Déduction, Utilisation privée, Travaux de transformation · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 25 février 2002

Rechercher
Texte en néerlandais

Déduction, Utilisation privée, Travaux de transformation

https://juriel.be/fr/jurisprudence/deduction-utilisation-privee-travaux-transformation-tribunal-bruges-2002-02-25-607b

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
25 février 2002

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

60 paragraphes

Corps de la décision

Jugement du Tribunal de Première Instance de Bruges dd. 25.02.2002

Déduction - Utilisation privée - Travaux de transformation

A l'occasion d'un contrôle TVA, l'Administration de la TVA constate que les travaux de transformation d'un bien immeuble ne sont affectés que pour moitié à l'activité économique de la société assujettie à la TVA Vu qu'il incombe à tout assujetti de fournir la preuve de l'existence du droit à déduction de la taxe, il n'y a pour la période au cours de laquelle il n'y a pas de certitude quant à la destination des travaux de transformation, aucun droit à déduction automatique. Le cas échéant, les déductions opérées initialement (pour moitié) peuvent faire l'objet d'une révision. Lors du contrôle TVA auprès de l'assujettie, une réduction du chiffre d'affaires a été établie. La preuve contraire ne pouvant être fournie à cet égard, l'action introduite par l'Administration de la TVA est justifiée. En outre, l'assujettie ne peut prouver l'affectation totale à l'activité économique de biens appartenant à la société, ce qui autorise l'Administration de la TVA à imposer l'utilisation privée.

Vierde kamer

Allenrechtsprekend rechter: Dhr. Haemers Nicolas

E.a. adjunct-griffier: Mevr. Lhoest Nathalie

Partij: CVBA S••••••• R••• t. De Belgische Staat

I. RECHTSPLEGING

Gelet op de inleidende dagvaarding houdende verzet de dato 14 april 2000.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 28 januari 2002.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

2.1. Eiseres is gekend en ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer 434.688.870, ingevolge de door haar aangevatte activiteit van handelaar in elektronische weegtoestellen.

Op 30 april, 18 mei en 8 juni 1998 werd een toezicht uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde en dit over de periode van 1 januari 1994 tot 31 december 1996.

Door de controlerende ambtenaren werd op 2 juli 1999 een proces-verbaal opgesteld waarin de door eiseres begane overtredingen werden geacteerd.

Op 27 september 1999 werd door de eerstaanwezend inspecteur a.i. van het BTW.-ontvangkantoor te Roeselare, overeenkomstig artikel 85, § 1 WBTW, een dwangbevel uitgevaardigd.

Voormeld dwangbevel werd op 28 september 1999 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer Lucien Van Wassenhove , eerstaanwezend inspecteur, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Brugge en op 15 februari 2000 bij deurwaardersexploot betekend aan eiseres.

2.2. Eiseres vraagt dat het verzet ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat dienvolgens voor recht wordt gezegd dat eiseres de in het bestreden dwangbevel bepaalde BTW niet verschuldigd is. Verder wordt gevraagd dat zou gezegd worden voor recht dat eiseres geen enkele inbreuk of overtreding heeft begaan op de bepalingen van het WBTW en de uitvoeringsbesluiten dienaangaande en dat zij dan ook geen administratieve geldboete, noch enige nalatigheidsintresten of moratoire intresten aan verweerder verschuldigd is.

Tevens vordert zij dat verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in haar hoofde begroot op 3988,- Bf. dagvaardingskosten en 13.200,- Bf. rechtsplegingsvergoeding en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.

2.3. Verweerder vraagt dat het verzet ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerder begroot op 13.200,- Bf. rechtsplegingsvergoeding. Ten slotte stelt verweerder dat eiseres in ieder geval de dagvaardingskosten dient te dragen.

III. BEOORDELING

3.1 Nopens de aftrek van voorbelasting bij de verbouwingswerken aan het onroerend goed

3.1.1. Eiseres stelt dat alle objectieve gegevens er op wijzen dat het gebouw in de toekomst volledig als bedrijfsruimte zal worden aangewend. Het pand is immers steeds aangewend voor bedrijfsgebruik en is nooit het voorwerp geweest van enige private bewoning. De bouwaanvragen die betrekking hebben op de uitbreiding van de keuken en bureau enerzijds en de installatie van badkamer, wc en schouw anderzijds zijn volgens eiseres noodzakelijk om te voldoen aan de ARA.B.-reglementering en hebben met een toekomstig privé-gebruik niets te maken. Bovendien heeft de schouw een louter decoratief karakter.

Bovendien stelt eiseres dat zij gerechtigd is de voorbelasting in aftrek te nemen zelfs wanneer zij aanvankelijk in de onmogelijkheid verkeert om met zekerheid te stellen dat de goederen of diensten voor de belastbare activiteit zullen worden aangewend.

Tevens stelt eiseres dat de vaststellingen van verweerder louter deducties zijn van de eigen indrukken van haar ambtenaar.

