Disposition pénale, amende administrative · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruxelles 2 novembre 2010

Rechercher
Texte en néerlandais

Disposition pénale, amende administrativeTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-tribunal-bruxelles-2010-11-02-ee1c

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruxelles
Date
2 novembre 2010

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

113 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruxelles du 02.11.2010

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 33ste Kamer

AR 2008/16864/A

- BTW

- op tegenspraak

- eindvonnis

In zake van :

De heer T. V., wonende te …, …,

eisende partij,

vertegenwoordigd door Mr. L. K., loco Mr. N. D. B. advocaat met kantoor te …, ….

tegen :

De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, administratie der directe belastingen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, voor wie optreedt de ontvanger van het BTW ontvangkantoor Vilvoorde, met kantoren te 1800 Vilvoorde, Groenstraat nr. 51,

verwerende partij,

vertegenwoordigd door Mr. K. V. loco Mr. F. C., advocaat met kantoor te …, …

In deze zaak, in beraad genomen op 8/10/2010, wordt door de rechtbank volgend vonnis uitgesproken :

Gelet op :

• het gedinginleidend verzoekschrift neergelegd ter griffie op 19/12/2008;

• de beschikking houdende de bepaling van conclusietermijnen genomen in toepassing van art. 747, § 2 Ger. W. d.d. 13 maart 2009;

• de conclusies en syntheseconclusies voor verwerende partij, neergelegd ter griffie op respectievelijk 10/09/09 en op 9/03/2010;

• de conclusies voor eisende partij neergelegd ter griffie op 10/12/2009;

• het bundel met stavingsstukken van verwerende partij neergelegd ter zitting op 8/10/10;

• het bundel met stavingstukken van eisende partij, neergelegd ter zitting op 8/10/10;

Gehoord de partijen ter openbare zitting van 8/10/2010 waarna, de zaak in beraad werd genomen.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken,

1. FEITEN

Het geding heeft betrekking op een geschil inzake BTW.

N.a.v. een controle door de diensten van verweerder m.b.t. de periode 1/01/2005 - 31/12/2006 werden door de optredende ambtenaar, althans naar zijn mening, inbreuken vastgesteld op de bepalingen van het KB nr. 20 d.d. 20/07/1970 tot vaststelling van de tarieven van de BTW en tot indeling van de goederen en de diensten bij de tarieven.

Er werd een correctieopgave opgesteld die op 4/07/2008 voor akkoord aan de belastingplichtige werd verzonden.

Bij schrijven d.d. 10/09/2008 verklaarde eisende partij zich niet akkoord met de correctieopgave en liet ze haar grieven m.b.t. die regularisatieopgave geworden.

Omdat er geen akkoord tussen eisende partij en verweerder tot stand kwam stelden de diensten van verweerder een proces-verbaal op aangaande de overtredingen van de BTW-wetgeving en een proces-verbaal van vaststelling op 13 oktober 2008.

Vervolgens werd op 3 december 2008 een dwangbevel uitgevaardigd door de Fiscale Administratie dat op 10 december 2008 middels tussenkomst van een gerechtsdeurwaarder werd betekend aan eisende partij.

Volgens dit dwangbevel zou eisende partij volgende BTW-schuld hebben bij verweerder :

BTW : € 12 984,36

Geldboeten : € 2590,00

Interesten : p.m.

D.m.v. verzoekschrift. neergelegd ter griffie op 19/12/2008 stelde eisende partij een vordering in rechte in en tekende eisende partij verzet aan tegen dit dwangbevel.

Voor de behandeling van dit geschil zijn voorts nog relevant dat eisende partij als verkoper van ijsjes, frisdrank, koffie e.d. op een stand in het Shopping Center te Anderlecht BTW-belastingplichtige is. In het kader van de uitbating van de zaak worden zowel waren geleverd die door de klant worden meegenomen als waren die ter plaatse worden geconsumeerd. Op beide leveringen is een verschillend BTW-tarief van toepassing (6 % op de leveringen van mee te nemen goederen en 21 % op de levering van de ter plaatste geconsumeerde goederen).

