Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d’appel de Gand du 30.11.2017
[Favorable à l’administration]
WF 708-15-12/049955
Taxe sur la valeur ajoutée - Consignation - Dommages et intérêts - Prescription
Dispositions légales
Article 92 du Code de la TVA ;
Article 6.1 de la Convention européenne des droits de l’homme ;
Article 1133 du Code judiciaire ;
Articles 1382, 1383 et 2262bis, § 1er, du Code civil ;
Article 100, alinéa 1er, 1°, et article 101 de l’arrêté royal du 17 juillet 1991 portant coordination des lois sur la comptabilité de l'Etat
Résumé
1) Faits de la cause et antécédents de la procédure
En 1973, l’assujetti était actif en tant que commerçant dans le secteur des voitures d’occasion. Il avait été soupçonné de faire partie d’une bande organisant des carrousels TVA. Selon l’assujetti, on aurait injustement rejeté son droit à déduction et on lui aurait infligé une amende fiscale maximale s’élevant au double de la taxe éludée. Après que l’opposition à contrainte qu’il avait introduite devant le tribunal de première instance eut été déclarée non-fondée, il déposa un recours en appel. Par après, une notification de demande de consignation des sommes dues lui fut adressée. L’assujetti a considéré que, vu le montant énorme de la somme à consigner, il ne pouvait y donner suite. A défaut d’avoir déposé une consignation suffisante, sa requête d’appel a été déclarée irrecevable dans un arrêt datant de septembre 1999. De même, sa requête en cassation a été rejetée le 3 janvier 2003.
L’assujetti a estimé que l’Etat belge avait commis une faute et que le principe du droit au respect des droits de la défense avait été violé parce qu’il avait été empêché de présenter ses arguments devant la cour d'appel en raison d'une demande de consignation déraisonnable émanant de la partie adverse. Dès lors, il a porté l’affaire devant la Cour européenne des Droits de l’Homme. La Cour de Strasbourg a dit qu'il y a eu violation de l'article 6, § 1, de ladite Convention et que l'Etat belge devait verser au requérant une indemnité pour dommage moral.
En 2012, l’assujetti a signifié à l’État belge une citation à comparaître devant le tribunal de première instance et a demandé les montants originellement réclamés sur la base des articles 1382 et 1383 du Code civil. Dans le jugement attaqué rendu en 2013, le juge de première instance a considéré que la demande n’était pas recevable car il y avait prescription. L’assujetti a interjeté appel de ce jugement.
2) L’arrêt
Selon l’article 100, alinéa 1er, 1°, de l’arrêté royal du 17 juillet 1991 portant coordination des lois sur la comptabilité de l'Etat, « sont prescrites et définitivement éteintes au profit de l'Etat, sans préjudice des déchéances prononcées par d'autres dispositions légales, réglementaires ou conventionnelles sur la matière, les créances qui, devant être produites selon les modalités fixées par la loi ou le règlement, ne l'ont pas été dans le délai de cinq ans à partir du premier janvier de l'année budgétaire au cours de laquelle elles sont nées ».
Les juges d’appel considèrent qu’en soumettant l’affaire devant la C.E.D.H. le 30 juin 2003, l’assujetti a démontré sa conviction que l’État belge avait commis une faute en instaurant ces règles de procédure. Le dommage est né au moment où il a perdu la chance de faire juger sur le fond le litige devant une cour d’appel (Gand, 8 septembre 1999, ayant fait l’objet d’une requête en cassation qui fut rejetée par un arrêt du 3 janvier 2003, C.11.0318.N). Il n’existait aucune impossibilité légale qui l’empêchait d’introduire une demande en justice devant un juge belge afin d’interrompre le délai de prescription. De plus, aucune pièce démontrant que la prescription avait été interrompue n’a été déposée.
Vu l’article 100 de l’arrêté royal susmentionné, l’assujetti aurait dû signifier une citation à comparaître avant le 1er janvier 2008 afin d’empêcher la prescription.
Le jugement attaqué, dans lequel il a été décidé que l’action en justice est prescrite, est dès lors confirmé.
