Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance d’Anvers du 02.11.2018
WF 713-15-17/004187
[Favorable à l’État belge]
Taxe sur la valeur ajoutée – Assujettissement – Début de l’assujettissement – Intention de commencer une activité économique – Droit à déduction - Leasing immobilier
Dispositions légales
Article 4, § 1er, et article 45, § 1er, du Code de la TVA
Arrêté royal n° 30 relatif à l'application de la taxe sur la valeur ajoutée à la location-financement d'immeubles
Résumé
1) Les Faits et les antécédents de procédure
Un contrat de leasing immobilier concernant la construction d’une menuiserie a fait l’objet d’un acte notarié daté du 10 septembre 2015. Dans ce contrat de leasing, le requérant, assujetti en tant que personne physique, agit en tant que donneur en leasing, tandis que la SPRL qui porte son nom agit en tant que preneur en leasing. Suite à un contrôle effectué en 2016, la déduction de la TVA grevant les factures relatives à la construction du bâtiment industriel qui avait été opérée par l’assujetti a été rejetée. En effet, une habitation privée avait déjà été construite en 2013 sur la même parcelle de terrain.
2) La décision
Dans ses arrêts INZO, C-110/94 du 29 février 1996 (Rec. 1996 I-00857 ; Fisconetplus) et Rompelman, C-268/83 du 14 février 1985 (Rec. 1985 00655), la Cour de justice a jugé que l’article 4 de la sixième directive 77/388/CEE ne s’oppose pas à ce que l'administration fiscale exige que l'intention déclarée de commencer des activités économiques donnant lieu à des opérations imposables soit confirmée par des éléments objectifs. Les deux parties se réfèrent également à l’arrêt rendu par la Cour de justice dans l’affaire Waterschap Zeeuws Vlaanderen, C-378/02 du 2 juin 2005 (Rec. 2005 I-04685 ; Fisconetplus). La décision n° E.T. 110.412 du 20 décembre 2005 (Fisconetplus) déduit à juste titre de cette jurisprudence que lorsqu'une personne physique ou morale avait acheté un bien en qualité de non-assujetti, que cette personne acquiert par la suite la qualité d'assujetti et qu'elle utilise ce bien comme bien d'investissement pour les besoins de son activité économique, cette personne n'est pas autorisée à déduire tout ou partie de la taxe ayant grevé l'acquisition de ce bien.
Le requérant supporte la charge de la preuve démontrant que les conditions régissant le droit à déduction au sens de l’article 45, § 1er, du Code de la TVA sont satisfaites. Le requérant invoque qu’en 2013, il était, en qualité d’assujetti, le bénéficiaire des livraisons concernant la construction du bâtiment industriel. L’administration allègue que le requérant a réceptionné les livraisons principalement en sa qualité de non-assujetti.
Le tribunal constate que le requérant ne démontre pas que pendant la période de la construction de ce bâtiment industriel, il exerçait une activité économique en vertu de laquelle il pouvait être considéré comme un assujetti en vertu de l’article 4, § 1er, du Code de la TVA. Le requérant ne prouve également pas que les seules opérations préalables qu’il a effectuées déjà durant cette période ont été faites en prévision de l’exercice d’une activité économique envisagée. Il ne ressort également pas que, préalablement à la conclusion du contrat de leasing immobilier le 10 septembre 2015, l’intention dans le chef du requérant était de mettre le bâtiment industriel à la disposition d’une société par le moyen, il est vrai en exemption de la TVA, d’un leasing immobilier. Apparemment, le requérant avait uniquement l’intention, en concluant un contrat de leasing immobilier, de créer un droit réel gratuit qui ne consiste pas en une opération soumise à la taxe visée à l’article 2 du Code de la TVA.
Aucun droit à déduction de la TVA ne pouvant naître d’une activité en tant qu’assujetti en 2015 (CJUE, Waterschap Zeeuws Vlaanderen, C-378/02, op. cit.), il n’est donc pas nécessaire d’analyser si les conditions prévues à l’A.R. n° 30 sont satisfaites.
