Déduction de la TVA historique, Personne morale non assujettie · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Bruxelles 13 septembre 2022

Rechercher
Texte en néerlandais

Déduction de la TVA historique, Personne morale non assujettie

https://juriel.be/fr/jurisprudence/deduction-tva-historique-personne-morale-cour-appel-bruxelles-2022-09-13-8612

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Bruxelles
Date
13 septembre 2022

Parcours procédural

2 étapes · 1 an 3 mois
  1. Décision affichéeCour d'appel de Bruxelles13.09.2022
  2. Décision sur pourvoiCour de cassation de Belgique11.01.2024

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

266 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'appel de Bruxelles du 13.09.2022

WF 701-15-16/002358

[Favorable à l’Etat belge]

Taxe sur la valeur ajoutée - Déduction de la TVA historique- Personne morale non assujettie – Cession d’une universalité de biens et de services

Dispositions légales

Articles 6, 11, 18, § 3 et 45, § 1er du Code de la TVA

Art. 21bis de l’arrêté royal n° 3

Résumé

1) Les faits et le jugement rendu en première instance

Une association professionnelle d'avocats avait décidé début 2012 d'investir dans le développement d'une plateforme numérique au service des avocats. Par la création de cette plateforme, l'intention était de combler le fossé informatique constaté dans le milieu professionnel des avocats en offrant une plateforme de services numériques moderne et performante. La plateforme devait, entre autres, permettre à terme aux avocats d’introduire des recours par voie électronique. Le 1er janvier 2014, les avocats sont devenus des assujettis ordinaires.

Le 17 décembre 2014, une filiale de l'association professionnelle des avocats a été constituée sous la forme d’une SCRL. Lors de cette constitution, toute la plateforme a été apportée à cette SCRL. Suite à cet apport à la nouvelle société, qui, contrairement à l'association professionnelle, est une assujettie à la TVA avec un droit à déduction, il a été décidé d'exercer un droit à déduction sur la TVA payée grevant les « investissements informatiques historiques » facturés. Afin de se faire confirmer la légalité de ce droit à déduction désiré, un courrier a été adressé le 10 avril 2015 à l'administration de la TVA qui, par sa décision du 25 juin 2015, a rejeté ce droit à déduction.

Le tribunal de première instance a estimé qu’il ressortait à suffisance des pièces présentées que l'intention, dès le départ, était d'utiliser à terme un système d’indemnisation par lequel les avocats individuels paieraient pour l'utilisation de cette plateforme. Étant donné que les investissements ont été intégralement apportés à la SCRL et qu’en ce qui concerne ces investissements et la TVA payée sur ceux-ci la SCRL devait être considérée comme un assujetti ayant un droit à déduction, la SCRL pouvait encore, en application de l'art. 11 du Code de la TVA, exercer ce droit à déduction. L'administration a fait appel de cette décision.

2) L’arrêt de la cour d’appel

En ce qui concerne le principe de destination, l'État belge fait valoir, à juste titre, qu'il s'agit en l'espèce d'une personne morale, à savoir l'association professionnelle, qui a acquis un bien en sa qualité de non-assujettie à la TVA et qui entendait l'exploiter en cette qualité de non-assujettie à la TVA, mais qui, par la suite, en raison d'un changement de circonstances, plus particulièrement le fait que ses clients sont devenus assujettis à la TVA, a souhaité mettre fin rétroactivement à cette qualité de non-assujettie.

Lorsqu'une personne physique ou une personne morale a acheté un bien en qualité de non-assujettie et qu'elle acquiert par la suite la qualité d'assujettie et utilise ce bien comme bien d’investissement dans le cadre de son activité économique, elle n'est pas autorisée à déduire l’intégralité ou une partie de la taxe perçue sur l'achat de ce bien (cf. CJCE, 11 juillet 1991, affaire C-97/90 et CJCE, 2 juin 2005, affaire C-378/02).

Les articles 11 et 18, § 3, du Code de la TVA ne s'appliquent pas à la situation en cause en l'espèce car la taxe n'était pas exigible lors de la cession à la SCRL parce que l'association professionnelle ne pouvait pas être considérée comme une assujettie à la TVA. Un assujetti à la TVA ne peut pas régulariser la TVA grevant des factures émises au nom d'une autre personne morale.

Compte tenu de ce qui précède, il doit être déclaré que l’appel de l’Etat belge est fondé et que la demande initiale des intimés est non fondée.

Texte du jugement

Le jugement est publié uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

Hof van beroep Brussel, Kamer 6N, burgerlijke zaken

Eindarrest van 13 september 2022

Rol: 2017/AF/216

DE BELGISCHE STAAT, ON 0308.357.159, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, in de persoon van de Adviseur-generaal, gewestelijk directeur van het centrum KMO BRUSSEL 1, EXPERTISE 1, met kantoren te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan nr. 50 bus 3404,

appellant,

vertegenwoordigd door mr. B. I., advocaat te …,

tegen

1. D. C.V.B.A., ON 050…45, met maatschappelijke zetel te …,

eerste geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. V. S., advocaat te …,

2. D. O. V. D. V. B., ON 026…67, rechtspersoon van publiek recht, met maatschappelijke zetel te ...,

tweede geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. V. S., advocaat te ...,

In deze zaak spreekt het hof, na beraad, volgend arrest uit in openbare zitting :

Voorgaanden en vorderingen

Gelet op de stukken van de rechtspleging inzonderheid

- het verzoekschrift art. 1385decies Ger. W. neergelegd op 23 december 2015,

het vonnis van de Nederlandstalige rechtbank eerste aanleg Brussel van 5 mei 2017,

- de akte van betekening dd. 31 mei 2017,

- het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 30 juni 2017,

- de conclusies, conclusies en syntheseconclusies van geïntimeerden neergelegd ter griffie op 29/11/2017, 7/05/2018 en op 17/09/2018,

- de conclusies en syntheseconclusies van appellant neergelegd ter griffie op 6/03/2018 en op 16/07/2018,

- de stukken (administratief dossier: hierna : "A.D.") van de Belgische Staat neergelegd op 18 januari 2022 en

- de stukken van geïntimeerden neergelegd ter griffie van het hof op 17 september 2018.

Procedure in eerste aanleg

Bij verzoekschrift neergelegd op 23 december 2015 vorderden geïntimeerden de vernietiging van de beslissing van de diensten van appellant van 25 juni 2015 met ref. E.T. ... en de vordering van appellant tot terugbetaling van €361.749,11 af te wijzen en appellant te veroordelen tot de kosten van het geding.

In ondergeschikte orde vorderden geïntimeerden, indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat het recht van aftrek dient te worden uitgeoefend door tweede geïntimeerde, de teruggaaf te bevelen en appellant te veroordelen tot de kosten van het geding.

Nog meer ondergeschikt vorderden geïntimeerden de vordering van appellant tot terugbetaling van €361.749,11 gedeeltelijk af te wijzen, de BTW-aftrek toe te kennen in hoofde van eerste geïntimeerde voor een bedrag van €303.326,93 en appellant te veroordelen tot de kosten van het geding.

