décisions similaires

8