Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance d'Anvers, division Anvers du 04.11.2024
Taxe sur la valeur ajoutée – Achats au noir – Présomptions légales et de fait – Amende TVA 200% – Fraude
[ Jugement partiellement favorable ]
Dispositions légales
Art. 64, §1 CTVA, art. 70, §1 et 1bis CTVA
Résumé du jugement / de l’arrêt:
1. Faits
Depuis le 9 janvier 2018, le demandeur est identifié comme assujetti à la TVA pour les activités de « cafés et bars », et a fait l'objet d'un contrôle de TVA relatif à ses achats auprès d'un certain négociant en boissons pour la période allant du 1er septembre 2018 au 5 décembre 2018.
Suite à ce contrôle, un procès-verbal de régularisation daté du 30 novembre 2021 et un avis de perception et recouvrement ont été établis à hauteur de 3 405,12 euros de TVA, 6 810,25 euros à titre d'amendes (200%), plus les intérêts à compter du 21 janvier 2019.
Le 19 décembre 2021, le demandeur a renoncé au temps couru de la prescription et le 19 janvier 2023, un procès-verbal complémentaire a été établi pour motiver l’amende fiscale proportionnelle de 200%.
Le 27 juillet 2023, le demandeur a fait opposition.
2. La décision
Sur la base des achats du demandeur auprès du négociant en boissons, l'administration a appliqué la présomption légale de l'art. 64, §1 du Code de la TVA.
En réponse aux arguments du demandeur, le tribunal a estimé que la présomption légale de l'art. 64, §1 Code TVA pouvait effectivement être basée sur une présomption de fait (cf. Cass. 20 janvier 2017, F.15.0129.N).
L'administration a fourni des preuves d'achats au noir par le demandeur sur la base de présomptions de faits, notamment les suivantes :
- le négociant en boissons était le plus grand fournisseur du demandeur ;
- un système de bons de livraison modifiés a été mis en place pour la période contrôlée, qui a servi de base à la facturation ;
- dans les carnets administratifs et les feuilles de route du négociant en boissons, les paiements du demandeur ont été classés par date de livraison sur la base des bons de livraison avant qu'ils ne soient modifiés.
Bien que la présomption de l'article 64, §1 du Code de la TVA soit susceptible d'être renversée, le demandeur ne fournit pas cette preuve.
En ce qui concerne l'amende de 200 %, le tribunal estime qu'une amende réduite à 100 % est proportionnée en l'espèce et constitue une sanction appropriée et adéquate. En ce qui concerne l'amende TVA réduite, le tribunal décide qu'il n'y a pas lieu d'accorder un sursis à exécution de la sanction, même s'il existait une base légale pour cela (quod non), puisque la fraude a tout de même été prouvée.
Texte intégral:
Le jugement est publié uniquement dans la langue originale.
Corps de la décision
23/3025/A
Inzake:
R.BV,
met maatschappelijke zetel te …, KBO: 06…03,
eiseres
- vertegenwoordigd ter zitting door Mr. D. T. en Mr. H. L. in eigen
naam en loco Mr. V.D. te 2018 ANTWERPEN …,
TEGEN:
DE BELGISCHE STAAT,
Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal, Directeur van het KMO Centrum Mechelen, met correspondentieadres te 9050 LEDEBERG (GENT), Gaston Crommenlaan 6 bus 767, KBO: 0308.357.159,
verweerder
- vertegenwoordigd ter zitting door mevrouw V.P., in hoedanigheid van rijksambtenaar voor de Federale Overheidsdienst Financiën.
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer:
- het verzoekschrift toegekomen ter griffie op 27 juli 2023, ingeschreven ter griffie op 27 juli
2023;
- de beschikking gewezen overeenkomstig artikel 747, §1, Ger. W. op 29 september 2023,
waarbij de conclusietermijnen en de rechtsdag werden bepaald;
- de besluiten van partijen;
- de kennisgeving conform artikel 754 Ger.W. dd. 25 september 2024.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
Ter zitting van 23 september 2024 werd de zaak verdaagd naar de zitting van 7 oktober 2024.
Gehoord partijen in hun middelen en gezegden, op 7 oktober 2024.