Texte du jugement
Le jugement est publié uniquement dans la langue originale
Corps de la décision
Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen, sectie burgerlijke rechtbank d.d. 02.11.2018
Rolnr. 17/3523/A
Vonnis Inzake:
B.S. onroerend leasinggever, gevestigd te … , met ondernemingsnummer 0633. …, eiser, vertegenwoordigd ter zitting door meester … ,
TEGEN:
DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal, Directeur van het KMO Centrum Mechelen, met kantoren gevestigd te 2800 Mechelen, Zwartzustersvest 24 bus 17. Verweerder, vertegenwoordigd ter zitting door de heer … , in hoedanigheid van rijksambtenaar voor de Federale Overheidsdienst Financiën.
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer:
-het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 7 juli 2017,
-de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, §1 van het Gerechtelijk Wetboek op 4 oktober 2017,
-de besluiten van partijen.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in de gerechtszaken. Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 28 september 2018.
Vordering van eiser - ontvankelijkheid
De vordering van eiser strekt tot vernietiging dan wel van nul en generlei waarde verklaren van het proces verbaal van 18 oktober 2016 dat "fungeert als grondslag voor het betaalbericht met kenmerk 500.1 707.71809", en tot het van nul en generlei waarde laten verklaren van dit proces-verbaal en betaalbericht.
Eiser verzoekt eveneens om verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op een rechtsplegingsvergoeding van 2.400,00 euro.
De Belgische staat (ook aangeduid als "administratie") verzoekt om deze vordering ontvankelijk maar ongegrond te verklaren en eiser te veroordelen tot de kosten, door de Belgische staat niet begroot.
De ontvankelijkheid van de vordering van eiser wordt door verweerder niet betwist. Er zijn evenmin ambtshalve aan te voeren bezwaren betreffende de ontvankelijkheid.
Situering
Naar aanleiding van een controle in maart 2016 die betrekking had op het kalenderjaar 2015, werd door de administratie het recht op btw-aftrek verworpen, dat door eiser werd uitgeoefend met betrekking tot de facturen voor de oprichting van een werkhuis/schrijnwerkerij gelegen Emile Vermeulenstraat 145 te Zoersel.
Dit werkhuis, waarbij op hetzelfde perceel eveneens een woning werd opgericht, werd in 2013 opgericht. De facturen waarvoor het recht op aftrek wordt betwist, dateren van september en oktober 2013 en waren grotendeels gericht aan eiser en zijn echtgenote gezamenlijk.
Oorspronkelijk was het de bedoeling dat het onroerend goed dat werd opgericht door eiser en zijn echtgenote, voor het gedeelte dat betrekking had op het werkhuis, in vruchtgebruik zou worden overgedragen aan bvba Bogaerts Stefaan (voorheen Bogaerts Roger VOF, zie stuk 4 van verweerder).
Eiser werd geregistreerd voor Btw doeleinden als leasinggever van onroerende goederen op basis van een aanvraag van 17 juni 2015.
Bij notariële akte van 10 september 2015 werd een overeenkomst van onroerende leasing afgesloten met eiser en zijn echtgenote als leasinggever en de bvba B.S. als leasingnemer (stuk 8 van verweerder). In de Btw-aangifte van eiser voor het vierde kwartaal van 2015 nam eiser de Btw in aftrek over de facturen betreffende de oprichting van de schrijnwerkerij/werkhuis. Dit recht op aftrek wordt niet aanvaard door de administratie, wat heeft geleid tot het door eiser bestreden proces-verbaal van 18 oktober 2016.
Ten gronde
De aan de rechtbank voorgelegde betwisting heeft betrekking op het recht op aftrek van Btw. Om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen, moet eiser kunnen aantonen dat de door hem ontvangen goederen of diensten werkelijk door hem werden ontvangen en werden dat die goederen en diensten door hem als belastingplichtige werden gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen zoals bedoeld in artikel 45, §1, 1° Btw-wetboek. De andere handelingen vermeld in artikel 45, §1 zijn niet relevant voor de betwisting en worden door partijen niet aangehaald.
