Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 02.04.2013
Résumé non fourni
Texte de l’arrêt
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
Hof van beroep te Gent – 5e kamer
Nr. 2012/AR/84
in de zaak van :
Het A. G. S. O., met maatschappelijke zetel te …, …; ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer …,
appellant,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. V. Q. K. loco mr. M. M., advocaat te … (…), …
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de e.a. inspecteur a.i./rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Oostende, waarvan de burelen gevestigd zijn te 8400 Oostende, Vrijhavenstraat 1,
geïntimeerde,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door de heer J. D. B., inspecteur bij een fiscaal bestuur verbonden aan de Cel Geschillen BBI Gent, Gaston Crommenlaan 6/801 te 9050 Ledeberg (Gent),
spreekt het Hof het volgend arrest uit :
1. Bij fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge op 24.6.2010 bestreed de appellant het dwangbevel (RCN nr. …) op zijn naam, uitgevaardigd door E. D. D., e.a. inspecteur a.i. van het BTW-ontvangkantoor te Oostende op 16.12.2009, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 17.12.2009 door P. L., wnd. Directeur, aangewezen door de gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde te Brugge.
In dit dwangbevel werd opgenomen als schuld ten laste van de appellant : een bedrag van … EUR aan BTW + een geldboete krachtens artikel 70, § 1bis BTW-wetboek van … EUR, meer … EUR intresten, te vermeerderen met de intrest van 0,80 % per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21.12.2009, de moratoire intrest over de nog verschuldigde geldboeten die loopt vanaf de betekening of de kennisgeving van het dwangbevel ingevolge artikel 91, § 4 BTW-wetboek, de vervolgingskosten.
Het bezwaar van de appellant dat hij voordien overeenkomstig artikel 84 BTWwetboek had ingediend, werd afgewezen bij beslissing van 17.5.2010 van de ambtenaar gedelegeerd door de gewestelijke directeur te gewestelijke directie BBI Gent.
Voor de eerste rechter vorderde de appellant dat voor recht zou worden gezegd dat het bestreden dwangbevel nietig is en geen enkel rechtsgevolg kan sorteren, minstens dat de vordering van de administratie zou worden herleid met het bedrag aan registratierechten dat de administratie reeds heeft ingevorderd op de vermeende waarde van de bestaande constructies hetzij … EUR, minstens dat de nietigheid van de opgelegde BTW-boete zou worden uitgesproken, hetzij het uitstellen van de invordering van de opgelegde BTW boete zou worden toegestaan. Verder vorderde de appellant dat de administratie zich zou zien en horen veroordelen tot de terugbetaling van alle ingevorderde bedragen lastens de appellant, meer de intresten.
Bij vonnis van 8.11.2011 van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, vierde kamer, werd de vordering van de appellant ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard, werd voor recht gezegd dat de door de geïntimeerde gevorderde BTW ten bedrage van … EUR gegrond is, werd voor recht gezegd dat het bestreden dwangbevel ongegrond is voor het gedeelte van de administratieve boete dat een bedrag van … EUR overtreft. De rechtbank beveelt dienvolgens de geïntimeerde om over te gaan tot terugbetaling aan de appellant van elk bedrag dat werd geïnd boven het gedeelte van het genoemde dwangbevel dat gegrond werd bevonden, te vermeerderen met de verwijlintresten aan de wettelijke rentevoet vanaf de inning of de inhouding, daarin begrepen zijnde de gerechtelijke rente vanaf datum dagvaarding tot op datum van volledige betaling. De appellant werd van het overige afgewezen. Elk van de partijen werd veroordeeld in de eigen gerechtskosten.
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Gent op 9.1.2012 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het voormelde vonnis.
Het blijkt niet dat dit vonnis werd betekend of dat de appellant er in zou hebben berust.
Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.
Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis te horen vernietigen en te zien en te horen zeggen voor recht dat het bestreden dwangbevel nietig is en geen enkel rechtsgevolg kan sorteren, minstens de vordering van de administratie te horen herleiden met het bedrag aan registratierechten dat de administratie reeds heeft ingevorderd op de vermeende waarde van de bestaande constructies hetzij … EUR, minstens een deskundige te horen aanstellen met als opdracht de grondwaarde en de waarde van de gesloopte bestaande constructies te berekenen, minstens de nietigheid van de opgelegde BTW-boete te horen uitspreken, hetzij het uitstel van de invordering van de opgelegde BTW-boete te horen toestaan, dienvolgens de administratie zich te zien en te horen veroordelen tot de terugbetaling van alle ingevorderde bedragen lastens de appellant meer de intresten.
De geïntimeerde van zijn kant heeft incidenteel beroep ingesteld tegen de beslissing van de eerste rechter om de opgelegde boete van 20 % van de rechten (… EUR) te herleiden tot 10 %. De geïntimeerde vordert dat het hoger beroep ongegrond zou worden verklaard en de vordering van de geïntimeerde zou worden vastgesteld op de bedragen vermeld in het aan de appellant betekende dwangbevel en hem in zijn eis af te wijzen. Verder vordert de geïntimeerde dat het bestreden vonnis zou worden vernietigd in zoverre het de opgelegde boete van 20 % van de rechten herleidde tot 10 %.
2. Het blijkt dat de stad … eigenaar was van de terreinen en gebouwen genaamd het "F.-en C.", gelegen op het … te …, en het plan had opgevat onder meer deze eigendom te laten herontwikkelen tot duurzame projecten welke bijdragen tot een verruimd stedelijk (handels)centrum en waarbij de stad … haar beleid inzake wonen, toerisme, cultuur en economie op geïntegreerde wijze implementeert (zie de raamovereenkomst, stuk 3 van de appellant).
Voor de realisatie van haar project deed de stad … beroep op de appellant en sloot zij onder meer op 29.9.2003 een raamovereenkomst af (hierna afgekort PPS). Uit deze raamovereenkomst is onder meer af te leiden, dat de stad … de eigendom van. het voormelde goed zou overdragen aan de appellant, en dat de appellant een recht van opstal aan de tijdelijke handelsvennootschap THV F.- en C. zou verlenen op de gronden en gebouwen van het F.- en C..
Uit de raamovereenkomst kan ook worden afgeleid dat het project zou worden gerealiseerd (door de THV F.- en C.) op een terreinoppervlakte van ca. 3.600 m2 en zou voorzien in volgend bouwprogramma :
"
• Winkelzone op het gelijkvloers en de eerste verdieping, deels in het oude F.-en C., deels in de nieuwbouw op te trekken op de hoek van de … en de … (voormalige KBC) en een nieuwbouw op de hoek van het … en de …. Het concept voorziet in het maken van een verbinding tussen de … en het … in een overdekte mall. De winkelunits worden flexibel ingedeeld conform de verhuur. Het bestaande F.- en C. wordt gestript, de gevels blijven bewaard en worden gerenoveerd. De bestaande patio wordt uitgebreid op het gelijkvloers en overdekt.
• Woonprogramma om de niveaus +2 t.e.m. +4 gesitueerd omheen de overdekte patio en bereikbaar via diverse stijgpunten.".
Bij notariële akte van 22.12.2005 (stuk 4 van de appellant) heeft de appellant aan de THV F.- en C. met het oog op de realisatie van het project een recht van opstal verleend. Uit deze akte kan nuttig worden aangehaald :
• "
1. Partijen verklaren dat zij heden voor instrumenterende notaris zijn verschenen om in uitvoering van de tussen hen afgesloten overeenkomst publiek-private samenwerking van negenentwintig september tweeduizend en drie, het recht van opstal uit te werken dat wordt verleend door het Autonoom Gemeentebedrijf S. … aan de naamloze vennootschappen ING R. B. en W. P. D., samen optredend als de tijdelijke handelsvennootschap THV F. -EN C..