Sedert jaar en dag gaf eisende partij 76% van omzet aan als onderworpen aan het tarief van 6 % en de rest aan het tarief van 21 %.

2. VOORWERP VAN DE VORDERING

De vordering van eisende partij strekt ertoe het dwangbevel d.d. 3/12/2008 betekendop 10/12/2008 te horen vernietigen en te horen zeggen voor recht dat de bedragen erin vermeld ten titel van BTW, geldboeten en interesten niet verschuldigd zijn.

In ondergeschikte orde vordert eisende partij de opgelegde boete geheel of gedeeltelijk te horen kwijtschelden.

Zij vordert tevens de veroordeling van verweerder tot de terugbetaling van alle op grond van voormeld dwangbevel reeds uitgevoerde betalingen of ingehouden bedragen ten titel van BTW, boetes of interesten meer wettelijke en gerechtelijke interesten en tot de betaling van de kosten van het geding.

Verweerder concludeert tot de ongegrondheid van de vordering.

3. BEOORDELING

3.1. Ontvankelijkheid

De ontvankelijkheid van de vordering wordt niet betwist door verweerder.

Nu er geen ambtshalve gronden van niet-ontvankelijkheid voorhanden zijn dient de vordering ontvankelijk verklaard te worden.

3.2. Gegrondheid

Eisende partij voert aan dat :

- de Fiscale Administratie niet aantoont dat de aangiften van eisende partij fout zouden zijn;

- de beginselen van behoorlijk bestuur zouden geschonden zijn;

- de opgelegde geldboete kwijtgescholden dient te worden.

M.b.t. de bewering dat de Fiscale Administratie niet aantoont dat de aangiften van eisende partij fout zouden zijn.

Eisende partij argumenteert dat de Fiscale Administratie niet aantoont dat de aangiften van eisende partij fout zouden zijn.

De Fiscale Administratie dient namelijk volgens eisende partij aan te tonen dat de verdeelsleutel die zij in haar aangifte toepaste verkeerd is.

Door te verwijzen naar het dagboek van ontvangsten en voor het overige de boekhouding als niet bewijskrachtig te beschouwen is dit niet het geval. Immers, wanneer de boekhouding wordt verworpen en slechts bepaalde elementen weerhouden worden zijn dit in het beste geval feitelijke vermoedens en deze zijn pas bewijskrachtig wanneer ze gewichtig, bepaald en met elkaar overeenstemmend zijn.

Inzake zou de Administratie zich op één vermoeden baseren dat dan nog door andere feitelijke elementen in het dossier wordt tegengesproken zoals de verdeelsleutel die de voorgaande jaren werd toegepast en de aangiftes die eisende partij in de betrokken periodes toediende.

Ook zouden de beginselen van behoorlijk bestuur geschonden zijn, met name het vertrouwensbeginsel omdat n.a.v. een controle in ... 1991 met de Administratie zou zijn overeengekomen om de inkomsten voor de bepaling van het BTW-tarief forfaitair uit te splitsen. Dit kan niet retroactief in vraag worden gesteld. Bovendien is door het twintig jaar toe te staan een vertrouwen gewekt.

Art. 1 KB nr. 20, versie .zoals van toepassing tijdens de gecontroleerde periode, luidt :

"De belasting over de toegevoegde waarde wordt geheven :

1° tegen het tarief van 6 % voor de goederen en diensten aangewezen in tabel A van de bijlage bij dit besluit;

2° tegen hei tarief van 12 % voor de goederen en diensten aangewezen in tabel B van de bijlage bij dit besluit,

3° tegen het tarief van 21 % voor alle andere goederen en diensten bedoeld in het wetboek”.

