Contrainte, Exécution de la contrainte, Extension de la demande · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Bruxelles 14 mai 2019

Rechercher
Texte en néerlandais

Contrainte, Exécution de la contrainte, Extension de la demande

https://juriel.be/fr/jurisprudence/contrainte-execution-extension-demande-remise-cour-appel-bruxelles-2019-05-14-d9d0

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Bruxelles
Date
14 mai 2019

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

108 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'appel de Bruxelles du 14.05.2019

WF 712-15-09/047967

[Favorable à l’Etat belge]

Taxe sur la valeur ajoutée – Contrainte – Exécution de la contrainte – Extension de la demande – Remise des intérêts moratoires – Délais de paiement accordés par le juge

Dispositions légales

Articles 84bis et 91 du Code de la TVA

Article 807 du Code judiciaire

Résumé

1. Les faits de la cause et les antécédents de la procédure

L’assujetti, qui exerçait une activité de comptable, était auparavant identifié à la TVA. Suite à un contrôle, un relevé de régularisation a été signé. Par après, la TVA, les intérêts et une amende ont été réclamés par le biais d’une contrainte. Après la signification de la contrainte, une action en recouvrement des sommes impayées a été engagée par l’État belge.

Dans ses conclusions de première instance, l’assujetti a seulement insisté sur la limitation des mesures d’exécution et a demandé qu’il soit dit pour droit que les montants recouvrés par le biais de l’exécution d’une saisie sur salaire, demandée par une autre administration fiscale, soient utilisés en partie à concurrence de l’apurement de la dette en matière de TVA.

Le tribunal a déclaré la demande irrecevable parce que la citation introductive de l’instance ne mentionnait pas l’existence d’autres mesures d’exécution, de sorte que la demande modifiée dans les conclusions déposées ne satisfaisait pas aux conditions prescrites à l’article 807 du Code judiciaire.

2. L’arrêt

l ressort des pièces du dossier que les demandes de l’État belge découlent du relevé de régularisation et que l’appelant ne conteste pas les droits recouvrés.

Un appel peut être formé dans le seul intérêt d’étendre ou de modifier la demande (dont a été saisi le premier juge) (Cass., 24 janvier 2007, Pas., 2007, 166), si l’extension ou la modification demeure fondée sur des faits ou des actes invoqués dans la citation.

L’appelant invoque une limitation des mesures d’exécution de l’administration, sans indiquer les fondements juridiques et sans préciser de quelles mesures d’exécution il s’agit.

Le juge en première instance a considéré à raison que la demande, comparée à la demande formulée dans la citation, était une extension de cette demande qui ne satisfaisait pas aux conditions prévues à l’article 807 du Code judiciaire.

Le fait que des dettes concernant les impôts sur le revenu aient fait l’objet de mesures d’exécution ne fait pas obstacle à ce que l’administration procède également au recouvrement de dettes en matière de TVA et recourt à cette fin également à des mesures d’exécution.

La cour n’a aucune compétence en matière de remise des intérêts moratoires. En vertu de l’article 84bis du Code de la TVA, cette compétence est du ressort exclusif du directeur régional.

Il n’y a également aucune disposition légale qui permettrait à la cour d’accorder des délais de paiement.

La cour partage la position de l’administration selon laquelle la procédure semble avoir été introduite dans le but unique de trainer délibérément l’affaire en longueur. Toutefois, comme il n’a pas été demandé de statuer sur une demande téméraire et vexatoire, il n’y a pas lieu de condamner l’appelant pour ce fait.

Texte de l’arrêt

L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

Arrest van het Hof van Beroep, 6Ne kamer, burgerlijke zaken te Brussel d.d. 14.05.2019

Rolnummer: 2015/AF/365

B. Y., wonende te …, …, BTW nr. … Appellant, niet vertegenwoordigd, noch verschijnend in persoon,

tegen

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de adviseur-generaal KMO centrum Leuven, met kantooradres te 3001 Leuven, Philipssite 3A bus 1. geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. S. F., advocaat te …, …

Het hof, na beraad, spreekt in openbare zitting volgend arrest uit.