Appellant concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering en vorderde de veroordeling van geïntimeerden tot terugbetaling van €361.749,11.

Bij vonnis van 5 mei 2017 verklaarde de eerste rechter de vordering van geïntimeerden ontvankelijk en gegrond, en de tegeneis van appellant ontvankelijk maar ongegrond. Hij vernietigde de bestreden beslissing, wees de vordering van de Belgische Staat tot terugbetaling van een bedrag van €361.749,11 voor beweerdelijk ten onrechte in aftrek gebrachte BTW af en veroordeelde appellant tot het betalen van €8.400 rechtsplegingsvergoeding aan c.v.b.a. D. en voor wat betreft de vordering van de O. veroordeelde hij appellant en de O. elk tot de eigen kosten.

Procedure voor het hof

Middels verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie op 30 juni 2017 stelde appellant hoger beroep in en vordert de hervorming van het bestreden vonnis in die zin dat de oorspronkelijke vordering ongegrond dient te worden verklaard en de tegeneis gegrond.

Daarnaast vordert appellant de veroordeling van geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen.

Geïntimeerden vorderen de ongegrondverklaring van het hoger beroep, de bevestiging van het eerste vonnis en de veroordeling van appellant tot de kosten van het hoger beroep.

Relevante feitelijke gegevens

Tweede geïntimeerde, de O. v. V. B., begon in 2011 met de investering in en de uitbouw van een digitaal platform voor de advocaat (DPA). De bedoeling was de advocaten een performanter systeem aan te bieden voor digitale dienstverlening en, op termijn, de integratie van de digitale procesvoering.

De initiële uitbouw gebeurde door tweede geïntimeerde en kostte tot en met 2013 ongeveer €930.000, en werd op dat moment gefinancierd door de jaarlijkse algemene bijdragen van de advocaten (via de lokale balies).

Volgens geïntimeerden werd eind 2013 beslist eerste geïntimeerde op te richten (C.V.B.A. D.), hetgeen formeel gebeurde op 19 december 2014. Tweede geïntimeerde, alsmede de destijds 14 (thans 13) lokale Nederlandse ordes, zijn hiervan aandeelhouders.

De financiering van het DPA gebeurde verder via achtergestelde leningen van de Nederlandstalige ordes (3 keer € 60,00 per advocaat voor een periode van 10 jaar). Door tweede geïntimeerde werd de volledige initiële investering (€ 1.482.203,24) ingebracht, alsmede de IT-afdeling van tweede geïntimeerde.

De bedoeling zou zijn, naar eigen zeggen, om de kosten voor de diverse investeringen terug te verdienen via het aanrekenen van vergoedingen voor het gebruik van het DPA. Hierop is BTW verschuldigd, zodat eerste geïntimeerde meent dat zij principieel recht heeft op aftrek van BTW.

De huidige discussie betreft het recht op aftrek voor de historische investeringen die zijn gedaan (door tweede geïntimeerde).

Op 10 april 2015 werd de BTW administratie aangeschreven om de BTW-aftrek te krijgen in hoofde van D. voor de investeringen die in het verleden werden gedaan. Minstens zou D. een recht op een herziening hebben.

Bij brief van 25 juni 2015 lieten de diensten van appellant weten dat er geen recht op aftrek van de door tweede geïntimeerde betaalde BTW zou kunnen toegestaan worden. Deze trad immers op als overheid in de zin van art. 6 W.BTW.

Partijen onderhandelden voorts over deze kwestie en eerste geïntimideerde nam, teneinde de verjaringstermijn van het recht op aftrek te stuiten, het betreffende bedrag (€ 361.749,11) op in de periodieke BTW-aangifte van het derde kwartaal van 2015.

Zij deed tevens een schriftelijke vraag tot teruggaaf.

De BTW administratie verklaarde zich akkoord geen administratieve geldboete op te leggen, terwijl D. zou afzien van interesten. (vgl. brief van 12 november 2015, stuk 6-8 geïntimeerden).

Door een misverstand werden de betreffende bedragen terugbetaald.

Middels verzoekschrift art. 1385decies Ger. W. neergelegd op 23 december 2015 stelden geïntimeerden een vordering in rechte in tegen de beslissing van 25 juni 2015 (ref. E.T. ...).

In rechte

Standpunt appellant

Appellant argumenteert dat

- omdat D. O. V. D. V. B. geen vrijgestelde belastingplichtige was bij toepassing van art. 44 WBTW kan er in haren hoofde geen sprake zijn van BTW aftrek,

- de door geïntimeerden aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen inzake het i.v.m. het recht op aftrek van BTW voor voorbereide werken heeft niets te maken met de situatie die zich inzake voordoet,

- tweede geïntimeerde is nooit BTW plichtige geweest voor bedoelde activiteiten en kan/kon zodoende geen BTW aftrek uitoefenen,

- inzake is er geen overdracht van een bedrijfstak/bedrijfsafdeling in de zin van art. 11 en 18§3 WBTW voorhanden bij het verderzetten van de ontwikkeling en exploitatie van het DPA - platform door tweede geïntimeerde

- de subsidiaire vordering om, in geval het hof van oordeel zou zijn dat BTW aftrek enkel in hoofde van tweede geïntimeerde kan worden uitgeoefend en niet in hoofde van eerste geïntimeerde, aan tweede geïntimeerde het recht op BTW aftrek toe te kennen via teruggave van de voorbelasting is niet gegrond,

- de vordering in tweede ondergeschikte orde, aangaande een BTW herziening in hoofde van eerste geïntimeerde, dient te worden afgewezen.

Standpunt geïntimeerde

Geïntimeerde argumenteert

- er bestaat wel degelijk "een historische BTW-aftrek" in hoofde van eerste en tweede geïntimeerden,

- in gevolge "het bestemmingsbeginsel" heeft men principieel recht op BTW aftrek op het tijdstip waarop men de intentie heeft om BTW belastbare handelingen te stellen : vanaf het ogenblik dat men deze intentie heeft worden de aankopen die men verricht geacht binnen het kader van een economische activiteit te gebeuren die recht op aftrek verleent,

- het bijzonder statuut van "overheid" van art. 6 WBTW van tweede geïntimeerde wat met zich meebrengt dat tweede geïntimeerde voor haar handelingen als overheid niet als BTW plichtige kan kwalificeren is niet onverkort van toepassing op alle activiteiten van tweede geïntimeerde aldus geïntimeerden. Wanneer tweede geïntimeerde de expliciete intentie heeft geuit om informatica diensten tegen vergoeding te verrichten voor individuele advocaten komt deze in concurrentie met privé-aanbieders en is deze concurrentie gelet op de omvang in ieder geval te beschouwen als van enige betekenis. Voor dergelijke handelingen worden publiekrechtelijke lichamen zoals tweede geïntimeerde ingevolge art. 6, tweede lid WBTW en de administratieve commentaren als BTW belastingplichtige aangemerkt.