Dit recht van opstal wordt gevestigd op het grondvlak en het gebouw van het stedelijk 'F.- en C." te …, gelegen aan het …, de … en de …, en op een perceel bouwgrond gelegen te …, …, welke goederen hierna verder worden omschreven en sluit aan bij het eerder verleende bouwrecht dat door het AGSO aan de THV F. -en C. werd verleend en die op basis hiervan reeds werken heeft uitgevoerd conform de PPS-overeenkomst tussen partijen. Deze laatste overeenkomst blijft onverminderd van kracht.
2. De opstalhouder heeft het inzicht op haar kosten op zelfde percelen de reeds aangevangen constructiewerken voor de oprichting van een onroerend complex genoemd "Residentie F. -en C.", bestaande uit een winkelzone en een woonzone verder te zetten, welke percelen toebehoren aan de voormelde grondeigenaar.
3. De grondeigenaar wil meewerken aan de verdere realisatie van het project door toelating te geven aan voornoemde opstalhouder om het nieuwe complex verder tot stand te brengen, waarbij zelfde grondeigenaar zuiver en eenvoudig zal verzaken ten voordele van zelfde opstalhouder aan het recht van natrekking haar toebehorende krachtens artikelen vijfhonderd zesenveertig, vijfhonderd eenenvijftig en volgende van het Burgerlijk Wetboek, en dit ten titel van recht van opstal.
4. Het op te richten complex zal nabeschreven bouwgrond als erve hebben die de juridische basis zal vormen van alle privatieve kavels in zelfde complex. "
• "
De grondeigenaar-opstalgever, het Autonoom Gemeentebedrijf met rechtspersoonlijkheid "S. …" verklaart aan ·de THV F. -en C., die bij monde van haar vertegenwoordigers aanvaardt :
1. dat zij in datum van zeventien mei tweeduizend en vijf een bouwrecht heeft verleend aan de THV F. -en C., waarbij huidig opstalrecht aansluit.
2. toelating te verlenen om op de omschreven percelen de nieuwe gebouwen van het onroerend complex "Residentie F. -en C." verder tot stand te. brengen volgens de goedgekeurde plannen en de stedenbouwkundige vergunning de dato elf april tweeduizend en vijf en de plannen die het voorwerp uitmaken van de aanvraag stedenbouwkundige vergunning in datum van zeven december tweeduizend en vijf en alle latere bekomen of te bekomen vergunningen, de bepalingen van de basisakte met medegaande reglement van mede-eigendom en de eventuele aanvullingen op deze basisakte en aangehechte plans die zal worden verleden voor het ambt van de instrumenterende notaris B. v. O. en waarbij dit onroerend complex zal worden onderworpen aan het bijzonder stelsel der mede-eigendom volgens artikelen vijfhonderd zevenenzeventig - drie tot en met vijfhonderd zevenenzeventig - veertien van het Burgerlijk Wetboek.
3. zuiver en eenvoudig te verzaken ten voordele van zelfde opstalhouder, die bij monde van haar vertegenwoordiger aanvaardt, aan het recht van natrekking haar toekomende krachtens artikelen vijfhonderd zevenenveertig, vijfhonderd eenenvijftig en vijfhonderd tweeënvijftig van het Burgerlijk Wetboek, en dit ten titel van recht van opstal.
Na voorgaande uiteenzetting verklaart de opstalgever, onder de hierna gespecificeerde voorwaarden, een opstalrecht te hebben verleend aan de opstalhouder, die verklaart dit te hebben aanvaard hoofdelijk en met ondeelbaarheid tussen zijn rechtsopvolgers, met betrekking tot volgende eigendommen :
STAD ….
1.Het grondvlak en het gebouw van het stedelijk F.- en C. in …, gelegen aan het …, de … en de …, met een oppervlakte ".
• "
VOORWAARDEN VAN HET OPSTALRECHT
Artikel 1
Dit recht van opstal wordt beheerst door de bepalingen van de wet van tien januari achttienhonderd vierentwintig, in de mate dat van deze bepalingen niet wordt afgeweken door onderhavige overeenkomst.