1. Feiten en procedurele voorgaanden
De huidige betwisting heeft betrekking op het innings- en invorderingsbericht btw met schuldnummer 50...70 waarbij een bedrag van 3.405,12 euro als btw werd gevorderd, meer een geldboete van 6.810,25 euro en intresten.
Eiseres is sinds 9 januari 2018 ais btw-belastingplichtige geregistreerd voor activiteiten van 'cafés en bars".
Eiseres is het voorwerp van een controle geweest het kader van haar aankopen bij de BV Drankenhandel Hoefnagels voor de periode van 1 september 2018 tot en met 5 december 2018.
De door verweerder vastgestelde inbreuken werden opgenomen in het proces-verbaal van regularisatie van 30 november 2021 (stuk 1 verweerder).
Volgende bedragen werden gevorderd:
· btw: 3.405,12 euro,
· proportionele geldboete: 6.810,25 euro (200%)
· te vermeerderen met de wettelijk verschuldigde interesten vanaf 21 januari 2019.
Dit proces-verbaal werd verzonden op 30 november 2021.
Voor de fiscale schuld die het voorwerp was van dit proces-verbaal, werd op 19 december 2021 een verklaring tot afstand van de verlopen tijd der verjaring ondertekend door de zaakvoeder van eiseres (stuk 3 verweerder).
Op 19 januari 2023 werd een aanvullend proces-verbaal opgesteld en ter kennis gebracht aan eiseres waarin de motieven werden opgenomen van de verbeurde proportionele fiscale boete van 200 % (stuk 4 verweerder).
Voor de schuld opgenomen in het proces-verbaal van 30 november 2021 werd het invorderingsorder met artikelnummer 50...70 opgesteld. Het register werd opgemaakt op 30 januari 2023 en op 2 februari 2023 uitvoerbaar verklaard. Een uittreksel uit het innings- en invorderingsregister werd opgestuurd op 7 februari 2023 (stuk 2 verweerder).
Eiseres diende een bezwaar in tegen beide processen-verbaal (zie stukken 4, 5 en 6 eiseres). Met deze grieven werd geen rekening gehouden (zie stuk 7 verweerder).
Op 24 juli 2023 werd 11.834,17 euro betaald en op 31 juli 2023 werd 22,67 euro betaald op het voormeld RCIV-nummer.
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 27 juli 2023 stelde eiseres een vordering in rechte in.
2. Vorderingen van partijen
De vordering van eiseres strekt ertoe:
- in hoofdorde de btw-schuld, vermeerderd met de boete van 200% en de nalatigheidsinteresten, gekend onder artikelnummer 50...70 en opgenomen in het innings- en invorderingsbericht d.d. 7 februari 2023 en opgelegd middels de processen-verbaal d.d. 30 november 2021 en 19 januari 2023, te vernietigen, minstens te ontheffen;
- in ondergeschikte orde de boete van 200% zoals gekend onder artikelnummer 50...70 te vernietigen aangezien geen bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden kan worden aangetoond;
- in meer ondergeschikte orde de btw -boete van 200% gekend onder artikelnummer 50...70 te toetsen aan het evenredigheidsbeginsel opdat een proportionele belastingheffing wordt bekomen, rekening houdende met de individuele omstandigheden die eigen zijn aan de onderliggende zaak; de btw -boete volledig kwijt te schelden, minstens te matigen;
- in meest ondergeschikte orde: de btw -boete van 200% gekend onder artikelnummer 50...70 op te leggen met uitstel;
- de Belgische Staat te veroordelen tot de terugbetaling aan eiseres van al de geldsommen die gedwongen of anders werden betaald door eiseres en door de
Belgische Staat werden aangerekend, vermeerderd met moratoriuminteresten;
- de Belgische Staat te veroordelen tot de betaling van de kosten van het geding, in hoofde van eiseres begroot op het rolrecht, de gerechtskosten, meer de rechtsplegingsvergoeding vast te stellen in toepassing van het Koninklijk Besluit d.d. 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek begroot op 1.650 euro.
De Belgische Staat verzoekt de rechtbank:
het verzoekschrift ontvankelijk maar ongegrond te verklaren;
de vordering van eiseres af te wijzen;
het schuldartikel met het nummer 50...70 opgenomen in het innings- en
invorderingsregister van 7 februari 2023 en gemotiveerd door het proces-verbaal van
30 september (lees "november") 2021 te bevestigen;
- eiseres tot de kosten te veroordelen.