Eiser draagt de bewijslast inzake het voldaan zijn aan de voorwaarden voor het uitoefenen van een recht op btw-aftrek. Eiser voert aan dat hij reeds in 2013, in hoedanigheid van belastingplichtige, ontvanger was van de leveringen betreffende de oprichting van het werkhuis, en deze heeft gebruikt voor de onroerende leasing aan bvba Stefan Bogaerts.
De administratie voert hoofdzakelijk aan dat eiser de leveringen ontvangen heeft in de hoedanigheid niet-belastingplichtige particulier zonder recht op aftrek, en ook geen recht op aftrek verkrijgt op basis van een later (in 2015) verkregen hoedanigheid van belastingplichtige.
Artikel 4, §1 Btw Wetboek luidt als volgt : "Belastingplichtige is eenieder die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten verricht die in dit Wetboek zijn omschreven, ongeacht op welke plaats de economische activiteit wordt uitgeoefend."
Artikel 8, §2 Btw Wetboek luidt als volgt : "Eenieder die, anders dan in de uitoefening van een economische activiteit, een goed bedoeld in artikel 1, § 9, 1°, heeft opgericht, heeft laten oprichten of met voldoening van de belasting heeft verkregen en waarop hij, vóór het verstrijken van de in paragraaf 1 bepaalde termijn, onder bezwarende titel een zakelijk recht vestigt in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, heeft ten aanzien van deze vestiging de hoedanigheid van belastingplichtige wanneer hij op de door de Koning te bepalen wijze kennis heeft gegeven van zijn bedoeling de vestiging van dit zakelijk recht te doen met voldoening van de belasting.
Deze persoon heeft eveneens de hoedanigheid van belastingplichtige, wanneer de in het eerste lid beoogde vestiging van het zakelijk recht daarenboven betrekking heeft op het bijhorende terrein."
Beide partijen verwijzen naar de rechtspraak van het Hof van Justitie inzake Waterschap Zeeuws Vlaanderen van 2 juni 2005, (C-378/02). In dit arrest wordt (verwijzend naar het arrest Lennartz van 11 juli 1991, C-97/90) onder meer vermeld "Na in herinnering te hebben gebracht dat artikel 17 van de Zesde richtlijn het tijdstip bepaalt waarop het recht op aftrek ontstaat, en na erop te hebben gewezen dat enkel de hoedanigheid waarin de betrokken particulier op het tijdstip van de aanschaf van het goed heeft gehandeld, kan bepalen of er een recht op aftrek bestaat, heeft het Hof vastgesteld dat artikel 20 van deze richtlijn, met het opschrift "Herziening van de aftrek", evenwel geen bepaling betreffende het ontstaan van een recht op aftrek bevat. Het Hof heeft geoordeeld dat deze bepaling zich ertoe beperkt de berekeningsmethode voor de herziening van de oorspronkelijke aftrek vast te leggen, en dat zij derhalve geen recht op aftrek in het leven kan roepen en evenmin de door een belastingplichtige in verband met zijn niet-belaste handelingen betaalde belasting kan omzetten in aftrekbare belasting in de zin van artikel 17 (zie arrest Lennartz, reeds aangehaald, punten 11 en 12)" (r.o. 38).
De Beslissing E.T. 110.412 van 20 december 2005 (consulteerbaar op fisconetplus.be) leidt uit deze jurisprudentie, terecht, af dat "wanneer een natuurlijke persoon of rechtspersoon een goed heeft gekocht in de hoedanigheid van niet-belastingplichtige en hij vervolgens de hoedanigheid van belastingplichtige verkrijgt en dit goed als bedrijfsmiddel voor zijn economische activiteit gebruikt, het hem niet is toegestaan om de belasting geheven van de aankoop van dit goed volledig of gedeeltelijk in aftrek te brengen".