Voorgaanden en vorderingen

Gelet op de stukken van de rechtspleging inzonderheid :

- het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel (35e kamer) van 14 maart 2006 (AR 04/13751/A), op tegenspraak uitgesproken, waarvan geen betekeningsakte voorligt,

- het verzoekschrift tot hoger beroep uitgaande van appellant, neergelegd ter griffie van het hof van 8 september 2006;

- de conclusies en syntheseconclusies van geïntimeerde neergelegd ter griffie op respectievelijk 19 oktober 2006 en op 9 augustus 2016;

- de stukken (administratief dossier), van de Belgische Staat neergelegd ter griffie van het hof op 30 januari 2019.

Procedure in eerste aanleg

Bij dagvaarding in verzet betekend op 2 november 2004 tekende appellant verzet aan tegen een op 22 november 2000 lastens hem door de Belgische Staat uitgevaardigde dwangbevelen (RCIV nr. 297 0415 11725), uitvoerbaar verklaard op 30 november 2000 en hem betekend op 3 november 2004 teneinde “een tegenstrijdige afrekening te horen opstellen van de bedragen die aan gedaagde zouden verschuldigd zijn” en “aan verzoeker akte te horen verlenen afbetalingstermijnen aan te vragen voor het saldo dat nog zou bestaan en dat tijdens het geding zou opgesteld worden”.

Bij conclusie vordert appellant enkel nog dat op het aan btw verschuldigde hoofdbedrag een deel van de bedragen die het voorwerp van beslagen door het “Ministerie van Financiën” uitmaakten, moeten worden toegerekend en “de oplichting (sic) te bevelen van de interesten en de boeten een maximum te reduceren”.

De Belgische Staat concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering.

Bij vonnis van 14 maart 2006 verklaarde de eerste rechter de oorspronkelijke vordering van appellant, zoals in conclusies geformuleerd, deels ontvankelijk en voor het overige ontvankelijk maar ongegrond en veroordeelde appellant tot de kosten van het geding, in hoofde van de Belgische Staat begroot op € … rechtsplegingsvergoeding.

De eerste rechter verklaarde de vordering zoals geformuleerd in conclusies onontvankelijk in de mate ze betrekking had op het horen zeggen voor recht dat de ingevorderde bedragen d.m.v. op verzoek van andere belastingadministraties gelegde loonbeslagen deels aangewend zouden worden ter delging van de btw schulden omdat in het geding inleidend exploot geen melding werd gemaakt van het bestaan van andere tenuitvoerleggingen zodat de gewijzigde vordering in conclusies niet voldoet aan de voorschriften van art. 807 Ger. W.

Hij verklaart de vordering ontvankelijk maar ongegrond in de mate dat ze betrekking had op de opheffing of kwijtschelding van de interesten en de maximale herleiding van de boete.

Procedure voor het hof

Appellant stelde hoger beroep in tegen voormeld vonnis middels verzoekschrift hoger beroep neergelegd ter griffie op 8 september 2006.

Appellant vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, en vervolgens, “het eerste vonnis te hervormen en de oorspronkelijke eis ontvankelijk doch ongegrond (sic) te verklaren” en geïntimeerde tot de kosten van het geding te veroordelen.

Geïntimeerde vordert het hoger beroep gedeeltelijk onontvankelijk te verklaren voor het overige het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren, en appellant te veroordelen tot de kosten van het geding.

Relevante feitelijke gegevens

Appellent was onderworpen aan de BTW voor de uitoefening van zijn activiteit als boekhouder.

Na een controle werd een correctieopgave opgesteld die door appellant werd ondertekend op 18 maart 1997.

Op grond daarvan erkende appellant een bedrag van € .. (…. BEF) aan btw verschuldigd te zijn, meer wettelijke interesten evenals een bedrag van € … (… BEF) verminderde boete.

Omdat volledige betaling uitbleef werd een dwangbevel (RCIV nr. …) uitgevaardigd op 22 november 1990, uitvoerbaar verklaard op 30 november 2000 en betekend aan appellant op 11 december 2000.

Volgens dit dwangbevel was appellant nog … BEF (€ …), meer interesten verschuldigd.

Na de betekening van dit dwangbevel ging de Belgische Staat over tot verdere tenuitvoerlegging en invordering van deze niet betaalde bedragen.

In rechte

Standpunt van appellant

Appellant voert de volgende middelen aan :

• “overwegende dat de eerste rechter de vordering van appellant niet recht heeft gesproken alhoewel het niet betwist wordt dat de bedragen gevorderd in het kader van de dwangbevelen, opgesteld werden aan correctie (sic.)”