3. Ontvankelijkheid
De ontvankelijkheid van de vordering van eiseres wordt door verweerder niet betwist. Er zijn evenmin ambtshalve aan te voeren bezwaren betreffende de ontvankelijkheid.
De vordering van eiseres is ontvankelijk.
4. Beoordeling
4.1. Betreffende de toepassing van het vermoeden van artikel 64, §1 W.btw
4.1.1.
In het proces-verbaal van 30 november 2021 werd vastgesteld dat voor de periode van 1 september 2018 tot en met 5 december 2018 het verschil tussen laadbons en/of leveringsbons van de BV Drankenhandel Hoefnagels en de facturatie aan eiseres (café Chaos) werd onderzocht. Hieruit is gebleken dat op systematische wijze de leveringsbonnen vanaf 26 oktober 2018 werden aangepast: de aantallen van de geleverde producten werden verminderd of volledig verwijderd. Naast de kolom aantal op de leveringsbon werd manueel aantallen bijgeschreven. Deze aanpassingen komen overeen met de aantallen die effectief werden gefactureerd door BV Drankenhandel Hoefnagels. Dit wordt ondersteund door de betaalde bedragen opgenomen in de administratieve schriften en tourbladen van BV Drankenhandel Hoefnagels. Hieruit blijkt dat de leveringsbonnen voor het volledige bedrag cash werd betaald voor de effectief geleverde goederen zoals overeenstemt met de laadbon/leveringsbon. Op basis van deze aankopen werd door verweerder het wettelijk vermoeden van artikel 64, §1 W.btw toegepast.
4.1.2.
Eiseres betwist de btw-schuld op basis van de volgende motieven:
- Het wettelijk vermoeden van artikel 64, §1 W.btw kan niet worden gebaseerd op een feitelijk vermoeden;
- Het bewijs van betaling van de verminderde/verwijderde dranken door eiseres is niet bewezen;
- Eiseres heeft de verminderde/verwijderde dranken niet geleverd gekregen. Rekening dient ondermeer te worden gehouden met de volgende redenen waarom de dranken op de leveringsbon/laadbon werden doorgehaald of verminderd : verlies door breuk, te weinig voorraad, fouten bij het orderpikken, weigering van alternatieve producten of alternatieve verpakking (dit komt o.a. voor wanneer een bepaald item niet op stock is, maar er wel de mogelijkheid is om een alternatieve verpakking van hetzelfde product aan te leveren), goederen werden foutief geleverd, op verzoek van eiseres werden items van de leveringsbon weggelaten indien blijkt dat er voor een bepaald item niet langer de behoefte is;
- Een deel van deze goederen werd geleverd aan de zaakvoerder van eiseres in haar hoedanigheid van particuliere koper. Deze goederen werden geleverd voor door haar georganiseerde privéfeesten die plaatsvonden op 17 oktober 2018, 18 oktober 2018, 20-21 oktober 2018, 24 oktober 2018 en 7 november 2018.
4.1.3.
Overeenkomstig artikel 59, §1 W.btw kunnen overtredingen of misbruiken van de bepalingen van dat Btw-Wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de opeisbaarheid van de btw of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, door de administratie bewezen worden volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën, die bewijs opleveren zolang het tegendeel niet is bewezen.
Op grond van de wettelijke vermoedens opgenomen in het artikel 64, § 1 (goederen), en in het artikel 64, § 2 (diensten) W. btw wordt hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen, behoudens tegenbewijs, geacht de door hem verkregen of geproduceerde goederen te hebben geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting.
4.1.4.
Anders dan hetgeen eiseres stelt, is de rechtbank van oordeel dat het wettelijk vermoeden van artikel 64, §1 W.btw wel degelijk kan worden kan gebaseerd op een feitelijk vermoeden (vgl. Cassatie, 20 januari 2017, F.15.0129.N).
In voorliggend geval wordt betwist dat de dranken welke opgenomen zijn in de leveringsbonnen, voor de aanpassing ervan, werden geleverd aan eiseres. Een overzicht hiervan is terug te vinden op de pagina's 4 en 5 van het PV van 30 november 2021.