Partijen verklaren de modaliteiten van dit recht van opstal te hebben vastgelegd als volgt : de opstalgever verleent aan de opstalhouder, die zulks aanvaardt, een opstalrecht voor een periode van vijf (5) jaar. Bij het verstrijken van de termijn waarvoor onderhavig opstalrecht is verleend, zal het opstalrecht automatisch worden verlengd tot aan de verkoop van het laatste onderdeel van het project.
Het recht van opstal neemt een aanvang op heden, om, behoudens vernieuwing en/of verlenging, van rechtswege te eindigen op tweeëntwintig december tweeduizend en tien.
Artikel 2. Voorwerp van het recht.
a) Voorwerp.
Het recht van opstal verleent aan de opstalhouder het recht op de grond, na afbraak en/of verbouwing van de thans bestaande gebouwen voor eigen rekening en conform het geldende Bijzonder Plan van Aanleg een onroerend complex te bouwen om alzo het tijdelijk eigendomsrecht op de nieuwe toekomstige gebouwen te verkrijgen.
Dit onroerend complex dat tevens de huidige gebouwen gekend als "KBC" gelegen op de hoek van de … en de … en "W.", gelegen op de hoek van de … en de …, reeds verworven door de opstalhouder, zal omvatten, zal bestaan uit :
- een winkelzone op het gelijkvloers en de eerste verdieping, deels in het oude F. -en C., deels in een nieuwbouw op te trekken op de hoek van het … en de …, waarbij een verbinding zal worden gemaakt tussen de … en het … in een overdekte mall.
- woongelegenheden op de niveau 's +2 tot en met +4, gesitueerd omheen een overdekte patio.
Het tijdelijk eigendomsrecht op de toekomstige constructies geldt voor de volledige duur van het opstalrecht.
Bijgevolg zal de opstalhouder ze als onroerende goederen voor de duur van het opstalrecht met hypotheek mogen bezwaren en vervreemden, mits de opstalgever daarvan te verwittigen.
De opstalhouder zal instaan voor het op zijn kosten verkrijgen van aansluitingen op de distributienetten van gas, water, elektriciteit, telefoon, televisie-, radio- en internetsignalen alsmede op het rioleringsnet.
b) De Beiaard
…”."
• "
Artikel 4. Vergoeding
Het recht van opstal wordt aangegaan onder verplichting voor de opstalhouder aan de opstalgever een jaarlijkse vergoeding te betalen van … euro (€ …). de betaling van dit bedrag zal tussen partijen onderling worden geregeld op eerste verzoek van de opstalgever.
Bij elke verlenging na de eerste termijn van vijf jaar zal de opstalhouder aan de opstalgever dezelfde jaarlijkse vergoeding dienen te betalen. "
• "
Artikel 7. eigendom en genot
De in opstal gegeven goederen zijn vrij van gebruik en huur. De opstalhouder verwerft het eigendomsrecht van de door hem opgerichte gebouwen vanaf hun oprichting en het genot van de grond als opstalhouder vanaf heden, op last vanaf dezelfde datum alle hoegenaamde belastingen te betalen en te dragen, met inbegrip van de taksen op bouwgronden."
• "
Artikel 10. Verkoop van de constructies
De grondeigenaar geeft meteen toelating aan zelfde opstalhouder, die aanvaardt, om geheel of ten dele aan het geheel of gedeeltelijk genot der rechten die deze laatste hier verleend werden te verzaken ten voordele van zodanige personen harer keuze en namelijk ten voordele van de toekomstige kopers van de privatieve kavels in het onroerend complex waarvan sprake.
Derhalve zal in geval van verkoop bedoelde opstalhouder aan derden van de hem toehorende constructies waarvoor door de opstalgever een bouwrecht gevolgd door een recht van opstal verleend werd, de opstalhouder de opstalgever verzoeken als verkoper van de grondaandelen van het onroerend complex op te treden; de opstalgever gaat derhalve de verbintenis aan zijn grondaandelen eveneens te verkopen telkenmale de opstalhouder overgaat tot verkoop van alle of een deel van de door hem opgerichte constructies. De opstalgever kan de verkoop van de grondaandelen in deze gevallen nooit weigeren.