Texte de l’arrêt
L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale
Corps de la décision
Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 30.11.2017
Rol: 2014/AR/2544
In de zaak van:
J.L., wonende te … , appellant, toegelaten tot het voordeel van de kosteloze rechtspleging bij beslissing van het bureau voor rechtsbiistand bii het Hof van Beroep te Gent d.d. 11 september 2013, hebbende als raadsman mr. …,
tegen
DE BELGISCHE STAAT/FOD FINANCIEN, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Administratie van Inning en Invordering - sectie BTW met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12,
DE BELGISCHE STAAT/FOD FINANCIEN, op vervolging van de eerstaanwezend Inspecteur BTW-Ontvangkantoor te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,
DE BELGISCHE STAAT/FOD FINANCIEN, Algemene administratie van de Fiscaliteit - sector BTW, vertegenwoordigd door de e.a. Inspecteur van het … BTW-Controlekantoor te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dardinstraat 4, geïntimeerden, allen hebbende als raadsman mr. …, advocaat te …,
wijst het hof het volgend arrest:
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit hof op 29 september 2 14, heeft J.L. tijdig en op regelmatige wijze hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 3 juni 2013, op tegenspraak gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Gent 1e kamer.
Gelet op de tussenarresten van 17 november 2016 en van 12 januari 2017.
De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien.
Artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerecht zaken werd in acht genomen.
Bijzonderste gegevens
De feitelijke gegevens en procedurele voorgaanden die aan huidige procedure voorafgingen kunnen kort als volgt worden samengevat:
J.L. (appellant} was sinds 1973 actief als garagist en handelaar in tweedehandswagens. Op een gegeven ogenblik - en na inspecties in januari februari 1992 werd J.L. ervan verdacht deel uit te maken van een bende die een internationaal btw-carrousel zou hebben opgezet. J.L. zelf betwistte echter steeds dat hij hier op enige wijze van op de hoogte was, laat staan dat hij erbij betrokken as, waarbij hij benadrukte dat hij in dit verband buiten vervolging werd gesteld.
Volgens J.L. heeft hij steeds alle btw die hij van zijn cliënten ontving op regelmatige wijze doorgestort aan de Belgische Staat en ook steeds de btw betaald, m ar hebben zijn leveranciers deze niet doorgestort. Zodoende werd er - aldus Jules Lonke - onterecht afgeleid dat hij geen recht had op aftrek van de door hem betaalde btw en speciale taks op luxeproducten voor de periode van 1 januari 1988 tot 31 december 1990 én werd er hem onterecht de maximale wettelijke boete, namelijk het dubbel van de “ontdoken” belasting, aangerekend meer intresten.
Dienaangaande werd op 30 november 1992 door de btw - diensten lastens hem een dwangbevel betekend en werd er beslag gelegd op zijn goederen.
Op 2 april 1993 werd een dwangbevel betekend met deurwaardersexploot tot betaling.
Op 9 juni 1993 werd er door J.L. overeenkomstig het (oud) artikel 8 btw -wetboek verzet met dagvaarding betekend. Dit verzet werd bij vonnis van 1 apr 1 1996 van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge afgewezen als zijnde ongegrond, waartegen J.L. op 30 augustus 1996 hoger beroep aantekende. Vervolgens werd op 4 oktober 1996 een verzoekschrift tot consignatie van de schuld gestuurd aan J.L., aarop niet zou zijn gereageerd. J.L. merkt hierbij op dat het voor hem - gelet op de omvang van de bedragen - volkomen onmogelijk was hieraan gevolg te geven.
Bij gebrek aan voldoende consignatie werd bij arrest van 8 september 1999 van dit hof het hoger beroep uiteindelijk niet ontvankelijk verklaard. J.L. tekende tegen deze beslissing cassatieberoep aan, doch ook dit werd bij arrest van 3 januari 2003 afgewezen.
Aangezien J.L. van oordeel was dat de Belgische Staat een fout heeft begaan door zijn rechten van verdediging te schenden door de toelaatbaarheid van het hoger beroep afhankelijk te stellen van de betaling van een som die zijn vermogen en fortuin te boven gingen, heeft hij zich tot het Europees Hof voor de Rechten van de Mens g richt. Bij arrest van oordeelde dit Hof uiteindelijk dat artikel 6 van het E.V.R.M. geschonden was en veroordeelde 25 september 2007 het de Belgische Staat tot het betalen van een (morele) schadevergoeding van € 15.000,00.
J.L. liet op 10 mei 2012 overgaan tot dagvaarding van de Belgisch Staat voor de rechtbank van eerste aanleg te Brugge. Hij vorderde op grond van de artikelen 1382-1383 B.W. de veroordeling van de Belgische Staat tot het betalen van:
- enerzijds een provisie van € 425.000,00 op een toen geschat bedrag van € 876.366,07 meer de wettelijke en gerechtelijke intresten;
- anderzijds een bedrag van € 28.827,57 ter vergoeding van de door de fout van geïntimeerde door hem gemaakte kosten en uitgaven.