- inzake werd de volledige informatica-activiteit van tweede geïntimeerde in eerste geïntimeerde ondergebracht; deze overdracht dient als een overdracht van een bedrijfsafdeling in de zin van art. 11 en 18§3 WBTW te worden beschouwd,

- de BTW voor alle facturen vanaf 1 januari 2012 kan in aftrek worden gebracht door eerste geïntimeerde, dit is voor een totaalbedrag van €361.749,11,

- gelet op de administratieve fout kunnen geïntimeerden niet akkoord gaan met de vordering van appellant waarbij nu ook interesten in meer worden gevorderd,

- in subsidiaire orde vordert tweede geïntimeerde de teruggaaf van de voorbelasting voor een totaalbedrag van €361.749,11 wanneer het hof van oordeel zou zijn dat de BTW aftrek enkel in hoofde van tweede geïntimeerde kan worden uitgeoefend,

- in de mate het hof van oordeel zou zijn dat de investeringen gemaakt in hoofde van tweede geïntimeerde reeds werden gebruikt en waarbij er in eerste instantie geen BTW belaste omzet werd gerealiseerd menen geïntimeerden dat de BTW door eerste geïntimeerde minimaal op basis van de herzieningstermijn van 5 jaar kan worden gerecupereerd.

Gegrondheid

1. Eerste en tweede geïntimeerde zijn aparte, onderscheiden rechtspersonen.

Tweede geïntimeerde, D. O. V. D. V. B., rechtspersoon van publiek recht met ondernemingsnummer 026...67 (opgericht ingevolge art. 488 e.v. Ger.W.) nam in 2012 de beslissing om te investeren in de uitbouw van een digitaal platform voor de advocaat (hierna : OPA).

2. Na enkel jaren discussiëren werd besloten dat de O. v. V. B. een "dochtervennootschap" zou oprichten, de cvba D. hetgeen formeel gebeurde op 17 december 2014 met het oog op het verder uitbouwen van het OPA en het operationeel maken ervan.

3. Volgens het bijzonder verslag van de oprichters en de oprichtingsakte van D. wordt o.m. "de fundering van het balieprogramma dat fungeert als een digitaal platform voor advocaten, afgekort OPA" door D. O. V. D. V. B. wordt ingebracht in de coöperatieve vennootschap D. cvba.

4. Eerste geïntimeerde D. cvba (BTW belastingplichtige) meent vervolgens alsnog een recht op aftrek te kunnen laten gelden m.b.t. voordien, voor haar oprichting, door tweede geïntimeerde (niet BTW belastingplichtige) betaalde BTW, meer precies volgens de bewoordingen van geïntimeerden in conclusies aangaande "de gefactureerde historische IT-investeringen".

M.a.w. op de eerste plaats is de beoordeling van het aftrekrecht (van BTW) in hoofde van D. O. V. D. V. B. aan de orde.

5. De O. v. V. B. is een publiekrechtelijk lichaam dat uit dien hoofde niet onderworpen was/is aan de BTW en bijgevolg niet onder de vrijstellingsregeling van art. 44 WBTW valt.

6. Er is evenwel art. 6 WBTW, dat bepaalt

“De Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten van de Belgische Staat, de provincies, de agglomeraties, de gemeenten en de openbare instellingen worden niet als belastingplichtige aangemerkt voor de werkzaamheden of handelingen die zij als overheid verrichten, ook niet indien zij voor die werkzaamheden of handelingen rechten, heffingen, bijdragen of retributies innen.

De hoedanigheid van belastingplichtige wordt hen evenwel toegekend voor deze werkzaamheden of handelingen voor zover een behandeling als niet-belastingplichtige tot concurrentieverstoring van enige betekenis zou leiden.

[...]"

De vraag die zich zodoende nog stelt is of de O. v. V. B. in het kader van de handelingen die initieel werden verricht voor het oprichten van het DPA al dan niet te beschouwen is als overheid in de zin van art. 6 WBTW. Het is op basis van deze overweging alleen immers dat in de beslissing van 25/06/2015 (ref. ET ...) het verzoek van geïntimeerden werd afgewezen.

De O. v. V. B. is een publiekrechtelijke rechtspersoon geviseerd door dit artikel, hierover is geen discussie.

Een publiekrechtelijk lichaam is principieel geen belastingplichtige en heeft als dusdanig geen recht op aftrek van (de) BTW.

Wel rijst de vraag of zij bij het opstarten van het DPA optrad op een wijze die tot een concurrentieverstoring van enige betekenis zou kunnen leiden.

Wat moet worden verstaan onder concurrentieverstoring van enige omvang betreft een feitelijke beoordeling, waarbij wordt rekening gehouden met (Circulaire nr. AOIF 24/2007 (E.T.113.252) dd. 29/08/2007):

"De navolgende voorwaarden moeten dus samen worden vervuld opdat de hoedanigheid van belastingplichtige zou worden toegekend aan een openbare instelling:

- het verrichten van identieke handelingen als andere economische operatoren,

voornamelijk uit de privé-sector;

- het verrichten van deze handelingen leidt tot een belangrijke concurrentieverstoring ten nadele van de andere betrokken operator."

Thans wordt hieromtrent voorzien (Circulaire AAFisc Nr. 42/2015 (nr. E.T.125.567) dd. 10/12/2015)

"12. Indien een publiekrechtelijk lichaam handelingen verricht als overheid wordt haar overeenkomstig de bepalingen van artikel 6, tweede lid, van het Wetboek, dat de omzetting in Belgisch recht vormt van artikel 13, lid 1, tweede alinea, van de richtlijn 2006/112/EG (voorheen artikel 4, lid 5, tweede alinea, van de zesde richtlijn), evenwel de hoedanigheid van belastingplichtige toegekend voor die werkzaamheden of handelingen waarvoor een behandeling als niet-belastingplichtige tot concurrentieverstoring van enige betekenis zou leiden.

13. In verband met het begrip "concurrentieverstoring" dient te worden verwezen naar het door het Hof van Justitie van de Europese Unie op 4 juni 2009 gewezen arrest in de zaak C-102/08, Finanzamt Düsseldorf-Süd tegen S. G. V. m. & C. O. O. K. . Hieruit volgt dat artikel 13, lid 1, tweede alinea, van de richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 aldus moet worden uitgelegd dat publiekrechtelijke lichamen als belastingplichtig moeten worden beschouwd voor de werkzaamheden die zij verrichten als overheid, niet alleen wanneer de omstandigheid dat zij niet belastingplichtig zijn uit hoofde van het lid 1, eerste alinea, of van het lid 2 van die bepaling leidt tot concurrentievervalsing van enige betekenis ten nadele van hun particuliere concurrenten, maar ook wanneer dat leidt tot dergelijke vervalsing in hun eigen nadeel.