Eiser verwijst naar de passage in de Beslissing E.T. 110.412 van 20 december 2005 waar wordt verwezen naar het arrest Rompelman van het Hof van Justitie : "Teneinde elk misverstand te vermijden, wordt benadrukt dat huidige beslissing uiteraard niets te maken heeft met de situatie waarin een persoon die, hoewel hij nog niet voor de BTW is geïdentificeerd, kosten maakt in het kader van handelingen die onmiskenbaar ter voorbereiding zijn van de uitoefening van een economische activiteit. In- dergelijke veronderstelling heeft deze persoon wegens deze voorbereidende handelingen de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige en mag hij bijgevolg de belasting geheven van de verkregen goederen en diensten in aftrek brengen, zelfs indien deze handelingen zijn BTW-identificatie voorafgaan (z. arrest HvJ van 14 februari 1985, zaak 268L83, Rompelman)."
Eiser voert daarbij aan dat de mogelijkheid om btw-aftrek te nemen niet wordt beperkt door het feit dat hij geen Btw-nummer had aangevraagd toen de betreffende aannemingswerken werden gefactureerd.
De rechtbank stelt vast dat de rechtspraak van het Hof van Justitie inzake INZO (29 februari 1996, C-110/94) en Rompelman beslist heeft dat de "belastingadministratie in dat verband rekening moet houden met het kenbaar gemaakte voornemen van de onderneming", waarbij mag worden vereist dat het "kenbaar gemaakte voornemen om een aanvang te maken met economische activiteiten die aanleiding geven tot belastbare handelingen, door objectieve gegevens wordt ondersteund" (arrest INZO r.o. 17 en 23). Minstens moet dan ook bij gebrek aan voorafgaande btw-registratie voldaan zijn aan de voorwaarde dat het gevraagde recht op aftrek betrekking heeft op handelingen die onmiskenbaar ter voorbereiding zijn van de uitoefening van een economische activiteit, zoals ook vermeld in Beslissing E.T. 110.412 van 20 december 2005.
De rechtbank stelt vast dat eiser niet aantoont dat hij ten tijde van de oprichting van het gebouw (het "werkhuis"), een economische activiteit had op basis waarvan hij als belastingplichtige kon worden beschouwd in de zin van artikel 4, §1 Btw Wetboek. Evenmin toont eiser aan dat hij enige voorbereidende handelingen heeft gesteld ter voorbereiding van een op dat tijdstip minstens reeds voorgenomen economische activiteit. Volledigheidshalve dient daaraan toegevoegd dat eiser ook geen dergelijk voornemen had kenbaar gemaakt ten aanzien van de Belgische staat, laat staan dat dergelijk voornemen door objectieve elementen door eiser wordt onderbouwd.
Ten tijde van de oprichting van het werkhuis was het bovendien de bedoeling van eiser (en mogelijks ook zijn echtgenote) een overdracht te doen van een zakelijk recht met optie voor btw-plicht, wat werd bevestigd door de gevolmachtigde boekhouder van eiser in het document van 26 mei 2016 waarin hij zijn bezwaren tegen de correctieopgave uiteenzette (stuk 4 van verweerder) :
"In eerste instantie werd de verkoop van het vruchtgebruik van de werkplaats overwogen, aangezien dit pand enkel en alleen werd opgericht om de beroepsactiviteit van de BVBA uit te oefenen. Echter, diende de plannen te worden gewijzigd doordat de gemeente niet akkoord was met de splitsing van het perceel, (bijlage 1 en 2)
Indien het perceel zou kunnen gesplitst geworden geweest, zou dhr. Bogaerts op dat moment een aangifte indienen als toevallig btw-plichtige ter teruggaaf van de betaalde BTW".