Dat de dranken die werden verwijderd of verminderd op de leveringsbonnen effectief werden geleverd aan eiseres, vindt volgens verweerder steun in de administratieve schriften en toerbladen van de BV Drankenhandel Hoefnagels.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bewijs heeft geleverd van de zwarte aankopen door eiseres op basis van de feitelijke vermoedens, rekening houdende met de volgende elementen:
Eiseres verklaarde dat BV Drankenhandel Hoefnagels haar grootste leverancier was; Voor de periode 1 september 2018 — 5 december 2018 werd het verschil tussen de laadbons en/of leveringsbons onderzocht bij BV Drankenhandel Hoefnagels. Er werd een systeem vastgesteld van aangepaste leveringsbons, welke ais basis diende voor de facturatie. De leveringen aan de klanten gebeurde op basis van de doorgegeven bestelling. Elke levering werd in principe bij de volgende wekelijkse levering in cash betaald (zie bijlage 1 stuk 6 verweerder);
Voor eiseres werden in de administratieve schriften van de BV Drankenhandel Hoefnagels (bijlage 4 aan het PV van 30 november 2021) en de toerbladen van deze drankenhandelaar (bijlage 5 aan dit PV) de gedane betalingen per leveringsdatum bijgehouden. De betalingen vermeid naast de café Chaos komen overeen met de laad-en leveringsbonnen voor de wijzigingen ervan. De betalingen die blijken uit de documenten van BV Drankenhandel Hoefnagels komen dus overeen met de door verweerder weerhouden leveringsbonnen voor de aanpassing ervan;
Eiseres stelt dat een deel van de weglatingen op de leveringsbonnen bij de zaakvoerder van eiseres zijn terecht gekomen en door haar privé werden betaald, maar levert hiervan geen enkel bewijs (zie verder 4.1.5);
Op 25 oktober 2018 vroeg de zaakvoerder van eiseres aan een vertegenwoordiger van BV Drankenhandel Hoefnagels om langs te komen om "boekhoudkundige afspraken" te maken. Op 5 november 2018 liet deze weten aan de zaakvoerder "factuur van de grote levering staat nog open. lk wilde u dit maar herinneren omdat vanaf 26.10.2018 contant is en we daar niet mee missen". De zaakvoerder reageerde onmiddellijk die dag de helft te hebben betaald en volgende week maandag de andere helft (bijlagen 3 en 4 stuk 6 verweerder);
BV Drankenhandel Hoefnagels heeft een akkoord gesloten met de btw-administratie. (zie stuk 6 verweerder en bijlage 2). Verweerder stelt dat van de 68 gecontroleerde dossiers, er 67 afgesloten werden met een akkoord (zie stuk 6 verweerder en bijlage 2).
Aangezien verweerder door middel van het bewijs aan de hand van vermoedens het bewijs heeft geleverd dat alle goederen van de litigieuze leveringsbonnen werden geleverd aan eiseres, kon verweerder zich op deze niet gefactureerde aankopen steunen voor de toepassing van het wettelijk vermoeden van artikel 64, §1 W.btw.
Het standpunt van eiseres dat er meerdere valabele redenen voorhanden zijn om aan te nemen dat de op de leveringsbonnen verwijderde dranken niet werden geleverd, zijn in huidige zaak niet bewezen en evenmin geloofwaardig in het licht van de hiervoor opgesomde elementen. Anders dan eiseres voorhoudt, is de betwiste belastingschuld niet aangetast door willekeur.
4.1.5.
Het wettelijk vermoeden van artikel 64, §§ 1 en 2 is weerlegbaar.
Dit betekent dat de belastingplichtige met alle middelen van recht, uitgezonderd de eed, kan aantonen dat de goederen nog in het bezit zijn van de belastingplichtige, dat ze een bestemming gekregen hebben die geen btw opeisbaar heeft gemaakt of dat ze gestolen werden of teniet zijn gegaan.
Loutere beweringen of niet bewijskrachtige stukken volstaan niet.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet het vermoeden heeft weerlegd dat de zwarte aankopen werden gebruikt in het kader van de economische activiteit van eiseres.