14. Ter zake dient tevens te worden verwezen naar het door het Hof van Justitie van de Europese Unie op 16 september 2008 gewezen arrest in de zaak C-288/07, Commissioners of Her Majesty's Revenue & Customs tegen l. o. W. C., e.a., waarin het Hof heeft gesteld dat het begrip "concurrentieverstoring van enige betekenis" waartoe de behandeling als niet-belastingplichtige van publiekrechtelijke lichamen die werkzaamheden als overheid verrichten, zou leiden, moet worden beoordeeld met betrekking tot die werkzaamheden als zodanig zonder dat die beoordeling betrekking heeft op een specifieke plaatselijke markt. De term "zou leiden tot" in de zin van artikel 13, lid 1, tweede alinea, van de richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 moet aldus worden uitgelegd dat hij niet alleen slaat op daadwerkelijke concurrentie, maar ook op potentiële concurrentie, voor zover de mogelijkheid dat een particuliere marktdeelnemer werkzaam wordt op de relevante markt, reëel en niet zuiver hypothetisch is.

Daarenboven moet de uitdrukking "van enige betekenis" in de zin van dit artikel 13, lid 1, tweede alinea, aldus worden begrepen in die zin dat de daadwerkelijke of potentiële concurrentievervalsing van meer dan onbeduidende omvang dient te zijn.

15. Rekening houdend met hetgeen voorafgaat dienen navolgende voorwaarden cumulatief te zijn voldaan opdat openbare lichamen, ten aanzien van de handelingen die zij als overheid verrichten, overeenkomstig de bepalingen van artikel 6, tweede lid, van het Wetboek, als belastingplichtige worden aangemerkt:

- de openbare lichamen verrichten dezelfde handelingen als andere economische operatoren, voornamelijk uit de privésector;

het verrichten van deze handelingen leidt tot een reële of zelfs potentiële concurrentieverstoring van enige betekenis waarvan de behandeling als niet­ belastingplichtige de oorzaak is;

- het betreft een reële of zelfs potentiële concurrentieverstoring in het nadeel van particuliere concurrenten dan wel een dergelijke concurrentieverstoring in het nadeel van betreffende publiekrechtelijke lichamen.

16. De bepaling van artikel 6, tweede lid, van het Wetboek vormt met andere woorden op haar beurt een afwijking op de uitzondering die de niet-belastingplicht is, waardoor men terugvalt op de algemene regel van de belastingplicht.

17. De vraag of een bepaalde werkzaamheid die wordt verricht door een publiekrechte/ijk lichaam aanleiding geeft tot "concurrentieverstoring van enige betekenis" is een feitenkwestie die geval per geval en voor elke werkzaamheid afzonderlijk beschouwd dient te worden onderzocht.

De Administratie neemt aan dat er ten aanzien van een bepaalde werkzaamheid geen concurrentieverstoring van enige betekenis is indien de jaarlijkse omzet van een economische activiteit het bedrag van 25.000 EUR niet overschrijdt. Deze drempel dient dus per door dat publiekrechtelijk lichaam verrichte werkzaamheid te worden beoordeeld zodat slechts de op die werkzaamheid betrekking hebbende omzet in acht wordt genomen (en niet per verrichting).

Het openbaar lichaam dat in de loop van het kalenderjaar met betrekking tot een bepaalde werkzaamheid de drempel van 25.000 EUR overschrijdt dient onverwijld contact op te nemen met het bevoegde btw-controlekantoor.

Dit btw-controlekantoor zal op basis van de feitelijke elementen en nadat het kennis heeft genomen van de argumenten van het openbaar lichaam beslissen of er sprake is van concurrentieverstoring van enige betekenis in de zin van artikel 6, tweede lid, van het Wetboek. Bij twijfel zal het btw-controlekantoor het advies inwinnen van de centrale diensten."

Geïntimeerden tonen niet aan er inzake identieke handelingen als andere economische operatoren, voornamelijk uit de privé-sector worden verricht die leiden tot "een belangrijke concurrentieverstoring".

De door geïntimeerden aangehaalde kostprijs (en de samenhangende achtergestelde leningen) zijn niet relevant bij hogervermelde beoordeling; hierin kan de eerste rechter niet worden gevolgd. De omvang van de investeringen heeft niets te maken met de omzet die hoe dan ook O (nul) was tot op het moment van oprichting van eerste geïntimeerde mede gelet op het gebrek aan een ondubbelzinnige beslissing vanwege de O. v. V. B. om een vergoeding te vragen aan de leden. Dit laatste blijkt uit het geheel van de aan het hof voorgelegde stukken (vgl. o.m. stukken 13, 14 en 16 A.D.}.

Overigens was de O. v. V. B. niet/nooit geregistreerd als BTW belastingplichtige.

Het feit dat een publiekrechtelijk lichaam belangrijke investeringen doet of moet doen betekent niet dat het daardoor concurrentieverstorend is, noch dat het de bedoeling heeft om belastbare handelingen te verrichten.

Overigens kan de O. v. V. B. wel een beroep doen op andere IT dienstverleners om een digitaal platform te ontwikkelen; maar het is alleen de O. v. V. B. (nadien D.) die al dan niet ten bezwarende titel een authentieke bron kan ter beschikking stellen aan haar leden advocaten. Er zijn geen concurrenten van de O. v. V. B. .

7. M.b.t. het bestemmingsbeginsel stelt de Belgische Staat terecht dat het inzake een rechtspersoon betreft die een goed verwierf in zijn hoedanigheid van niet-BTW­ belastingplichtige en die de intentie had om dit te exploiteren in die hoedanigheid (hoedanigheid van niet-BTW-belastingplichtige) maar die later door gewijzigde omstandigheden, meer bepaald het BTW belastingplichtig worden van de door haar beoogde afnemers, alsnog retroactief wil terugkomen op die situatie.

Wanneer een natuurlijke persoon of rechtspersoon een goed heeft gekocht in de hoedanigheid van niet-belastingplichtige en hij vervolgens de hoedanigheid van belastingplichtige verkrijgt en dit goed als bedrijfsmiddel voor zijn economische activiteit gebruikt is het hem niet toegestaan de belasting geheven van de aankoop van dit goed volledig of gedeeltelijk in aftrek te brengen (vgl. H.v.J. 11 juli 1991, zaak C-97/90 en H.v.J. 2 juni 2005, zaak C-378/02).

8. De artikelen 11 en 18§3 WBTW zijn op de hier aan de orde zijnde situatie niet van toepassing nu de belasting ingevolge de overdracht van het DPA niet verschuldigd is omdat de O. v. V. B., zoals eerder uiteengezet- niet kan worden beschouwd als een BTW belastingplichtige.