Art. 14, § 1 KB nr. 1 d.d. 29/11/1992 bepaalt dat belastingplichtigen een aan de omvang van hun activiteiten aangepaste boekhouding dienen te voeren om de BTW te kunnen toepassen en controleren.

Art. 14, § 2, 3° van datzelfde KB bepaalt dat de boekhouding van de belastingplichtige o.m. een dagboek per bedrijfszetel dient te bevatten waarin de ontvangsten ingeschreven worden waarvoor ze niet verplicht zijn een factuur uit te reiken en waarvoor ze geen factuur hebben uitgereikt.

Luidens art. 15, § 2, 1° van het KB nr. 1 d.d. 29/11/1992 moeten de inschrijvingen m.b.t. de boekhouding gesteund zijn op verantwoordingsstukken die gedateerd zijn en waarvan een origineel of een dubbel dient te worden bewaard.

Art. 15, § 4, 4° lid bepaalt dat wanneer de ontvangsten onderworpen zijn aan verschillende tarieven ze per tarief worden ingeschreven en dat 'in de gevallen en ouder de voorwaarden die ze bepalen, kan door of vanwege de Minister van Financiën nochtans van dit voorschrift worden afgeweken door toe te staan dat de ontvangsten worden ingeschreven zonder onderscheid te maken naargelang het belastingtarief en dat aangepaste methodes worden aangewend voor het uitsplitsen van deze ontvangsten per tarief.

Inzake blijkt uit de vaststellingen die in dit dossier werden gedaan dat eisende partij geen kasregister had en dat de in het ontvangstenboek opgenomen ontvangsten niet gestaafd zijn door enig verantwoordingsstuk (art. 14, § 2, 3° KB nr. 1 d.d. 29/11/1992 en art. 15, § 2, 1° KB nr. 1 d.d. 29/11/1992) (stuk 1 bundel verweerder; proces-verbaal d.d. 8/10/2008).

Wat eisende partij wel deed was in het ontvangstendagboek dagelijks een globaal bedrag invullen dat dan via een verdeelsleutel 60 %/40 % werd opgesplitst (60 % werd aangegeven aan het tarief van 6 % en 40 % aan het tarief van 21 %).

Bovendien werd nadien in de BTW-aangifte van eisende partij op de in het ontvangstenboek ingeschreven ontvangsten aan het BTW-tarief van 21 % andermaal een verdeelsleutel van 2/5de/3/5de toegepast waardoor uiteindelijk 76 % van de ontvangsten aan het BTW-tarief van 6 % werden aangegeven en 24 % van de ontvangsten aan het BTW-tarief van 21 %.

Eisende partij geeft hiervoor als uitleg dat er bij eerdere BTW nazichten geen opmerkingen werden gemaakt over de verkeerd toegepaste verdeelsleutel.

Eisende partij brengt evenwel geen 'direct' bewijs van een 'overeenkomst' dienaangaande bij.

De controle d.d. 1999 waarnaar eisende partij verwijst kan niet in aanmerking worden genomen. Dit was enkel een regularisatie van BTW na een controle inzake directe belastingen. Er werd in dat kader geen controle uitgevoerd maar enkel een, berekening gemaakt op grond van door eisende partij aan de administratie der directe belastingen verstrekte cijfers.

M.b.t. de controle d.d. 1991 waarnaar eisende partij ook verwijst kan de rechtbank uit de "compte rendu de controle" (stuk 7 bundel verweerder) wel afleiden dat de fiscale administratie de laatste keer dat zij een ernstige BTW controle uitvoerde bij eisende partij (... in 1991 (!)) aanvaardde dat er door eisende partij een opsplitsing à rato van 3/5de/2/5de van de ontvangsten werd gemaakt.

Uit datzelfde stuk blijkt ook dat m.b.t. de toen gecontroleerde periode blijkbaar wel een bewijskrachtige boekhouding werd gevoerd en dat de nodige stukken werden bijgehouden; minstens dat er geen opmerkingen dienaangaande werden gemaakt.

