Chiffre d’affaires, Présomption légale, chiffre d'affaires · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 15 décembre 2020

Rechercher
Texte en néerlandais

Chiffre d’affaires, Présomption légale, chiffre d'affaires

https://juriel.be/fr/jurisprudence/chiffre-affaires-presomption-legale-tribunal-bruges-2020-12-15-f012

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
15 décembre 2020

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
défavorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

72 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Flandre-Occidentale, division Bruges du 15.12.2020

WF 708-15-19/015931

[Défavorable à l’Etat belge]

Taxe sur la valeur ajoutée – Chiffre d’affaires – Présomption légale

Dispositions légales

Article 53, § 1, premier alinéa, 2° et 3°, article 53octies, § 1er, premier alinéa et article 64, § 3 du Code de la TVA

Article 18 de l’arrêté royal n° 1 du 29 décembre 1992, relatif aux mesures tendant à assurer le paiement de la taxe sur la valeur ajoutée

Résumé

1) Les faits et les antécédents de procédure

Lors d’un contrôle effectué chez l’assujetti, il a été constaté qu'un certain nombre de dépôts en argent versés sur son compte bancaire professionnel n'ont pas été déclarés comme chiffre d'affaires.

Selon l’assujetti, l’origine de ces dépôts est la vente de biens immobiliers et mobiliers effectuée en Iran. L’assujettie y a hérité de biens immobiliers et les a convertis en valeur monétaire. L'argent a ensuite été transféré en Belgique par l’entremise d'amis et de connaissances. Aucun accord n'ayant pu être trouvé sur ces montants du fait d’un manque de preuves probantes, un procès-verbal a été dressé par l'administration.

La requête administrative déposée par l’assujetti à ce sujet a été rejetée par l'administration.

Par la suite, l’assujetti a déposé une requête contradictoire au greffe du tribunal de première instance de Bruges.

2) Le jugement rendu par le tribunal de première instance

L'administration a appliqué le taux de TVA de 21% sur la différence entre les montants versés sur le compte bancaire professionnel de l’assujetti et le chiffre d'affaires déclaré sur la base de la présomption légale de l'article 64, §3, du Code de la TVA. Le juge confirme que le raisonnement de l'administration selon lequel la différence découle de l'activité professionnelle du contribuable est logique.

Toutefois, la Cour considère également comme crédible la déclaration de l’assujetti concernant le fait qu’il aurait hérité de ses parents de biens immobiliers en Iran.

Au cours de la procédure judiciaire, l’assujetti a déposé des documents émanant du service de l’enregistrement iranien, des relevés bancaires relatifs aux retraits en espèces, des extraits bancaires démontrant que les retraits en espèces ont principalement eu lieu lorsque l’assujetti était présent en Iran. Par ailleurs, il ressort de l'arrêt de la Cour d'appel de Gand du 18 décembre 2012 (2011/AR/2544) que le transfert d'argent liquide par porteur est le seul moyen de transférer des fonds vers la Belgique. En Iran, il est interdit d’effectuer des virements transfrontaliers de rials convertis en euros. En outre, les rials ne peuvent être exportés et doivent être échangés en euros en Iran.

Sur cette base, le tribunal juge que l’assujetti a présenté à suffisance la preuve contraire démontrant que les fonds provenaient bien d'un héritage reçu en Iran et non de son activité professionnelle. La demande de l’assujettie est donc été déclarée recevable et fondée.

Remarque

L’administration a acquiescé au jugement

Texte du jugement

Le jugement est publié uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Tiende Kamer

Vonnis van 15/12/2020

Rol: 20/214/A

De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Tiende Kamer, heeft het volgend vonnis verleend:

In de zaak :

Y.M. (RRN: 600....94), frituuruitbaatster (KBO: 0789....88), wonende te ...,failliet verklaard bij vonnis van 3 september 2020 van de Ondernemingsrechtbank GENT, afdeling BRUGGE, eisende partij, voor wie optreedt meester ..., advocaat te ...,

tegen :

de BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Minister van Financiën, met kantoren gevestigd te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal, Directeur van het KMO Centrum Brugge, met kantoor te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4, verwerende partij, voor wie optreedt de heer X, attaché (ref. kmo.brugge.expertise1@minfin.fed.be ), Mede inzake:

R.C. QQ V.Y.M. (KBO: 0446....21), advocaat met kantoor te ... , in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van mevrouw Y.M. (RRN: 600....94), frituuruitbaatster (KBO: 0789....88), wonende te ... daartoe aangesteld bij vonnis van 3 september 2020 van de Ondernemingsrechtbank GENT, afdeling BRUGGE, vrijwillig gedingshervattende partij, voor wie optreedt meester ...

I. RECHTSPLEGING.

Gelet op het tijdig ingediende bezwaarschrift.

Gelet op de beslissing genomen door de ambtenaar - voor de Adviseur-generaal - de dato 30.07.2019 waardoor het bezwaarschrift als ongegrond werd afgewezen.