9. Aangaande de subsidiaire vordering van geïntimeerden stelt appellant terecht dat de O. v. V. B. bij de opstart en ontwikkeling van het DPA platform niet de intentie had om belastbare handelingen te stellen maar deze werkzaamheden wou kaderen binnen haar niet belastbare activiteiten als overheidsinstelling, en dat de O. v. V. B. tijdens de periode dat de externe dienstverleners haar de ontwikkeling en opstartkosten van het DPA platform factureerden niet de vereiste hoedanigheid om een recht op aftrek van de aangerekende BTW uit te oefenen had (vgl. in dit verband H.v.J. 2 juni 2005, zaak C-378/02 waaruit blijkt dat art. 17 van de zesde richtlijn het tijdstip bepaalt waarop het recht op aftrek ontstaat en dat uit deze bepaling volgt dat enkel de hoedanigheid waarin de betrokken persoon op het tijdstip van de aanschaf van het goed heeft gehandeld kan bepalen of er een recht op aftrek ontstaat).

10. Een BTW plichtige kan de BTW geheven op uitgereikte facturen op naam van een andere rechtspersoon niet herzien.

Rekening houdend met het voormelde dient het hoger beroep gegrond te worden verklaard en de oorspronkelijke vordering van geïntimeerden ongegrond.

Aangaande de kosten en de rechtsplegingsvergoeding

Gezien het voorgaande dienen geïntimeerden te worden veroordeeld in de kosten van beide aanleggen.

In hoger beroep dient de rechtsplegingsvergoeding begroot te worden op €9.800, zijnde het geïndexeerd basistarief zoals vastgesteld bij K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 Ger. W. en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond,

Hervormt het bestreden vonnis, Opnieuw rechtdoende,

Verklaart de vorderingen van geïntimeerden ontvankelijk maar ongegrond,

Veroordeelt geïntimeerden tot de kosten van beide aanleggen, aan de zijde van appellant begroot op €8.400 rechtsplegingvergoeding voor de procedure in eerste aanleg en op €9.800 rechtsplegingvergoeding voor de procedure in hoger beroep.

Aldus uitgesproken in openbare terechtzitting van de 6N kamer van het hof van beroep te Brussel op 13 SEPTEMBER 2022

Décision jointe par le SPF

Jugement du Tribunal de première instance

Le jugement est publié uniquement dans la langue originale

Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg Brussel, 33ste kamer

Vonnis van 05.05.2017

Rol: 2015/5212/A

In de zaak van:

De C.V.B.A. D., met maatschappelijke zetel te ... en met KSO-nummer 050...45,

eerste eisende partij,

De O. V. D. V. B.. rechtspersoon van publiek recht, met maatschappelijke zetel te ... en met KBO-nummer 026...67,

tweede eisende partij,

beiden bijgestaan door mr. S. V. en mr. S. D. M., advocaten met kantoor te ..., op de zitting vertegenwoordigd door mr. S. V.;

Tegen:

De BELGISCHE STAAT. F.O.D. Financiën, in persoon van de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12 voor wie optreedt de Adviseur-Generaal - Gewestelijke Directeur van het Centrum KMO-Brussel, vertegenwoordigd door de gedelegeerde ambtenaren van de dienst Expertise team 1, dhr. X, adviseur, en mevr. X, attaché, met kantoor te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50 bus 3404,

verwerende partij,

vertegenwoordigd door mr. X, attaché;

In deze zaak, in beraad genomen op 03/04/2017, wordt door de rechtbank volgend vonnis uitgesproken:

Gelet op:

• het verzoekschrift op tegenspraak op grond van art. 13B5decies Ger.W., neergelegd ter griffie op 23/12/2015;

• de beschikking overeenkomstig artikel 747 Ger.W. van 05/02/2016;

• de eerste conclusie en de syntheseconclusie voor eiseressen, neergelegd ter griffie op respectievelijk 31/10/2016 en 31/01/2017;

• de eerste conclusies, de aanvullende conclusies en de syntheseconclusie voor verweerder, neergelegd ter griffie op respectievelijk 29/07/2016, 15/12/2016 en 28/02/2017;

• de stukken van verweerder, zoals neergelegd ter griffie op 28/02/2017; en

• de stukken van eiseressen, zoals neergelegd ter griffie op 15/03/2017.

Gehoord de raadsman van eiseressen en de vertegenwoordiger van verweerder in de openbare terechtzitting van 03/04/2017, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

Partijen verklaren ter zitting dat alle conclusies in de debatten kunnen behouden blijven.

I. FEITEN

1.

1.1. Tweede eisende partij, de O. v. V. B., begon in 2011 met de investering in en de uitbouw van een digitaal platform voor de advocaat (DPA). De bedoeling was de advocaten een performanter systeem aan te bieden voor digitale dienstverlening en, op termijn, de integratie van de digitale procesvoering.

De initiële uitbouw gebeurde door tweede eiseres en kostte tot en met 2013 ongeveer € 930.000,00 (conclusies eisende partijen, punt 1.1), hetwelk op dat moment gefinancierd werd door de jaarlijkse algemene bijdragen van de advocaten (via de lokale balies).

Volgens eiseressen werd eind 2013 beslist eerste eiseres op te richten (C.V.B.A. D.), hetgeen formeel gebeurde op 19/12/2014. Tweede eiseres, alsmede de (destijds) 14 (thans 13) lokale Nederlandse ordes, zijn hiervan aandeelhouders.

De financiering van het OPA gebeurde verder via achtergestelde leningen van de Nederlandstalige ordes (3 keer € 60,00 per advocaat voor een periode van 10 jaar). Door tweede eiseres werd de volledige initiële investering (€ 1.482.203,24) ingebracht, alsmede de IT-afdeling van tweede eiseres.

De bedoeling zou zijn, naar eigen zeggen, om de kosten voor de diverse investeringen terug te verdienen via het aanrekenen van vergoedingen voor het gebruik van het OPA. Hierop is BTW verschuldigd, zodat eerste eiseres meent dat zij principieel recht heeft op aftrek van BTW.

De huidige discussie betreft het recht op aftrek voor de historische investeringen die zijn gedaan (door tweede eiseres).

1.2. Op 10/04/2015 (stuk 4 eisers; stuk 6 verweerder) werd de administratie aangeschreven om de BTW-aftrek te krijgen in hoofde van D. voor de investeringen die in het verleden werden gedaan. Minstens zou D. een recht op een herziening hebben.

Bij brief van 25/06/2015 (stuk 5 eisers) oordeelde verweerder dat er geen recht op aftrek van de door tweede eiseres betaalde BTW zou kunnen toegestaan worden. Deze trad immers op als overheid in de zin van art. 6 W.BTW.