Bijgevolg stelt eiseres dat zij geen inbreuken heeft gepleegd op de BTW-wetgeving en dat zij wel degelijk volledig recht op aftrek heeft.

3.1.2. Verweerder stelt daarentegen dat op basis van de door de verbalisant gedane vaststellingen, ingediende bouwaanvragen en afgeleverde bouwtoelatingen, die tot op datum van de controle de enige objectieve gegevens waren ten aanzien van de vermoedelijke bestemming van de verbouwingswerken, slechts een voorlopige beroepsmatige aanwending ten belope van de helft der gedane uitgaven kon aangenomen worden.

3.1.3. Bij de uitoefening van het recht op aftrek is de vermoedelijke bestemming van de ontvangen goederen en diensten van doorslaggevende aard (bestemmingsprincipe). In de gevallen waarbij onduidelijkheid bestaat over de uiteindelijke bestemming, dient als beoordelingscriterium de normale gang van zaken, m.a.w. de bestemming die in een gelijkaardige situatie aan deze uitgave gegeven wordt, te worden aangehouden.

Uit artikel 1, § 2 van het K.B. nr. 3 van 10.12.1969 blijkt dat aan de belastingplichtige, in het geval dat hij aanvankelijk in de onmogelijkheid verkeert om met zekerheid te stellen dat de goederen of diensten voor de belastbare activiteit zullen worden aangewend, geen automatisch recht op aftrek van voorbelasting wordt gegeven. Het is duidelijk dat voormeld artikel voorschrijft dat er een verhouding dient gemaakt te worden op het ogenblik van de uitoefening van het recht op aftrek, dit onder controle van de administratie.

Het is aan eiseres die zijn recht op aftrek inroept om te bewijzen dat zij er aanspraak kan op maken.

Op het ogenblik van de controle was het kwestieus gebouw nog volledig in verbouwing. Bij gebrek aan een effectieve ingebruikneming, hetzij voor beroepsdoeleinden, hetzij voor privé-doeleinden, is het evident dat slechts de op dat moment gedane vaststellingen ter plaatse als criterium worden genomen.

Eiseres die terzake de bewijslast draagt, kan ten deze echter niet aantonen dat de verbouwingen op het moment van toezicht uitsluitend gebruikt worden of bestemd zijn voor het verrichten van belaste handelingen en alle andere handelingen die op grond van artikel 45, § 1 WBTW enig recht op aftrek kunnen geven. De loutere bewering van eiseres dat het gebouw in de toekomst volledig als bedrijfsruimte zal worden aangewend is niet voldoende om haar het recht op aftrek te verlenen.

In casu lenen bepaalde ontworpen en beschreven ruimtes (zoals living, slaapkamer, keuken en badkamer) zich niet specifiek voor een commerciële exploitatie, zodat hun bestemming voor die handelsexploitatie helemaal niet vaststaat. Voormelde lokalen zijn immers derwijze ingedeeld dat ze wijzen op een toekomstig privaat gebruik eens de verbouwingswerken beëindigd zijn.

De bewering van eiseres dat de uitbreiding van de keuken en de installatie van de badkamer en wc zijn oorzaak vindt in de wettelijke verplichting als werkgever om te zorgen voor sanitaire ruimtes voor zijn personeel, wordt door geen controleerbare en positieve gegevens gestaafd. In de jaarrekeningen van 1996 en 1997 werden er immers geen personeelskosten geboekt. De verdere bewering van eiseres dat de sanitaire ruimten en de keuken kaderen in een toekomstige uitbreiding van het bedrijf met aanwerving van personeel tot gevolg, wordt ook door geen enkel objectief en controleerbaar gegeven gestaafd.

Dat de kwestieuze verbouwingswerken deels de kenmerken van een private verbouwing vertonen blijkt bovendien uit de vaststelling dat er bij de tweede bouwvergunning de dato 3 september 1996 nog steeds sprake was van het verbouwen van een woning met uitbreiding van een keuken en bureau.

Uit de voorgelegde stukken (bouwaanvragen, goedgekeurde bouwplannen de dato 31.01.1994 en de dato 3.09.1996, e.d.m.) en de gedane vaststellingen blijkt dat de kwestieuze verbouwingswerken deels de kenmerken van een private verbouwing vertonen zodat bij gebrek aan andere controleerbare gegevens, in die mate de belasting niet voor aftrek in aanmerking komt.

Verweerder heeft dan ook terecht en voorlopige beroepsmatige aanwending ten belope van de helft der gedane werken aangenomen. Deze toegestane aftrek zal eventueel later aan een herziening onderworpen zijn ingeval uit concrete gegevens mocht blijken dat het gebouw in een andere verhouding (in meer of in min) voor beroepsmatige doeleinden wordt gebruikt.