De openingsdrinken waarnaar eiseres verwijst (zie stukken 8, 9 en 10 eiseres) zijn openingsrecepties van het café Chaos en derhalve geen privéfeestjes van de zaakvoerder van eiseres welke losstaan van de economische activiteit van eiseres. De dranken zijn geleverd door een groothandelaar in het café van eiseres en deze leveringen werden onderworpen aan de factureringsverplichting overeenkomstig artikel 1, 6° en 8° KB nr. 1. Bovendien stelt eiseres dat een deel van de weglatingen op de leveringsbonnen bij de zaakvoerder zijn terecht gekomen, en laat eiseres na aan te tonen om welke dranken het gaat, hoewel de bewijslast op haar schouders rust. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat er geen enkel bewijs wordt geleverd van de betaling van deze goederen door de zaakvoerder van eiseres. Op de zitting van 7 oktober 2024 wordt bevestigd dat voor de afname van deze goederen geen betaalbewijzen voorhanden zijn.
Eiseres heeft derhalve niet het wettelijk vermoeden van artikel 64, §1 W.btw weerlegd.
4.2. Betreffende de opgelegde geldboete van 200 %
4.2.1.
Eiseres betwist de opgelegde boete van 200% omdat het bedrieglijk opzet in haar hoofde niet
zou zijn bewezen. Minstens stelt eiseres dat de boete niet werd gemotiveerd of niet op een
afdoende wijze werd gemotiveerd. In ondergeschikte orde verzoekt eiseres vast te stellen dat de boete kennelijk onredelijk is in het licht van de aard van de overtreding en vraagt ze de boete kwijt te schelden of minstens te matigen. Verder ondergeschikt vraagt eiseres de gunst van het uitstel te verlenen.
4.2.2.
In casu werd de boete van 200% in het proces-verbaal d.d. 30 november 2021 gemotiveerd verwijzend naar de toepassing van artikel 70, §1 en 1 bis W.btw. Een aanvullend proces-verbaal van 19 januari 2023 werd opgesteld waarin de motieven van de geldboete werden vermeid.
De motiveringsverplichting van de btw-boete vloeit voort uit artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986 die stelt dat telkens wanneer een belastingadministratie aan een belastingplichtige een bericht zendt, waarbij hem een administratieve geldboete wordt opgelegd, dit bericht de feiten dient te vermelden die de overtreding opleveren en de verwijzing naar de toegepaste wet- of verordeningsteksten. Net bericht moet tevens de motieven opgeven die gediend hebben om het bedrag van de boete vast te stellen.
De vraag stelt zich of het proces-verbaal d.d. 30 november 2021 voldoet aan de motiveringsplicht van artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986 en of een eventueel gebrek aan motivering door een later bericht kan worden rechtgezet (in concreto het aanvullend proces-verbaal van 19 januari 2023).
De rechtbank stelt vast dat de vaststellingen opgenomen in het eerste proces-verbaal d.d. 30 november 2021, in het aanvullend proces-verbaal van 19 januari 2023 worden aangeduid ais de elementen waaruit blijkt dat de overtredingen werden begaan met de intentie de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. Deze explicitering doet volgens de rechtbank geen afbreuk aan het feit dat de boete in het proces-verbaal d.d. 30 november 2021 zelf aan de hand van de hierin opgenomen vaststellingen op een afdoende wijze werd gemotiveerd overeenkomstig artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986 zodat er geen sprake is van een gebrek aan motivering of een niet afdoende motivering van de geldboete.
4.2.3.
Eiseres voert ondergeschikt aan dat de opgelegde boete van 200% onevenredig hoog is.
Voor iedere overtreding op het recht op aftrek, wordt in toepassing van artikel 70, §1 WBTW een geldboete opgelegd geiijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. Deze geldboete komt niet in aanmerking voor vermindering wanneer blijkt dat inbreuken werden begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of ontduiking mogelijk te maken (artikel 1, tweede Iid KB nr. 41).
De rechter aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van artikel 70 WBTW te toetsen mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken. Dit toetsingsrecht moet de rechter in het bijzonder toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk. Bijgevolg moet de rechter onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. Hij mag hierbij inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar hij moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie. Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (zie Cassatie, 18 januari 2018, F.16.0160.N).