Er zijn vervolgens onderhandelingen gevoerd .tussen partijen (geen discussie hierover) waarna eerste eiseres, teneinde de verjaringstermijn van het recht op aftrek te stuiten, het betreffende bedrag (€ 361.749,11) opnam in de periodieke BTW-aangifte van het derde kwartaal van 2015. Tevens werd door tweede verzoekster een schriftelijke vraag tot teruggaaf gedaan (wat dit laatste betreft: stuk 7 verweerder). De administratie verklaarde zich akkoord geen administratieve geldboete op te leggen, terwijl D. zou afzien van interesten. (zie brief van 12/11/2015, stuk 6-8 eisers)

Opgemerkt moet worden dat door een misverstand, de betreffende bedragen wel werden terugbetaald.

ll. VOORWERP VAN DE VORDERING

2. De vordering van eiseressen strekt er toe:

- in hoofdorde: de beslissing van 25/06/2015 (ref. E.T. 128.277) te vernietigen of van nul en generlei waarde te verklaren, de vordering van verweerder tot terugbetaling van-€ 361.749,11 af te wijzen en verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding;

- ondergeschikt: indien de rechtbank van oordeel is dat het recht van aftrek moet uitgeoefend worden door tweede eiseres, de teruggaaf te bevelen en verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding;

- uiterst ondergeschikt: de vordering van verweerder tot terugbetaling van ( 361.749,11 gedeeltelijk af te wijzen, de BTW-aftrek toe te kennen in hoofde van eerste eiseres voor een bedrag van ( 303.326,93 en verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding.

Verweerder besluit:

-in hoofdorde: tot de ongegrondheid van de vordering van eiseressen en eerste eiseres te veroordelen tot terugbetaling van € 361.749,11

-ondergeschikt: de vordering van tweede eiseres tot teruggaaf van de voorbelasting voor een bedrag van € 361.749,11 af te wijzen.

III. BEOORDELING

111.1. De ontvankelijkheid

3. Partijen betwisten de ontvankelijkheid van de vorderingen niet. De rechtbank ziet evenmin redenen om ambtshalve te besluiten tot de niet-ontvankelijkheid van de vorderingen. De vorderingen zijn ontvankelijk.

111.2. Ten gronde

4.

4.1. Eiseressen argumenteren in hoofdorde als volgt.

In hoofdorde menen eiseressen dat D. ingevolge het bestemmingsbeginsel principieel recht heeft op BTW-aftrek wat betreft de historische investeringen. Dit recht bestaat van zodra er een intentie was om een belastbare handeling te stellen. Eiseressen menen dat deze intentie er van in het begin was. Het was van in het begin de bedoeling om op termijn vergoedingen te vragen voor de diensten verleend via het DPA.

Het feit dat tweede eiseres als een overheid zou kwalificeren (art. 6 W.BTW), ontzegt haar (en eerste eiseres) niet het recht op aftrek. Dit statuut is wat de BTW betreft immers niet van toepassing op alle activiteiten van tweede eiseres. Wanneer er sprake is van concurrentie met privé-aanbieders, is een overheid wel belastingplichtig.

Het feit dat geen BTW-nummer werd aangevraagd kan het recht op aftrek niet verhinderen.

Op het moment van de overdracht van de activiteit naar eerste eiseres, was er sprake van een overdracht van een bedrijfstak in de zin van art. 11 en 18, §3 W.BTW.

4.2. In eerste instantie wijst verweerder er op dat eiseressen als aparte rechtspersoonlijkheden ook apart moeten beschouwd worden. De handelingen door elk van hen gesteld, dienen apart beschouwd te worden.

Vervolgens stelt verweerder dat het statuut van tweede eiseres als publiekrechtelijk lichaam in principe uitsluit dat deze belastingplichtige is in de zin van het W.BTW (art. 6) en als dusdanig ook geen recht heeft op aftrek. In deze is er geen sprake van enige concurrentieverstoring, zodat art. 6, al. 2 W.BTW niet van toepassing is.

Er is volgens verweerder initieel ook niet de intentie geweest om belastbare handelingen te stellen. Tot in 2014 is geen beslissing genomen omtrent de wijze van vergoeding voor het gebruik van het DPA. Tot in 2015 is er ook geen effectieve vergoeding gevraagd, noch verkreeg tweede eiseres een BTW-nummer.

Van een overdracht van een onderneming in de zin van art. 11 en 18, §3 W.BTW kan dan ook geen sprake zijn. Ten eerste is tweede eiseres geen belastingplichtige en ten tweede wordt de overdracht zelve niet beschouwd als een belastbare levering.

5.

5.1. Het komt gepast voor vooreerst in te gaan op de voorafgaande vraag of tweede eiseres in het kader van de handelingen die initieel werden verricht voor het oprichten van het DPA al dan niet te beschouwen is als overheid in de zin van art. 6 W.BTW. Het is op basis van deze overweging alleen immers dat in de beslissing van 25/06/2015 (ref. ET 128.277) het verzoek van eiseressen werd afgewezen.

5.2. Art. 6 W.BTW voorziet:

"De Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten van de Belgische Staat, de provincies, de agglomeraties, de gemeenten en de openbare instellingen worden niet als belastingplichtige aangemerkt voor de werkzaamheden of handelingen die zij als overheid verrichten, ook niet indien zij voor die werkzaamheden of handelingen rechten, heffingen, bijdragen of retributies innen.

De hoedanigheid van belastingplichtige wordt hen evenwel toegekend voor deze werkzaamheden of handelingen voor zover een behandeling als niet­ belastingplichtige tot concurrentieverstoring van enige betekenis zou leiden.

{...]"

Tweede eiseres is een publiekrechtelijke rechtspersoon geviseerd door dit artikel, hierover is geen discussie. Wel rijst de vraag of zij bij het opstarten van het DPA optrad op een wijze die tot een concurrentieverstoring van enige betekenis zou kunnen leiden.

Wat moet verstaan worden onder concurrentieverstoring van enige omvang betreft een feitelijke beoordeling, waarbij wordt rekening gehouden met (Circulaire nr. AOIF 24/2007 (E.T.113.252) dd. 29/08/2007):

"De navolgende voorwaarden moeten dus samen worden vervuld opdat de hoedanigheid van belastingplichtige zou worden toegekend aan een openbare instelling:

- het verrichten van identieke handelingen als andere economische operatoren, voornamelijk uit de privé-sector;

- Het verrichten van deze handelingen leidt tot een belangrijke concurrentieverstoring ten nadele van de andere betrokken operator."

Thans wordt hieromtrent voorzien (Circulaire AAFisc Nr. 42/2015 (nr. E.T.125:567} dd. 10/12/2015)

"12. Indien een publiekrechte/ijk lichaam handelingen verricht als overheid wordt haar overeenkomstig de bepalingen van artikel 6, tweede lid, van het Wetboek, dat de omzetting in Belgisch recht vormt van artikel 13, lid 1, tweede alinea, van de richtlijn 2006/112/EG (voorheen artikel 4, lid 5, tweede alinea, van de zesde richtlijn}, evenwel de hoedanigheid van belastingplichtige toegekend voor die werkzaamheden of handelingen waarvoor een behandeling als niet­ belastingplichtige tot concurrentieverstoring van enige betekenis zou leiden.

