Cour d'appel d'Anvers, 13 juin 2006 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 13 juin 2006

Rechercher
Texte en néerlandais

Cour d'appel d'Anvers, 13 juin 2006Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/cour-appel-anvers-2006-06-13-1b32

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
13 juin 2006

Parcours procédural

2 étapes · 1 an 7 mois
  1. Décision attaquéeTribunal de première instance d'Anvers25.10.2004
  2. Décision affichéeCour d'appel d'Anvers13.06.2006

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

70 paragraphes

Corps de la décision

Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers du 13.06.2006

Résumé non fourni

Texte del’arrêt

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER, rechtdoende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest uitgesproken :

In zake : 2005/AR/349

C.V.A. V. & CO, met zetel te … (…), …, H.R. te Antwerpen nr. …, Ondernemingsnummer …;

appellante,

tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 25 oktober 2004; vertegenwoordigd door Meester I. C., advocaat te …, …;

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, vertegenwoordigd in de persoon van de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de gewestelijke directeur van de BTW, registratie en domeinen te Antwerpen, in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur rekenplichtige van het tweede BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door A. V. L. d. J., advocaat te …, …;


Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 25 oktober 2004, dat niet werd betekend, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Antwerpen op 3 februari 2005, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

Gelet op de tegenvordering van geïntimeerde wegens tergend en roekeloos hoger beroep ingesteld bij conclusies neergelegd ter griffie van het Hof op 15 maart 2005.

1. Voorafgaande feiten en procedure

1.1.

In de BTW-aangifte van het tweede kwartaal 1999 heeft appellante in vak 62 een bedrag van … BEF (thans € …) opgenomen.

Naar aanleiding van een controle op 23 november 2000 heeft de zaakvoerder van appellante verklaard dat dit bedrag de terugvordering inhoudt van de BTW op een factuur waarvan de vordering verloren is gegaan ingevolge het faillissement van de klant, de firma R.. Het verlies van deze schuldvordering kon op dat ogenblik door geen enkel document bewezen worden.

Op 18 maart 2002 wordt een proces-verbaal opgesteld waarbij teruggave wordt gevorderd van het bedrag van € …, alsmede betaling van een boete op grond van artikel 70, § 1 van het BTW-wetboek gelijk aan tweemaal de verschuldigde BTW en overeenkomstig artikel 1 van het K.B. nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele geldboeten verminderd tot 10 %, afgerond op € … ingevolge artikel 4 van hetzelfde K.B. alsook de van rechtswege verschuldigde intresten op grond van artikel 91, § 1 BTW-wetboek vanaf 21 juli 2000.

Op 27 november 2002 wordt een dwangbevel uitgevaardigd, dat wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 2 december 2002 en dat op 30 december 2002 wordt betekend aan appellante, waarbij betaling wordt gevorderd van een :

- een bedrag van € … als BTW,

- een bedrag van € … als boete,

- een bedrag van € … verlopen intresten berekend tot 20 december 2002,

- te vermeerderen met de intrest krachtens artikel 91, § 1, 1° BTW-wetboek van 0,80 % per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21 december 2002,

- te vermeerderen met de moratoire intrest over de nog verschuldigde geldboeten die loopt vanaf de betekening of kennisgeving van het dwangbevel, ingevolge artikel 91, § 4 BTW-wetboek,

- de vervolgingskosten.

1.2.

Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 19 februari 2003, tekent appellante verzet aan tegen het dwangbevel, teneinde de nietigheid, minstens ongegrondheid van het dwangbevel te horen uitspreken, te horen zeggen voor recht dat appellante niet gehouden is tot betaling van de BTW, boeten, intresten en kosten opgesomd in het dwangbevel en geïntimeerde te horen veroordelen tot de kosten van het geding.

1.3.

Het bestreden vonnis verklaart de vordering toelaatbaar maar ongegrond en veroordeelt appellante tot de kosten van het geding.

De eerste rechter oordeelt dat uit geen van de door appellante neergelegde stukken kan worden opgemaakt dat de vordering van appellante voldoet aan de wettelijke vereisten van het Wetboek van de BTW om teruggave te kunnen vorderen en dat het loutere gegeven van het openstaan van het faillissement van haar schuldenaar appellante niet het recht geeft tot het uitoefenen van een recht op teruggave nu zulk recht niet vaststond en nog steeds niet vaststaat.

1.4.

Het hoger beroep van appellante strekt ertoe het bestreden vonnis teniet te doen en haar oorspronkelijke vordering toelaatbaar en gegrond te verklaren; de nietigheid, minstens de ongegrondheid uit te spreken van het dwangbevel; te zeggen voor recht dat appellante niet gehouden is tot betaling van de BTW, boeten, intresten en kosten opgesomd in het bestreden dwangbevel; geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding in beide aanleggen.

Appellante stelt dat zij ingevolge het faillissement van de BVBA R. zij haar vordering op deze vennootschap diende af te boeken als oninbaar en dat zij dan ook gerechtigd was op teruggave van de BTW die zij destijds hierop had moeten voldoen. De vordering tot terugbetaling van de BTW op deze oninbare facturen door de administratie is bijgevolg onbillijk en ongegrond, nu appellante hiervan zelf niet eens betaling heeft ontvangen.