• “Dat concluant echter een verzet inleidt tegen gezegde dwangbevelen in de mate deze het voorwerp uitmaakten of zullen uitmaken van een uitvoering”.

• “overwegende dat concluant enerzijds acht dat hij het voorwerp heeft uitgemaakt (alsmede zijn echtgenote mevr. B.) van een totaal en volledig beslag van zijn salarissen …”.

- Verder wijst appellant er op dat de ontvanger der directe belastingen m.b.t. ambtshalve gevestigde aanslagen loonbeslagen legde op zijn minimumwerkloosheidsuitkering en op het pensioen van zijn echtgenote en dat zij daar een verzet tegen instelden voor de rechtbank van eerste aanleg dat blijkbaar nog steeds hangende is, tevens werden blijkbaar ook nog andere beslagen gelegd dienaangaande zodat appellant thans niet ook nog de btw kan betalen en daarom verzoekt hij “de oplichting van de interesten en boeten (sic)”.

Standpunt van geïntimeerde

Geïntimeerde voert aan dat de grieven zeer onduidelijk zijn geformuleerd en dat de oorspronkelijke vordering niet uitgebreid of gewijzigd mag worden door nieuwe vorderingen in hoger beroep.

Geïntimeerde stelt dat het hoger beroep dan ook slechts ontvankelijk is voor wat betreft de vordering tot vermindering van boeten en interesten en dat voor het overige het hoger beroep dient te worden afgewezen.

Het hoger beroep is delatoir volgens geïntimeerde gelet op de regularisatieopgave die voor akkoord werd ondertekend en gelet op de argumenten die kant noch wal raken.

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Geïntimeerde kan niet worden gevolgd waar hij stelt dat het hoger beroep gedeeltelijk onontvankelijk zou zijn, met name m.b.t. het punt waar appellant verzoekt om de gedeeltelijke onontvankelijk verklaring door de eerste rechter te vernietigen en vervolgens dezelfde oorspronkelijke vordering, dus eisuitbreiding, herneemt in beroep.

Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig ingesteld.

Een hoger beroep kan overigens worden ingesteld met de uitsluitende bedoeling een vordering (die werd ingewilligd door de eerste rechter) uit te breiden of te wijzigen (vgl. Cassatie 24 januari 2007, Pas, 2007, 166) zolang de uitbreiding berust op feiten of akten die in de inleidende dagvaarding zijn vermeld.

Nu er geen andere gronden van niet-ontvankelijkheid worden opgeworpen en er ook geen ambtshalve op te werpen gronden van niet-ontvankelijkheid voorhanden zijn is het tijdig en regelmatig ingestelde hoger beroep ontvankelijk.

Gegrondheid

1. Uit het dossier blijkt dat de vorderingen van de Belgische Staat voortvloeien uit een regularisatieopgave die door appellant voor akkoord werden ondertekend op 18 maart 1997 en dat appellant de gevorderde rechten in se niet betwist.

2. Geïntimeerde heeft de wettelijke plicht niet-betaalde belastingschulden in te vorderen.

3. De eerste grief van appellant met name dat hij een verzet tegen dwangbevel doet in de mate en omdat “deze het voorwerp zullen uitmaken van een uitvoering” kan niet worden gevolgd.

Appellant lijkt daarmee aan te dringen op een beperking van de uitvoeringsrechten van geïntimeerde zonder aanduiding van rechtsgrond en zonder precisering welke uitvoeringshandelingen het precies betreft.

De eerste rechter oordeelde dienaangaande met reden dat de vordering in vergelijking met de vordering zoals geformuleerd in de dagvaarding in verzet een eisuitbreiding uitmaakt die niet voldoet aan de voorwaarden vervat in art. 807 Ger. W. en daarom ongeoorloofd is, nu met de dagvaarding in verzet enkel het opstellen van een afrekening werd gevorderd evenals het toestaan van een afbetalingsplan. Hij verklaarde die vordering terecht onontvankelijk.

4. Het feit niet betaalde schulden inzake inkomstenbelastingen te hebben waarbij tot tenuitvoerlegging is overgegaan, staat er niet aan in de weg dat geïntimeerde ook de betaling van btw schulden vordert en dienaangaande eveneens invorderingshandelingen stelt.