13. In verband met het begrip "concurrentieverstoring" dient te worden verwezen naar het door het Hof van Justitie van de Europese Unie op 4 juni 2009 gewezen arrest in de zaak C-102/08, Finanzamt Düsseldorf-Süd tegen S. G. V. m.&C. O. O. K. . Hieruit volgt dat artikel 13, lid 1, tweede alinea, van de richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 aldus moet worden uitgelegd dat publiekrechtelijke lichamen als belastingplichtig moeten worden beschouwd voor de werkzaamheden die zij verrichten als overheid, niet alleen wanneer de omstandigheid dat zij niet belastingplichtig zijn uit hoofde van het lid 1, eerste alinea, of van het lid 2 van die bepaling leidt tot concurrentievervalsing' van enige betekenis ten nadele van hun particuliere concurrenten, maar ook wanneer dat leidt tot dergelijke vervalsing in hun eigen nadeel.

14. Ter zake dient tevens te worden verwezen naar het door het Hof van Justitie van de Europese Unie op 16 september 2008 gewezen arrest in de zaak C-288/07, Commissioners of Her Majesty's Revenue & Customs tegen I. o. W. C., e.a., waarin het Hof heeft gesteld dat het begrip "concurrentieverstoring van enige betekenis" waartoe de behandeling als niet-belastingplichtige van publiekrechtelijke lichamen die werkzaamheden als overheid verrichten, zou leiden, moet worden beoordeeld met betrekking tot die werkzaamheden als . zodanig zonder dat die beoordeling betrekking heeft op een specifieke plaatselijke markt. De term "zou leiden tot" in de zin van artikel 13, lid 1, tweede alinea, van de richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 moet aldus worden uitgelegd dat hij niet alleen slaat op daadwerkelijke concurrentie, maar ook op potentiële concurrentie, voor zover de mogelijkheid dat een particuliere marktdeelnemer werkzaam wordt op de relevante markt, reëel en niet zuiver hypothetisch is.

Daarenboven moet de uitdrukking "van enige betekenis" in de zin van dit artikel 13, lid 1, tweede alinea, aldus worden begrepen in die zin dat de daadwerkelijke of potentiële concurrentievervalsing van meer dan onbeduidende omvang dient te zijn.

15. Rekening houdend met hetgeen voorafgaat dienen navolgende voorwaarden cumulatief te zijn voldaan opdat openbare lichamen, ten aanzien van de handelingen die zij als overheid verrichten; overeenkomstig de bepalingen van artikel 6, tweede lid, van het Wetboek, als belastingplichtige worden aangemerkt:

- de openbare lichamen verrichten dezelfde handelingen als andere economische operatoren, voornamelijk uit de privésector;

- het verrichten van deze handelingen leidt tot een reële of zelfs potentiële concurrentieverstoring van enige betekenis waarvan de behandeling als niet­ belastingplichtige de oorzaak is;

- het betreft een reële of zelfs potentiële concurrentieverstoring in het nadeel van particuliere concurrenten dan wel een dergelijke concurrentieverstoring in het nadeel van betreffende publiekrechtelijke lichamen.

16. De bepaling van artikel 6, tweede lid, van het Wetboek vormt met andere woorden op haar beurt een afwijking op de uitzondering die de niet-belastingplicht is, waardoor men terugvalt op de algemene regel van de belastingplicht.

17. De vraag of een bepaalde werkzaamheid die wordt verricht door een publiekrechtelijk lichaam aanleiding geeft tot "concurrentieverstoring van enige betekenis" is een feitenkwestie die geval per geval en voor elke werkzaamheid afzonderlijk beschouwd dient te worden onderzocht.

De Administratie neemt aan dat er ten aanzien van een bepaalde werkzaamheid geen concurrentieverstoring van enige betekenis is indien de jaarlijkse omzet van een economische activiteit het bedrag van 25.000 EUR niet overschrijdt. Deze drempel dient dus per door dat publiekrechtelijk lichaam verrichte werkzaamheid te worden beoordeeld zodat slechts de op die werkzaamheid betrekking hebbende omzet in acht wordt genomen (en niet per verrichting).

Het openbaar lichaam dat in de loop van het kalenderjaar met betrekking tot een bepaalde werkzaamheid de drempel van 25.000 EUR overschrijdt dient onverwijld contact op te nemen met het bevoegde btw-controlekantoor.

Dit btw-controlekantoor zal op basis van de feitelijke elementen en nadat het kennis heeft genomen van de argumenten van het openbaar lichaam beslissen of er sprake is van concurrentieverstoring van enige betekenis in de zin van artikel 6, tweede lid, van het Wetboek. Bij twijfel zal het btw-controlekantoor het advies inwinnen van de centrale diensten."

Rekening houdende met de omvang van de door tweede eiseres tot in 2014 gedane investeringen (€ 1.482.203,24, meer de interne investeringen in de informatieafdeling van tweede eiseres) kunnen de handelingen van tweede eiseres in de periode 2011- 2014 niet als onbeduidend worden beschouwd.

Daarbij is er wel degelijk een niet hypothetische concurrentie op de private markt voorhanden. Op andere domeinen van informatica-dienstverlening bij justitie is er immers sprake van tussenkomst van andere rechtspersonen (zo verwijzen eiseressen terecht naar Credoc voor het notariaat en Sam-Tes wat betreft de collectieve schuldenregeling) en zijn private aanbieders niet uitgesloten van het aanbieden van informatiediensten op het domein van justitie (zo verwijzen eiseressen ontwikkelaars voor software faillissementsdossiers en dossierbeheer voor gerechtsdeurwaarders).

Ten onrechte beroept verweerder zich dus op art. 6 W.BTW om het recht op aftrek van BTW te verwerpen.

6.

6.1. Vervolgens rijst de vraag in hoeverre er sprake is van belastbare handelingen in de zin van art. 2 W.BTW.

6.2. Bij de beoordeling hiervan dient rekening gehouden te worden met het bestemmingsbeginsel. Hieruit volgt dat het recht op aftrek bestaat van zodra men de intentie heeft om een belastbare handeling te verrichten. Het neutraliteitsbeginsel vereist dat ook investeringen, gedaan vooraleer effectief een economische activiteit werd opgestart, beschouwd worden als een economische activiteit zodat het recht op aftrek ontstaat (vaste rechtspraak: vgl. H.v.J. nr. C-268/83, 14/02/1985; H.v.J. nr. C- 110/94, 29/02/1996; H.v.J. nr. C-280/10, 01/03/2012; H.v.J. nr. C-126/14, 22/10/2015).

Het feit dat, zoals in deze, de belastbare handeling uiteindelijk niet werd gesteld door tweede eiseres, doch door de overnemer van de economische activiteit (eerste eiseres) doet hieraan geen afbreuk (H.v.J. nr. C-408/98, 22/02/2001 en H.v.J. nr. C-137/02, 29/04/2004).

Het feit dat de initiële investeringen gedaan werden door tweede eiseres en dat tweede eiseres geen vergoedingen ontving van het gebruik van het OPA sluit het recht op aftrek dus niet uit. Enkel dient nagegaan te worden of er de intentie was belastbare handelingen te stellen.