Het voornemen van eiser zoals bevestigd door zijn gevolmachtigd boekhouder om toepassing te maken van de optie voorzien in artikel 8 Btw Wetboek, bevestigt dat de oprichting door eiser (en zijn echtgenote) gebeurde "anders dan in de uitoefening van een economische activiteit" zoals vermeld in artikel 8, §2 Btw Wetboek.
Het recht op aftrek van Btw ontstaat voor een optioneel belastingplichtige slechts indien en wanneer effectief een onroerend goed-transactie plaatsvindt waarbij geopteerd is voor de Btw zoals voorzien in artikel 8, §2 Btw Wetboek (vergelijk W. Huber en N. Muyshondt, "Vastgoedprojecten en BTW", TFR 2012, nr. 425, p. 630). De intentie of het voornemen om een onroerend goed over te dragen als optioneel btw-plichtige volstaat dan ook niet om recht te geven op btw-aftrek. Eiser beroept zich overigens ook niet op de oorspronkelijk voorgenomen overdracht van een zakelijk recht op het werkhuis met optionele toepassing van Btw om zijn recht op btw-aftrek te onderbouwen.
In het document (bezwaar) uitgaande van de gevolmachtigde boekhouder van eiser van 16 januari 2017 (stuk 5 van verweerder) over de leasingovereenkomst van 10 september 2015 wordt eveneens vermeld : "dat het sluiten van de overeenkomst wel degelijk voorafgaat aan de verkrijging van de gebouwen aangezien de vennootschap van een tijdelijk gratis gebruiksrecht genoot tot aan het afsluiten van overeenkomst".
Bijgevolg blijkt zelfs niet dat voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst van onroerende leasing op 10 september 2015 (stuk 8 van verweerder) de intentie in hoofde van eiser voorlag om een het opgerichte werkhuis ter beschikking te stellen van de vennootschap door middel van een, weliswaar van Btw vrijgestelde, onroerende verhuur. Blijkbaar had eiser de bedoeling om het sluiten van de overeenkomst van onroerende leasing op 10 september 2015 een gratis gebruiksrecht toe te staan dat geen belaste handeling vormt zoals bedoeld in artikel 2 Btw Wetboek waar ook geen recht op aftrek op kan worden gebaseerd. -Eiser voert dit ook niet aan.
Louter volledigheidshalve merkt de rechtbank nog op dat eiser niet verduidelijkt of de leveringen waarop de facturen aan hem zijn gebeurd dan wel, zoals op de facturen voor de meest substantiële bedragen, aan eiser en aan zijn echtgenote gezamenlijk. De echtgenote van eiser was mede leasinggever in de overeenkomst van 10 september 2015. Het recht op btw-aftrek werd alleen door eiser uitgeoefend. Dat de echtgenote van eiser eveneens een economische activiteit als belastingplichtige zou (voorbereid) hebben wordt niet door eiser vermeld.
De rechtbank stelt vast dat eiser niet aantoont dat hij de leveringen betreffende de oprichting heeft ontvangen als belastingplichtige met het oog op het verrichten van belaste handelingen, zodat hij niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast overeenkomstig artikel 45, §1 Btw Wetboek.
De beoordeling van het al dan niet voldaan zijn aan de voorwaarden voorzien in het KB nr. 30 van 29 december 1992 dient gelet op het voorgaande niet te gebeuren aangezien uit de activiteit als belastingplichtige in 2015 geen recht op Btw-aftrek meer kan ontstaan (HvJ, Waterschap Zeeuws Vlaanderen, 2 juni 2005, C-378/02).
Dispositif
OM DEZE REDENEN DE RECHTBANK
Rechtdoende op tegenspraak.
Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.
Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk maar ongegrond.
Veroordeelt eiser tot de kosten van het geding, door verweerder niet begroot en door de rechtbank vereffend op nihil.
Dit vonnis werd uitgesproken op twee november tweeduizend achttien in openbare zitting van de Kamer AFI1, die samengesteld was uit: …
Ondertekeningen
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.