Verder vorderde hij ook de aanstelling van een deskundige om zijn integrale schade te bepalen.
De Belgische Staat betwistte deze vordering en stelde dat deze laattijdig erd ingesteld, waarbij zij verwees naar de specifieke verjaringsregeling van art. 100 en 101 van de wet op de rijkscomptabiliteit. Ten gronde had volgens haar niet zij, maar wel appellant zelf een fout begaan en was de ingeroepen schade en het oorzakelijk verband met de beweerde fout niet bewezen.
Bij bestreden vonnis van 3 juni 2013 besluit de eerste rechter tot de onontvankelijkheid wegens verjaring van de vordering van J.L. en veroordeelt hij deze laatste tot de kosten (waarbij de rechtsplegingsvergoeding gelet op de kosteloze rechtspleging werd bepaald op het minimumbedrag).
J.L. kon zich hiermee geenszins akkoord verklaren en heeft hoger beroep ingesteld waarmee hij de inwilliging van zijn oorspronkelijke vordering beoogt.
Hij herneemt ten gronde zijn eerdere argumentatie op basis van art. 1382 e.v. B.W. en zet in subsidiaire orde uiteen dat hij na beroep wel degelijk een beter resultaat zou bekomen hebben, minstens dat er sprake is van een verlies van een kans.
De Belgische Staat van haar kant vraagt het hoger beroep niet-ontvankelijk, minstens niet-gegrond te verklaren en het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn beschikkingen, met veroordeling van appellant tot de kosten. Zij treedt de eerste rechter bij da de vordering onder verwijzing naar art. 2262bis §1, tweede alinea B.W. verjaard was, aar herneemt daarenboven ook haar eerder ingeroepen argumentatie zowel wat betreft e verjaring als ten gronde. Subsidiair verdedigt zij de opgelegde administratieve geldboete.
Bij tussenarrest van 17 november 2016 heeft het hof het debat heropend ten inde aan J.L. toe te laten een kopie voor te leggen van het arrest van 25 september 2007 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
Bij volgend tussenarrest van 12 januari 2017 heeft het hof ambtshalve de vraag gesteld of: Gelet op de kracht van gewijsde van het arrest van het hof van beroep te Gent van 8 september 1999 en van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge van 1 april 1996, het al dan niet verschuldigd zijn van de btw nog ter discussie kan worde,, gesteld ?
Diende niet te worden overgegaan tot een procedure herroeping van het ge1, ijsde op grond van art. 1133, 3° Ger. W. dat stelt dat een verzoekschrift tot herroeping van het gewijsde kan worden ingediend wanneer tussen dezelfde partijen, handelend in dezelfde hoedanigheid, onverenigbare beslissingen zijn gewezen over hetzelfde onderwerp en op deze de grond.
Zijn het arrest van het hof van beroep te Gent van 8 september 1999 en het arrest van het Europees Hof van de Rechten van de Mens van 25 december 2007 geen onverenigbare beslissingen in de zin van art. 1133, 3° Ger. W. nu het ene hof heeft beslist tot de onontvankelijkheid van het hoger beroep, terwijl het andere hof heeft beslist dat de maatregel van onontvankelijkheid in strijd is met art. 6 EVRM?
Het debat werd heropend teneinde aan de partijen toe te laten standpunt in te nemen over deze vragen.
J.L. argumenteert dat:
- het instellen van een procedure tot herroeping van het gewijsde een mogelijkheid is, maar geen verplichting. In art. 1133 Ger.W. is immers sprake van "kan" en niet van "moet"
- het voorwerp van de vordering niet hetzelfde is vermits niet wordt gevraagd de beslissing
op grond waarvan J.L. gehouden is de btw te betalen teniet te oen, maar wel de veroordeling van de Belgische Staat op grond van art 1382 B.W. omdat door de toepassing van de toen heersende procedureregels zijn rechten van verdediging werden geschonden.
Ook de Belgische Staat betwist de stelling dat diende te worden overgegaan ot het instellen van een procedure overeenkomstig art. 1133 Ger.W.
Beoordeling
a. herroeping van het gewijsde
De partijen hebben terecht geargumenteerd dat de door J.L. gestelde vordering geen herroeping van het gewijsde inhoudt. Het onderwerp van de vordering betreft immers niet een herziening van het arrest van het hof van beroep te Gent van 8 september 1999 en van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge van 1 april 1996 over het al dan niet verschuldigd zijn van de btw, maar wel een vordering tot schadevergoeding op grond van art. 1382 B.W. ten aanzien van de Belgische Staat omdat zij op foutieve wijze de procedure heeft georganiseerd door een (te hoge) consignatie als ontvankelijkheidsvoorwaarde voor het hoger beroep te vereisen. Zodoende heeft J.L. de kans verloren de zaak opnieuw ten gronde te laten beoordelen door het hof van beroep te Gent.