3.2 Nopens de aan te geven omzet

3.2.1. Eiseres stelt dat er met betrekking tot het jaar 1996 wel degelijk overeenstemming bestaat tussen de aangegeven omzet en de gegevens van haar boekhouding.

3.2.2. Verweerder stelt daarentegen dat de hoeveelheidscontrole duidelijk een omzettekort heeft aangetoond.

3.2.3. Met betrekking tot de kaasmachines Unica stelt de rechtbank vast dat er volgens de gevoerde boekhouding een tekort aan facturatie is van 2 toestellen in 1996, zonder dat daar een verrechtvaardiging aan werd gegeven.

Met betrekking tot de snijmachines ASV 350 kwam verweerder op basis van de uitgereikte facturen terecht tot een niet gerechtvaardigd verschil van 2 stuks. Uit de factuur nr. 96490 blijkt immers dat voor beide snijmachines het serienummer hetzelfde is en dat er slechts één verkoopprijs is vermeld. Bovendien werd het aantal verkochte toestellen in het proces-verbaal terecht verminderd met één teruggenomen toestel.

Met betrekking tot de weegtoestellen stelt de rechtbank vast dat er na vergelijking tussen de in bijlage B3 bij het administratief bezwaarschrift van 6 september 1999 meegestuurde historiek van de vermoedelijk verkochte balansen en de gedane opnamen, een niet verrechtvaardig verschil is van 13 stuks.

Met betrekking tot de vleesmolens kwam verweerder na vergelijking van alle boekhoudkundige stukken terecht tot een niet gerechtvaardigd verschil van 4 stuks.

Uit de door verweerder verrichte hoeveelheidscontrole m.b.t. het jaar 1996 blijkt derhalve dat er geen overeenstemming is tussen de volgens de boekhouding verzette toestellen en de aangegeven verkopen. Het totaal van de niet gerechtvaardige toestellen werd terecht bepaald op 21 toestellen. De bepaling van het omzettekort werd verder op een oordeelkundige en juiste manier berekend.

De voorgelegde attesten van de S.C.F.N.R. Dive Denis en van de BVBA Verbrugghe die stellen dat de in de periode 1995-1996 aan eiseres geleverde onderdelen van weegschalen, lades en aanverwante goederen niet werden gefactureerd gezien zij dienden als wisselstukken voor herstel ven toestellen onder waarborg, kunnen niet als verantwoording voor het vastgestelde omzetverschil worden ingeroepen. Voormelde documenten duiden immers niet op een duidelijke en controleerbare wijze aan welke onderdelen van toestellen in waarborg zouden zijn geleverd.

3.3 Nopens het belastbaar privé-gebruik van de tot het bedrijf behorende goederen

3.3.1. Eiseres stelt dat verweerder geen enkel argument aanvoert waaruit zou moeten blijken dat haar zaakvoerder haar personenwagen en telefoontoestel voor privé-doeleinden zou gebruiken. Volgens eiseres gebruikt de zaakvoerder voor elke privé-verplaatsing zijn eigen motor en worden de privé-gesprekken gevoerd op zijn adres Veldstraat, 161.

3.3.2. De rechtbank stelt vast dat bij het plaatsbezoek op 8 juni 1998 de zaakvoerder een old-timer moto aanwees als privaat vervoermiddel. Bij nazicht bleek echter dat voormelde moto geen nummerplaat droeg en zelfs niet was ingeschreven bij de D.I.V.

Bovendien wist de zaakvoerder niet wanneer voormelde moto voor het laatst gebruikt was.

In de verzetsakte stelt eiseres plots dat voor elke privé-verplaatsing gebruik wordt gemaakt van een moto met nummerplaat MEV 245. Opvraging bij de dienst D.I.V. wijst echter uit dat deze nummerplaat sedert 22 september 1995 werd toegekend aan de heer Maddelin Stephan, Balegemstraat, 4, te 9620 Zottegem, en dit voor de inschrijving van een moto van het merk Harley-Davidson.

Het bedrag van het weerhouden voordeel is hetzelfde als wat voor de overige jaren inzake directe belastingen in akkoord met eiseres werd genomen.

Ten slotte blijkt uit de exploitatierekeningen van 1995 en 1996 (stuk 26 van verweerder) dat een voordeel voor het gebruik van de telefoon staat vermeld. Deze vaststelling is volledig in strijd met de bewering van eiseres dat de zaakvoerder het telefoontoestel niet voor privé-doeleinden gebruikt.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart het verzet ontvankelijk doch wijst het af als ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op 327,22 EUR, uit hoofde van de geïndexeerde rechtplegingsvergoeding.

Les noms de personnes physiques que la version diffusée par le SPF Finances laissait en clair ne sont pas republiés ici : ils sont réduits à leur initiale. Le texte n'est modifié nulle part ailleurs.

Textes cités

3
AR no 3 art. 11 occurrence
CTVA art. 451 occurrence
CTVA art. 851 occurrence

Décisions similaires

8