In geval van gelijktijdige verkoop door de opstalgever en de opstalhouder zal door de vereniging in handen van de koper van de opstallen en van de grond waarop het opstalrecht slaat, het recht van opstal eindigen door vermenging in hoofde van de koper telkens wat de betrokken privatieve kavel en het eraan verbonden aandeel in de gemeenschappelijke delen waaronder de betrokken grond, betreft. In alle gevallen van verval van het opstalrecht en herleving van het recht van natrekking zal dit slechts betrekking hebben op deze constructies, welke nog niet volledig eigendom geworden zijn van derden.
De opstalgever verbindt zich tegenover de opstalhouder tot alle medewerking voor het opstellen en ondertekenen van een basisakte met reglement van mede-eigendom, om de door de opstalhouder opgerichte gebouwen te plaatsen onder het stelsel van de gedwongen mede-eigendom. "
• "
Fiscale verklaringen
…
Overeenkomstig artikel honderdachtenzestig van het Wetboek der Registratie-, Hypotheek-en Griffierechten verklaren partijen dat de gebouwen die zich reeds bevonden op de grond, waarop het recht van opstal slaat, tijdens de duur van dit recht slechts toebehoren aan de opstalhouder overeenkomstig artikel zeven van de wet van tien januari achttienhonderd vierentwintig over het recht van opstal. De eigendomsrechten van de opstalhouder op bedoelde gebouwen zullen bijgevolg zeer beperkt van aard zijn, zodat deze daarover geenszins absolute eigendomsrechten in de zin van artikel vijfhonderd vierenveertig van het Burgerlijk Wetboek heeft. De vestiging van dit recht van opstal heeft dus geen eigendomsoverdracht in de zin van de artikelen duizend vijfhonderd tweeëntachtig en volgende van het Burgerlijk Wetboek voor gevolg.
Pro fisco verklaren partijen dat de thans nog bestaande gebouwen, die door de opstalhouder deels moeten worden gesloopt, aan hem worden overgelaten onder toepassing van artikel 74 van Wetboek van Registratierechten.".
Uit deze akte vestiging van opstal is af te leiden dat de appellant aan de THV F. -en C. een recht van opstal heeft verleend zowel op de grond als op het gebouw van het stedelijk "F.- en C." in …. Dit houdt in dat de THV F.- en C. voor de duur van haar opstalrecht (vijf jaar, met automatische verlenging tot aan de verkoop van het laatste onderdeel van het project) eigenaar was van de oude bestaande constructies (zie onder meer RPDB, Compl. VII, v° superficie, nr. 88 p. 1138; Kokelenberg, J., Sagaert, V., Van Sinay, T. en Jansen, R., Zakenrecht (2000-2008), TPR 2009, nr. 433, p. 1537).
Nu uit de akte vestiging van opstal noch uit enig ander gegeven blijkt dat de THV F. -en C. de waarde van de bestaande gebouwen aan de appellant zou hebben vergoed, is het in beginsel zo dat het eigendomsrecht van de THV F. -en C. beperkt is door de verplichting opgelegd, bij het artikel 7 van de wet van 10.1.1824 op het recht van opstal, meer bepaald door het feit dat de THV F. -en C. tijdens de duur van haar opstalrecht zal moeten zorgen voor het behoud van de bestaande constructies, nu zij in beginsel gehouden is de bestaande constructies aan de appellant terug te geven bij het einde van haar opstalrecht (zie bvb. RPDB, Compl. VII, v° superficie, nr. 149 p. 1147). De THV F. -en C. had aldus niet de volle vrije beschikking over de bestaande constructies.
De partijen hebben bij de akte vestiging van opstal deze beperking gedeeltelijk opgeheven (wat ze kunnen nu de wet van 10.1.1824 slechts van suppletieve aard is). Aldus wordt overeengekomen dat de THV F. -en C., na afbraak en/of verbouwing van de bestaande gebouwen voor eigen rekening en conform het geldende bijzonder plan van aanleg een onroerend complex zal bouwen om alzo het tijdelijk eigendomsrecht op de nieuwe toekomstige gebouwen te verkrijgen, en kavels in het onroerend complex zal mogen verkopen aan derden. In dit laatste geval is de appellant verplicht haar medewerking te verlenen en onder meer haar overeenkomstige grondaandelen eveneens te verkopen aan de voormelde derden/kopers.