Hoe dan ook, de administratie kan af kon nooit het vertrouwen wekken dat ze zal afzien van de toepassing van de wet.

Tenzij in geval vaneen discretionaire beoordelingsbevoegdheid mag de administratie steeds terugkomen op eerder ingenomen standpunten indien daarbij de wet wordt toegepast.

Voor de berekening van de verschuldigde belasting steunde de Fiscale Administratie zich op de in het dagboek van ontvangsten van eisende partij gedane inschrijvingen waarbij een verdeelsleutel 60/40 werd toegepast.

Er is geen sprake vaneen gevolgtrekking op een vermoeden; integendeel wordt er gesteund op feiten namelijk de door eisende partij gedane inschrijvingen in zijn dagontvangstenboek.

Het middel van eisende partij is ongegrond.

M.b.t. de boete (t.b.v. € 2.500,00).

De inzake in toepassing van art. 70, § 1 en opgelegde boete is een administratieve sanctie.

Krachtens artikel 70, § 1, van het BTW-wetboek, wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet-tijdig betaalde belasting.

De verplichting tot het betalen van een boete vindt haar oorsprong in de wet en is verbonden aan het materieel feit der overtreding.

Krachtens artikel 84 van dat wetboek, wordt binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

In toepassing van artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten werd de boete inzake door de fiscale administratie verminderd.

De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administrtatieve geldboete van zodanige omvang.

De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie. Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (vgl. Cassatie 13/02/2009, arrest nr. F.06.0106.N, www.cass.be ).

Inzake wordt niet aangetoond dat de opgelegde sanctie in strijd zou zijn met dwingende rechtsregels van het internationale recht of fundamentele algemene rechtsbeginselen.

De rechter kan niet alleen een wettigheidscontrole doorvoeren maat heeft ook een toetsingsrecht dat hem toelaat na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk.

Uit het dossier blijkt dat de gesanctioneerde inbreuken o.m. inbreuken zijn op het KB nr. 20 d.d. 20/07/70 tot vaststelling van de tarieven van de BTW en tot de indeling van goederen en diensten bij die tarieven.

Het is aan de rechtbank niet toegelaten om loutere redenen van billijkheid of opportuniteit de door de wet opgelegde geldboete te verminderen of kwijt te schelden (vgl. Cass., 21 januari 2005, www.cass.be ).

Een boete van € 2.500,00 komt evenwel verantwoord voor in voorliggende zaak volgens de rechtbank.

De boete dient een zekere omvang te hebben wil zij een ontmoedigend karakter hebben.

Dit middel van eisende partij is ongegrond.

De vordering van eisende partij dient bijgevolg ongegrond te worden verklaard,

4. WAARDE VAN DE VORDERING EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING

Aangezien de vordering van eisende partij ontvankelijk is maar ongegrond, worden de kosten van het geding, in overeenstemming met artikel 1017 van het gerechtelijk wetboek, ten laste gelegd van eisende partij.

Uit het dossier blijkt dat partijen het erover eens zijn dat (in toepassing van de bepalingen van het KB d.d. 26 oktober 2007) de rechtplegingsvergoeding op €1.100 dient te worden begroot

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,

Verklaart de vordering van eisende partij ontvankelijk maar ongegrond;

Veroordeelt eisende partij tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerder begroot op € 1.100,00 rechtplegingsvergoeding;

Aldus gevonnist en uitgesproken ter buitengewone openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 2 november 2010.

Waar aanwezig waren en zitting namen :

De heer M. L., rechter

Mevrouw I. D., griffier.

I. D. M. L.

Textes cités

6
AR no 1 art. 142 occurrences
AR no 1 art. 152 occurrences
AR no 20 art. 11 occurrence
AR no 41 art. 11 occurrence
CTVA art. 701 occurrence
CTVA art. 841 occurrence

Décisions similaires

8