Appellante verwijst naar de wet van 7 april 2005 strekkende tot onder meer een rechtvaardiger fiscale behandeling van de schuldeisers in geval van faillissement, waarbij artikel 3 van het K.B. nr. 4 van 29 december 1969 werd aangepast, waardoor blijkt dat zij terecht de teruggave heeft gevorderd ingevolge en op basis van het faillissement van de BVBA R.. Ingevolge de wetsaanpassing ontstaat het recht op teruggave immers op datum van het vonnis van faillietverklaring, zijnde in casu op 13 augustus 1998.

1.5.

Geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en de bevestiging van het bestreden vonnis, met de veroordeling van appellante tot de kosten van het geding.

Geïntimeerde stelt dat appellante geen enkel document heeft overgelegd waaruit kan worden besloten dat zij het door haar ingeroepen recht op teruggave conform de geldende wetgeving heeft uitgeoefend en dat de wetswijziging waarnaar appellante verwijst geen afbreuk doet aan de gegrondheid van de invordering van de ten onrechte teruggevraagde BTW.

Geïntimeerde vordert bij tegeneis een schadevergoeding van € … wegens tergend en roekeloos geding.

2. In rechte

2.1

Artikel 77, § 1 van het BTW-wetboek bepaalt :

"De belasting die geheven werd van een levering van goederen, van een dienst of van een intracommunautaire verwerving van een goed wordt tot beloop van het passende bedrag teruggegeven :

…

7° wanneer de schuldvordering van de prijs geheel aften dele verloren is gegaan".

Met betrekking tot de verliezen van schuldvorderingen ten gevolge van een faillissement gold dat het verlies, in principe, maar als een vaststaand feit mocht beschouwd worden op het ogenblik van het sluiten van het faillissement. Het verlies van de schuldvordering kon slechts op dat ogenblik met zekerheid vastgesteld worden.

Indien de schuldeiser evenwel een attest had van de curator waarin voor de ingediende aangifte van schuldvordering het bedrag vermeld stond dat met zekerheid als volledig verloren mocht beschouwd worden, werd aanvaard dat het verlies tot dat bedrag als vaststaand mocht beschouwd worden vanaf het ogenblik van de uitreiking van het attest.

Appellante legt evenwel nog steeds geen enkel stuk neer dat haar schuldvordering op de BVBA R., failliet verklaard bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Leuven van 13 augustus 1998, met zekerheid als volledig verloren kon/kan beschouwd worden.

Appellante kon dan ook het bedrag van de BTW niet opnemen in haar BTW-aangifte voor het tweede kwartaal 1999 en de administratie heeft dit bedrag terecht teruggevorderd.

De door appellante aangehaalde wetswijziging - die in werking is getreden op 30 april 2005 - heeft enkel tot gevolg dat zij vanaf het in werking treden van deze wet, recht heeft op teruggave in de mate waarin ze aan de voorwaarden voldoet, doch deze wetswijziging doet geen afbreuk aan de gegrondheid van de invordering van de ten onrechte teruggevraagde BTW die het voorwerp uitmaakt van onderhavige betwisting, aangezien op het ogenblik van de controle de toen van kracht zijnde wettelijke bepalingen dienden toegepast te worden.

De eerste rechter heeft dan ook terecht de vordering van appellante ongegrond verklaard.

Het hoger beroep van appellante is dan ook ongegrond en appellante dient veroordeeld te worden tot de kosten van het hoger beroep, zoals hierna begroot.

2.2

In hoofde van appellante is geen kwade trouw of misbruik van recht bewezen, zodat de vordering van geïntimeerde tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding als ongegrond wordt afgewezen.

Dispositif

OM DEZE REDENEN

HET HOF, recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Verklaart de tegenvordering van geïntimeerde ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt appellant tot de kosten van het hoger beroep, begroot aan de zijde van geïntimeerde op … EUR, volgens opgave in de aanvullende conclusie.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van DERTIEN JUNI TWEEDUIZENDENZES,

waar aanwezig waren :

D. W., Raadsheer wd. Voorzitter;

E. v. E.

en M. G., Plaatsvervangende Raadsheren;

A. V. L., Griffier.

Op het ogenblik van de uitspraak van huidig arrest, waarover plaatsvervangend Raadsheer D. D. H., mede beraadslaagd heeft overeenkomstig artikel 778 van het Gerechtelijk Wetboek, wordt deze magistraat, wettig verhinderd zijnde, vervangen door plaatsvervangend Raadsheer M. G. hiertoe aangewezen, overeenkomstig artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek, bij beschikking van de heer Eerste Voorzitter van het Hof van beroep te Antwerpen in datum van 13 juni 006.

A. V. L. M. G. E. V.A. D. W.

Textes cités

5
CTVA art. 913 occurrences
AR no 41 art. 11 occurrence
AR no 4 art. 31 occurrence
CTVA art. 701 occurrence
CTVA art. 771 occurrence

Décisions similaires

8