Gelet op het fiscaal verzoekschrift tijdig ingediend ter griffie de dato 21.01.2020. Gelet op de hervatting van geding ov. artikel 819 Ger.W.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 17.11.2020.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAI<.

2.1. De bestreden beslissing de dato 30.07.2019 licht de procedure, de bezwaren en de onderliggende feiten toe.

2.2. Eiseres vraagt dat:

- het verzoekschrift ontvankelijk en gegrond wordt verklaard.

- het proces-verbaal van 15.10.2018, het dwangbevel met artikelnummer 500/2027/37147 en de administratieve beslissing van 30.07.2019 nietig of ongegrond worden verklaard.

- dienvolgens de gevorderde BTW, boete en intresten niet verschuldigd zijn.

- dienvolgens de teruggave wordt bevolen van alle sommen die ten onrechte werden geïnd, vermeerderd met de interesten vanaf datum van betaling of inhouding.

- verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in haar hoofde begroot op de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 2.400,00 EUR en de bijdrage pro-deo fonds.

2.3. Verweerder vraagt dat de vordering ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten als naar recht.

III. BEOORDELING.

3.1. nopens de ontvankelijkheid.

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

3.2. nopens de grond.

3.2.1. Na controle worden bepaalde stortingen op de beroepsrekening van Y.M. (119.746,44 EUR) aanzien als niet aangegeven omzet.

Ingevolge het wettelijk vermoeden van artikel 64, § 3 WBTW betreft het toe te passen BTW-tarief het normale tarief van 21 %. Bijgevolg resulteerde dit in een totaal aan verschuldigde BTW ten bedrage van 20.782,44 EUR.

Volgens verweerder toont eiseres niet aan wat de oorzaak is van het vastgestelde verschil tussen de gedane stortingen en de aangegeven omzet. Aangezien Y.M. een zelfstandige beroepsactiviteit heeft is het logisch te veronderstellen dat dit verschil voortkomt uit de beroepsactiviteit van eiseres.

3.2.2. Het is geloofwaardig dat Y.M. goederen van wijlen jaar ouders in Iran heeft ten gelde gemaakt en de gelden van deze goederen heeft gestort op een Iraanse rekening om ze dan vervolgens cash af te halen en ze gefaseerd te laten overbrengen door kennissen naar België.

Er kan hiervoor nuttig verwezen worden naar de documenten van het departement registratie uit Iran. Uit deze stukken blijkt dat Y.M. in de periode 2013-2016 ongeveer 10.725.000.000,00 riaIs of 333.784,71 EUR heeft ontvangen uit de verkoop van onroerende en roerende goederen. Verder blijkt uit verklaringen van de bank dat er 6.100.000.000,00 rials of ongeveer 189.000,00 EUR in voormelde periode werden afgehaald van de bankrekening van Y.M. en dat cash per drager de enige manier is om gelden over te brengen naar België. Tenslotte blijkt uit de rekeninguittreksels van de Iraanse rekening in de periode 25.12.2013 - 10.01.2016 dat er voornamelijk geldafhalingen zijn gebeurd op momenten dat Y.M. in Iran was.

De stortingen van 119.746,44 EUR op de beroepsrekening van Y.M. zijn verantwoord.

Eiseres heeft wel degelijk het tegenbewijs geleverd dat de gelden afkomstig zijn uit een erfenis in Iran en niet afkomstig zijn uit de uitbating van een frituur. De vermeende meeromzet is niet bewezen.

3.2.3. Alle verdere argumentatie is niet langer dienend.

3.3. nopens de kosten

Verweerder wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moet hij de gerechtskosten dragen. In hoofde van eiseres wordt zij begroot op 2.400,00 EUR rechtsplegingsvergoeding (basisbedrag) en de bijdrage pro-deo fonds. De waarde van de vordering situeert zich immers tussen de 20.000,01 en de 40.000,00 EUR.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend. Verleent akte van de hervatting van het geding.

Verklaart de fiscale vordering ontvankelijk en gegrond in de mate zoals hierna bepaald.

Zegt voor recht dat de stortingen van 119.746,44 EUR op de beroepsrekening van Y.M. niet kunnen aanzien worden als meeromzet.

Vernietigt het bestreden dwangbevel.

Beveelt dienvolgens de teruggave van alle sommen die op grond van het aldus vernietigde dwangbevel werden geïnd, meer de interesten vanaf datum van betaling of inhouding.

Veroordeelt verweerder tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven, aan de zijde van eiseres begroot op 2.400,00 EUR rechtsplegingsvergoeding en de bijdrage pro­ deo fonds.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de rechtbank van eerste aanleg West­ Vlaanderen, afdeling Brugge, burgerlijke sectie, tiende kamer, op VIJFTIEN DECEMBER TWEEDUIZEND TWINTIG waar zitting hadden: ...

Ondertekeningen

Textes cités

2
CTVA art. 644 occurrences
AR no 1 art. 182 occurrences

Décisions similaires

8