De beoordeling of een belastingplichtige heeft gehandeld ten behoeve van een economische activiteit, is een feitelijke vraag die moet worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. Zo kan rekening gehouden worden met de aard van het betrokken goed en het tijdsverloop tussen het moment waarop het goed is verworven en het moment waarop het voor de economische activiteiten van de belastingplichtige wordt gebruikt. Het is aan de nationale rechter om dit te beoordelen. (vgl. H.v.J. nr. C-153/11, 22/03/2012, nr. 41; H.v.J. nr. C-126/14, 22/10/2015, nr. 21)

Uit de stukken van eiseressen blijkt afdoende dat het de bedoeling was, van in den beginne, om uiteindelijk een vergoedingssysteem te hanteren waarbij de individuele advocaten zouden betalen voor het gebruik van dit systeem. Reeds in het verslag van de werkgroep OPA van 12/12/2011 (stuk 10 eiseressen) is er sprake van een aanrekening van de kosten aan de advocaten, enkel over de wijze van aanrekening is er nog discussie. In het verslag van 07/11/2012 (stuk 11 eiseressen) is sprake van een retributie­ renumeratiemodel. Ook in het verslag van 16/12/2013 is sprake van een combinatie van een vaste kost en een prijs per transactie (stuk 12 eiseressen). Tot slot is in het financieel plan van eerste eiseres duidelijk sprake van een kost per transactie (stuk 14 eiseressen).

De stelling van verweerder dat uit het verslag van 16/12/2013 (stuk 12 eiseressen, p. 6) zou blijken dat er 4 financieringsmogelijkheden zouden zijn, kan niet gevolgd worden. Verweerder haalt deze passage klaarblijkelijk uit zijn context, want het gaat hierbij enkel om de financiering van de opstartkosten en niet over de uiteindelijke aanrekening van het gebruik van dit systeem.

Het feit dat de exacte bedragen of zelfs aanrekeningsmethode nog niet vast stonden, sluit niet uit dat het steeds de bedoeling is geweest om de gebruikskosten van het OPA door te rekenen aan de eindgebruiker (de advocaten). De bedoeling om belastbare handelingen te stellen is aldus afdoende bewezen.

6.3. Dat tweede eiseres niet als BTW-plichtige geregistreerd was, doet hieraan geen afbreuk. Het recht op aftrek bestaat principieel ook voor voorbereidende investeringen (zie hoger). Bovendien dient dit met enige redelijkheid beoordeeld te worden, daar op het moment van de initiële investeringen de BTW-plicht voor advocaten nog niet was ingevoerd (zie verder).

6.4. Terloops merkt verweerder op dat de koerswijziging (initieel opstart door de OVB, nadien overname door D. en tot slot de vraag tot aftrek) zou te maken hebben met de inwerkingtreding van de BTW-plicht der advocaten.

Dat de keuze om de investeringen in het OPA te doen via een aparte rechtspersoon al dan niet zou ingegeven zijn door de invoering van de BTW-plicht voor advocaten is niet relevant. Het is aan eiseressen om vrij de organisatie van deze economische activiteit vorm te geven.

De keuze van de wetgever om de advocatuur ook BTW-plichting te maken, heeft bovendien verstrekkende gevolgen. Niet enkel dienen advocaten BTW aan te rekenen en door te storten, doch zij moeten ook volledig kunnen genieten van het recht op aftrek en de BTW-neutraliteit. Dat thans een vraag tot teruggave wordt gedaan voor vroegere investeringen is hiervan een evident gevolg (zie J. HEIRMAN, "BTW en advocaten", A.F.T. 2014/10, p. 34-37).

Zoals hoger aangehaald, dient de situatie ingevolge de in 2014 ingevoerde BTW-plicht voor advocaten met enige redelijkheid beoordeeld te worden. De huidige houding van verweerder waarbij al te stringent wordt gewezen op de naleving van formaliteiten voor een periode die de invoering van de BTW-plicht voor de advocatuur voorafgaat, gaat verder dan noodzakelijk voor de waarborging van de inning van de belasting en vormt bijgevolg een inbreuk op de BTW-neutraliteit (vgl. o.m. H.v.J. nr. C-255/02, 21/02/2006, nr. 92; H.v.J. nr. C-146/05, 27/09/2007, nr. 26).

7. Aangezien de door tweede eiseres initieel gedane investeringen in het OPA integraal werden ingebracht bij eerste eiseres en om aangehaalde redenen tweede eiseres wat betreft deze investeringen en de hierop betaalde BTW moet beschouwd worden als belastingplichtige (met een recht op aftrek), kan eerste eiseres in toepassing van art. 11 W.BTW dit recht op aftrek thans uitoefenen.

Dit maakt ook dat geen opdeling kan gemaakt worden tussen de handelingen van eerste en tweede eiseres, zoals verweerder ten onrechte aanvoert.

De door eerste eiseres in hoofdorde ingestelde vordering is bijgevolg gegrond.

8. Dit maakt de tegeneis van verweerder ongegrond en de ondergeschikte vorderingen zonder voorwerp.

IV. DE KOSTEN

9. De vordering van eerste eiseres is gegrond. Verweerder wordt bijgevolg veroordeeld tot de kosten van het geding ten aanzien van eerste eiseres.

Eiseressen vorderen het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding, doch voor elk van eiseressen afzonderlijk. Verweerder vordert geen verlaging van het basisbedrag, doch meent dat eiseressen slechts aanspraak kunnen maken op een rechtsplegingsvergoeding (slechts de vordering van één van eiseressen kan immers gegrond zijn).

In hoofde van eerste eiseres wordt bijgevolg het basisbedrag begroot, gezien haar vordering gegrond is. Verweerder werd niet bijgestaan door een advocaat.

Gelet op het feit dat de vordering van eerste eiseres gegrond is, maakt dit de vordering van tweede eiseres zonder voorwerp. Verweerder en tweede eiseres worden wat betreft deze procesverhouding elk veroordeeld tot het dragen van de eigen kosten.

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 2, 3, 4, 30, 34, 36, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg, op tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van eiseressen ontvankelijk en als volgt gegrond, Verklaart de tegeneis van verweerder ontvankelijk doch niet gegrond,

Dienvolgens, doet de beslissing van 25/06/2015, met referentie nr. E.T. 128.277 teniet,

Wijst de vordering van de Belgische Staat tot terugbetaling van een bedrag van € 361.749,11 voor beweerdelijk ten onrechte in aftrek gebrachte BTW, af,

Wijst partijen af van het meer of anderszins gevorderde,

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding wat betreft de vordering van de C.V.B.A. D., in hoofde van de C.V.B.A. D. begroot op € 8.400,00 (rechtsplegingsvergoeding) en in hoofde van verweerder niet verder te begroten,

Veroordeelt de OVB en verweerder elk tot de eigen kosten wat betreft de vordering van de OVB,

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, op 8 mei 2017.

Textes cités

22

Décisions similaires

8