Zijn huidige vordering betreft de vergoeding van de hierdoor geleden schade bestaande uit het verlies van die kans.
b. verjaring van de vordering
Krachtens artikel 1, eerste lid, a, van de wet van 6 februari 1970 betreffende de verjaring van de schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën en artikel 100, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, zijn verjaard en voorgoed vervallen ten voordele van de Staat, de schuldvorderingen, waarvan de op wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet is geschied binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan.
Overeenkomstig art. 101 van voormeld KB wordt de verjaring gestuit volgers de regels van het gemeen recht.
Voor het ontstaan van de vordering uit onrechtmatige daad is niet alleen vereist dat het slachtoffer kennis heeft van de schade maar ook van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.
J.L. heeft ten vroegste kennis gekregen van de fout begaan door de Belgische Staat na het arrest van het Hof van Cassatie van 3 januari 2003. Het is pas op dat ogenblik dat definitief is komen vast te staan dat de vereiste van consignatie, de behandeling van het geschil ten gronde door het hof van beroep te Gent, belette. Er kan aangenomen worden dat J.L. pas na overleg met zijn advocaat tot de constatatie is gekomen dat de Belgische Staat bij het opstellen van de procedureregels een fout heeft begaan.
Samen met de eerste rechter is het hof dan ook van oordeel dat Jules Lonck ten laatste op -·het ogenblik van het inleiden van zijn vordering voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, zijnde 30 juni 2003 kennis heeft gekregen van de fout van de Belgische Staat en van de door hem geleden schade.
Door de inleiding van die vordering heeft hij immers blijk gegeven van zijn overtuiging dat de Belgische Staat bij het opstellen van de procedureregels een fout heeft begaan. Voor de start van de verjaring is niet vereist dat het bestaan van de fout juridisch vaststaat. De schade is ontstaan op het ogenblik dat hij de kans heeft verloren zijn geschil door het hof van beroep ten gronde te laten beoordelen (arrest van het hof van beroep te Gent van 8 september 1999, waartegen de cassatievoorziening werd verworpen bij arret van 3 januari 2003.
J.L. verwijst naar de absolute verjaringstermijn van twintig jaar vastgelegd in art. 2262, bis §1, derde lid B.W. Voor zover deze wetsbepaling al naar analogie zou kunnen worden toegepast op vorderingen ten aanzien van de Belgische Staat, stelt het hof vast dat deze termijn niet aan de orde is vermits de termijn van 5 jaar bepaald in het tweede lid reeds was verstreken voor de termijn van twintig jaar.
Er bestond voor J.L. geen wettelijke onmogelijkheid om zijn vordering voor de Belgische rechter voor het verstrijken van de verjaringstermijn aanhangig e maken. De behandeling van de zaak zou moeten worden uitgesteld tot op het ogenblik dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een arrest zou hebben gewezen omdat pas vanaf dat ogenblik het al dan niet bestaan van een fout van de Belgische Staat juridisch zou zijn vastgesteld, maar dit belette J.L. niet het geding in te leiden.
J.L. duidt geen elementen aan waardoor de verjaring zouden zijn gestuit.
Gelet op art. 100 van voormeld KB had J.L. dan ook tot dagvaarding moeten overgaan voor 1 januari 2008 (dit ongeacht of bij de beoordeling van het ontstaan van de vordering wordt uitgegaan van het arrest van het Hof van Cassatie van 3 januari 2003, dan wel van de inleiding van de zaak voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens op 30 juni 2003 om de verjaring van zijn vordering te beletten.
Het bestreden vonnis waarin beslist is geworden dat de vordering is verjaard, wordt dan ook bevestigd.
Dispositif
OP DEZE GRONDEN,
HET HOF, recht doende op tegenspraak.
Bevestigt het bestreden vonnis.
Verwijst J.L. in de kosten van het hoger beroep, die aan zijn zijd niet moeten worden begroot daar zij ten zijne laste blijven en die aan de zijde van de Belgische Staat worden begroot op € 1.320,00 rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gewezen door de EERSTE KAMER van het hof van beroep te Gent zetelende in burgerlijke zaken, samengesteld uit: … en uitgesproken door de voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op 30 NOVEMBER 2017,
Ondertekeningen
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.