Assujettissement, Point de départ de l’assujettissement · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour de cassation Bruxelles F.16.0032.N 18 janvier 2018

Rechercher

Assujettissement, Point de départ de l’assujettissement

https://juriel.be/fr/jurisprudence/assujettissement-point-depart-deduction-taxe-cassation-bruxelles-2018-01-18-15a2

Juridiction
Cour de cassation
Siège
Bruxelles
Numéro de rôle
F.16.0032.N
Date
18 janvier 2018

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
français
Sens lu par le SPF
favorable à l'État belge

Texte

49 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour de cassation du 18.01.2018 (F.16.0032.N)

WF 710-15-09/098244

[Favorable à l’administration]

Assujettissement – Point de départ de l’assujettissement – Déduction de la taxe en amont – Opérations à la sortie – Activité économique – Exemptions – Opérations financières exemptées

Dispositions légales

Article 4, § 1er, du Code de la TVA

Article 44, § 3, 10°, du Code de la TVA

Article 45, § 1er, du Code de la TVA

Résumé

I. Les faits

Le litige oppose à l’Etat belge une société anonyme qui a été constituée afin de réaliser un projet immobilier en collaboration avec une institution publique. Cette collaboration a échoué. Ce projet n’a en effet jamais été mis en œuvre. Du fait qu’aucun des travaux planifiés n’a jamais été entrepris, il n’y a jamais eu de chiffre d’affaires comptabilisé. La société a déposé des déclarations périodiques en nattière de TVA dans lesquelles elle a déduit la TVA qui lui avait été portée en compte.

Après divers contrôles, des procès-verbaux de régularisation ont été rédigés dans lesquels il est relaté que la TVA déduite devait être reversée car elle avait été injustement déduite en raison de l’absence de réalisation d’opérations à la sortie au sens de l’article 45, § 1er, du C.TVA, de l’absence de l’intention de réaliser de telle opérations et de l’absence d’une qualité d’assujetti. Des oppositions à contrainte ont été introduites devant le tribunal de première instance.

II. Antécédents de la procédure

Tant le premier juge que la cour d’appel ont considéré que la position de l’administration devait être approuvée car il est incontestable que, depuis le 2 octobre 1996, la demanderesse n’avait plus l’intention d’exercer une activité économique au sens de l’article 4 du C.TVA. A cette date, la société a introduit devant le tribunal de commerce, dans la procédure mentionnée ici, une demande reconventionnelle qui était exclusivement axée sur l’obtention d’une indemnisation la plus élevée possible de ses actions.

Contrairement à ce que soutient la société, poser des actes qui étaient nécessaires pour obtenir une indemnisation complète ne peut pas à tout le moins être considéré comme « des activés émanant de son activité économique ».

La société a introduit un pourvoi en cassation.

III. Moyen unique de cassation

La demanderesse a soulevé comme unique moyen que l’arrêt attaqué viole les articles 4, § 1er, 45,§1er, et 44, § 3, 10°, du C.TVA, parce que la qualité d’assujetti à la TVA et l’octroi du droit à déduction pour la période concernée lui ont été refusés.

IV. Décision de la Cour de cassation

La Cour de cassation observe que les juges d’appel ont décidé que la demanderesse n’avait pas le droit de déduire la taxe en amont qui grevait les livraisons de biens et les prestations de services fournies en vue de racheter la participation, parce qu’il ne ressort pas que dans l’indemnisation supplémentaire, que la demanderesse a obtenue dans le cadre de la transaction, les coûts pour lesquels la demanderesse demande le droit à déduction sont inclus.

Le moyen qui ne s’oppose pas à ce motif indépendant non critiqué est, à défaut d’intérêt, non recevable.

Remarque

Le moyen de cassation soutient qu’il ressort des faits constatés par la décision d’appel attaquée que la demanderesse en cassation avait l’intention de réaliser un chiffre d’affaires. Le moyen requiert dès lors un examen des faits pour lequel la Cour de cassation n’est pas compétente. Le moyen de cassation qui ne peut conduire à une cassation est à défaut d’intérêt non recevable.

Texte de l’arrêt

L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

Arrest van het Hof van Cassatie d.d. 18.01.2018 (F.16.0032.N)

EP. nv, met zetel te …, eiseres, vertegenwoordigd door mr. …, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te …, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

1.BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12,

2.BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, voor wie optreedt de administratie btw, registratie en domeinen, btw ontvang­ kantoor …, met kantoren te …, verweerders, vertegenwoordigd çloor mr. …, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te …, waar de verweerders woonplaats kiezen.

I.RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 15 september 2015.

Advocaat-generaal met opdracht Johan Van der Fraenen heeft op 2 oktober 2017 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Koemaad Moens heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd.

Il.CASSATJEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III.BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1.De appelrechters verwerpen de aftrek van de voorbelasting voor de periode na 2 oktober 1996 niet alleen omdat de eiseres nooit een economische activiteit heeft uitgeoefend.

Zij oordelen ook dat het recht op aftrek van de btw die op het betrekken van goederen of diensten drukt, veronderstelt dat de voor de verwerving gedane uitgaven zijn opgenomen in de prijs van de belaste handelingen in een later stadium waar­ voor recht op aftrek bestaat en dat zelfs als aangenomen wordt dat er sprake was van een intentie tot economische activiteit, die buiten de wil van de eiseres niet kon worden gematerialiseerd, dan nog uit niets blijkt dat de kosten waarvoor de eiseres recht op aftrek vraagt, werden opgenomen in de bijkomende vergoeding die de eiseres ontvangen heeft in het kader van de dading.

2.De appelrechters oordelen aldus tevens dat de eiseres geen recht op aftrek heeft van de voorbelasting die verband houdt met goederen of diensten geleverd met het oog op de verzilvering van de participatie; omdat niet blijkt dat in de bijkomende vergoeding, die de eiseres ontvangen heeft in het kader van de dading, de kosten zijn opgenomen waarvoor de eiseres het recht op aftrek vordert.

Het middel dat niet opkomt tegen deze zelfstandige niet-bekritiseerde reden, is, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk.

Dispositif

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 546,66 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter …, als voorzitter, en de raadsheren …, en in openbare rechtszitting van 18 januari 2018 uitgesproken door sectievoorzitter- …, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht …, met bijstand van griffier …

Ondertekeningen

Textes cités

3
CTVA art. 44 occurrences
CTVA art. 454 occurrences
CTVA art. 443 occurrences

Décisions similaires

8