5. Wat betreft de vordering i.v.m. “de oplichting van de interesten (sic.)” wijst het hof erop dat (de) interesten verschuldigd zijn krachtens artikel 91 W BTW en dat ze van rechtswege opeisbaar zijn.

Het hof heeft evenwel niet de bevoegdheid om intresten kwijt te schelden inzake intresten behoort de bevoegdheid, ingevolge de uitdrukkelijke bepalingen van artikel 81bis W BTW uitsluitend aan de gewestelijke directeur van de btw-administratie.

Alleen de gewestelijke directeur kan, in de bijzondere gevallen die hij vaststelt, de vrijstelling van het geheel of een gedeelte van de interesten toekennen, in overeenstemming met de bepalingen van artikel 84bis W BTW.

Het hof stelt overigens vast dat appellant geen dergelijk verzoek tot vrijstelling van interesten aan de bevoegde gewestelijk directeur richtte.

6. Geen enkele wettelijke bepaling laat het hof toe (bijkomende) betalingstermijnen toe te staan.

Er kan geen afbreuk worden gedaan aan de wettelijke betalingstermijnen voor de BTW zoals voorzien in artikel 53 WBTW, die van openbare orde zijn (vgl. Cassatie 24 april 2008, TFP, 2008, nr. 349 blz 924, TIBERGHIEN, Handboek voor Fiscaal Recht 2017-2018, Mechelen, Kluwer, 2017, blz. 1049, nr. 1783 en DELANOTE, M., Fiscaal Invorderingsrecht, Kluwer 2012, nr. 687).

7. Uit het dossier blijkt dat appellant geen enkel valabel argument aanvoerde voor de eerste rechter, en trouwens tot op heden niet. Het Hof is dan ook, met geïntimeerde van oordeel dat de procedure de indruk wekt enkel en alleen gedaan te zijn om de zaak op de lange baan te schuiven.

Nu geïntimeerde evenwel in het beschikkend gedeelte van zijn conclusies uiteindelijk geen veroordeling tot tergend en roekeloos geding vraagt dient appellant daartoe niet te worden veroordeeld.

Het hoger beroep is zodoende ontvankelijk maar ongegrond.

Aangaande de kosten

8. In toepassing van de bepalingen van het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 Ger. W. en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat dient de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding (basistarief) begroot te worden op € … . Nu geïntimeerde een bedrag van … € als rechtsplegingsvergoeding vordert kan dit worden toegekend.

Gezien het voorgaande, behoort het de kosten ten laste te leggen van appellant, in hoofde van de Belgische Staat begroot op de voormelde rechtsplegingsvergoeding en dit voor de procedure in graad van beroep.

9. Geïntimeerde vordert in het beschikkend gedeelte van zijn conclusies de veroordeling van appellant tot betaling van de volgende kosten :

1) exploot van betekening van dwangbevel: € …

2) exploot van uitvoerend beslag: € …

3) p.v. van aanplakking dd. 15 juni 2001: € …

4) betekening verkoopdag dd. 13.11.2001: € …

5) p.v. van aanplakking dd. 30.11.2001: € …

6) betekening verkoopdag 11.10.2004: € …

7) p.v. van aanplakking 29.10.2004: € …

De eerste rechter wees een veroordeling van appellant tot deze kosten af in het betwiste vonnis van 14 maart 2006 omdat ze niet tot de gerechtskosten omschreven in art. 1018 Ger. W. behoren, noch beschouwd kunnen worden als kosten van tenuitvoerlegging in de zin van art. 1024 Ger. W. maar kosten vormen gemaakt er invordering van de belastingschuld voorafgaand aan huidig geschil.

Het hof stelt vast dat geïntimeerde geen incidenteel beroep aantekende tegen het betwiste vonnis.

OM DEZE REDEN,

Dispositif

HET HOF,

Rechtdoende bij arrest dat geacht wordt op tegenspraak te zijn gewezen.

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond,

Bevestigt het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel (35e kamer) van 14 maart 2006 (AR 2004/13751/A).

Veroordeelt appellant tot de kosten van het hoger beroep, begroot op … € rechtsplegingsvergoeding in hoofde van de Belgische Staat.

Dit arrest werd gewezen door de 6N kamer van het hof van beroep te Brussel, samengesteld uit:

Ondertekeningen

Textes cités

3
CTVA art. 84bis3 occurrences
CTVA art. 912 occurrences
CTVA art. 531 occurrence

Décisions similaires

8