Gelet op hetgeen voorafgaat, moet men tot het besluit komen dat bij de verkoop van appartementen in de residentie in oprichting "F. -en C." aan derden/kopers de THV F. -en C. optrad als eigenaar en verkoper van het deel van het gebouw (d.i. zowel het overblijvende deel van de oude constructie als het nieuwe deel), en de appellant uitsluitend optrad als verkoper van het grondaandeel.
De geïntimeerde vordert dan ook ten onrechte van de appellant BTW op deze verkopen, nu de appellant bij deze verkopen niet optrad als verkoper van de oude constructies.
Wat de hoger aangehaalde verklaring pro Fisco betreft, moet in het licht van hetgeen voorafgaat worden opgemerkt dat deze verklaring eigenlijk niet onjuist is omdat de beperking van het beschikkingsrecht van de opstalhouder niet volledig opgeheven wordt, maar enkel voor de verkoop van delen van het complex aan derden na afbraak en bouw. De appellant heeft niet de volledige beschikking over de oude gebouwen zoals een gewone eigenaar dit zou hebben.
Er kan verder enkel alleen maar vastgesteld worden dat zo in de verkoopsakte van 6.4.2007 (stuk 11 van de geïntimeerde) de appellant vermeld staat als eigenaar van de bestaande oorspronkelijke constructies, dit in strijd is met het voordien verleende opstalrecht. Dit is evenwel niet van aard om aan het eigendomsrecht van de THV F. -en C., zoals tot stand gekomen met de akte vestiging van opstal, afbreuk te doen.
Met het voorgaande zijn ook niet in strijd de onder cijfer 17 van de vetkoopakte van 27.9.2006 (stuk 10 van de geïntimeerde) opgenomen bepalingen met betrekking tot de overgang van eigendom.
Evenmin zonder invloed op het verlenen van het opstalrecht is het feit dat in de aan de akte vestiging van opstal voorafgaande overeenkomst voor het verstrekken van een bouwrecht geen sprake is van het eigendomsrecht op de bestaande oude gebouwen. De akte vestiging van opstal regelt dit wel.
De vordering van de appellant is gegrond.
Dispositif
OP DEZE GRONDEN
HET HOF, rechtdoende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;
Ontvangt het hoofdberoep en verklaart het gegrond;
Ontvangt het incidenteel beroep doch verklaart het ongegrond;
Doet het bestreden vonnis teniet, behalve in zoverre dit de oorspronkelijke vordering van de appellant ontvankelijk verklaart;
Opnieuw wijzende,
Verklaart de oorspronkelijke vordering van de appellant gegrond;
Vernietigt het dwangbevel (RCN nr. …) op naam van de appellant, uitgevaardigd door E. D. D., e.a. inspecteur a.i. van het BTWontvangkantoor te Oostende op 16.12.2009, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 17.12.2009 door P. L., wnd. Directeur, aangewezen door de gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde te Brugge;
Veroordeelt de geïntimeerde tot de terugbetaling van de eventueel op grond van het vernietigde dwangbevel ingevorderde bedragen lastens de appellant, meer de wettelijk verschuldigde intresten;
Veroordeelt de geïntimeerde tot de kosten van de beide aanleggen, en begroot deze kosten in hun geheel als volgt :
• aan de zijde van de appellant : op … EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR;
• aan de zijde van de geïntimeerde : op … EUR rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in fiscale zaken, op TWEE APRIL TWEEDUIZEND EN DERTIEN.
Aanwezig de Heren :
A. D. M., Kamervoorzitter, Voorzitter,
G. T. en D. V., Raadsheren,
M. V., griffier
M. V. D. V. G. T. A. D. M.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.