De rechtbank is van oordeel dat de herleide geldboete van 100 % in casu evenredig is met de ernst en de aard van de gepleegde inbreuken en een aangepaste en adequate sanctionering betreft van de door eiseres gepleegde feiten. Enerzijds is de fraude bewezen aangezien alle dranken vermeld op de betwiste leveringsbonnen, voor de wijziging ervan, werden geleverd aan eiseres, wat blijkt uit de betalingen die werden teruggevonden bij de BV Drankenhandel Hoefnagels. Anderzijds blijkt uit het dossier van partijen dat eiseres slechts voor enkele leveringen eind 2018, zwarte aankopen heeft gedaan bij BV Drankenhandel Hoefnagels. Door eiseres werd aangetoond en door verweerder wordt niet betwist dat de laad- en leveringsbonnen van januari en februari 2019 overeenstemden met de facturatie aan eiseres. Ook in het proces-verbaal van vaststellingen van 30 juli 2021 (stuk 7 verweerder) werd vastgesteld dat de op 22 juli 2021 onderzochte leveringsbonnen en facturen van BV Drankenhandel Hoefnagels aan eiseres, overeenstemden.
Wat het verzoek tot uitstel betreft, stelt de rechtbank vast dat de btw-wetgeving niet in de mogelijkheid voorziet om de opgelegde geldboete op grond van artikel 70, §1 W.btw met uitstel uit te spreken en dit ondanks het feit dat het Grondwettelijk Hof reeds in 2008 geoordeeld heeft dat artikel 70, §1, eerste lid W.btw ongrondwettelijk is en een schending inhoudt van artikel 6 EVRM in zoverre het de rechtbank niet mogelijk maakt de geldboete gepaard te laten gaan met uitstel (GwH 6 november 2008, nr. 157/2008 en GwH 20 februari 2020, nr. 32/2020, www.const-court.be).
Het Hof van Cassatie oordeelde dat wanneer de wet niet in die mogelijkheid voorziet en indien de rechtbank van oordeel is dat uitstel moet worden verleend, hij de belastingplichtige het passende herstel dient te bieden door de toepassing van het artikel dat de sanctie oplegde te weigeren (Cass. 12 januari 2018, F.16.0127.F, www.juportal.be, inzake artikel 70, §2, eerste lid WBTW, Cass. 20 juni 2013, F.11.007.F).
Ook indien het verzoek tot uitstel een wettelijke grondslag zou hebben gehad, dan nog is de rechtbank van oordeel dat er naast een herleiding van de btw-boete van 200 % naar 100 %, geen bijkomend uitstel van de herleide sanctie dient te worden verleend. De fraude is immers bewezen, met dien verstande dat de zwarte aankopen zich hebben beperkt tot enkele transacties eind 2018. Aan het verzoek tot uitstel van eiseres kan de rechtbank dan ook geen gevolg geven.
5. Kosten van het geding
De kosten van het geding dienen, nu partijen onderscheidenlijk omtrent enig geschilpunt in het ongelijk zijn gesteld, bij toepassing van artikel 1017, lid 4 Ger. W. tussen hen te worden omgeslagen, zodat elke partij instaat voor haar eigen kosten.
Dispositif
OM DEZE REDENEN
DE RECHTBANK
Rechtdoende op tegenspraak.
Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.
Bevestigt het schuldartikel met het nummer 50...70 zoals opgenomen in het innings-en invorderingsregister dat opgemaakt werd op 30 januari 2023 en op 2 februari 2023 uitvoerbaar verklaard werd, en gemotiveerd door het proces-verbaal van 30 november 2021, voor het bedrag van de btw van 3.405,12 euro, de proportionele geldboete van 3.405,12 euro (100 %), te vermeerderen met de wettelijk verschuldigde interesten vanaf 21 januari 2019.
Veroordeelt de Belgische Staat tot de terugbetaling aan de eiseres van al de geldsommen die ten onrechte werden betaald door eiseres of door de Belgische Staat ten onrechte werden aangerekend, rekening houdend met de herleide boete, vermeerderd met moratoriuminteresten.
Slaat de kosten tussen partijen om bij toepassing van artikel 1017, lid 4 Ger. W., zodat elke partij instaat voor haar eigen kosten.
Dit vonnis werd uitgesproken op vier november tweeduizend vierentwintig in openbare zitting van de Kamer AFi1, die samengesteld was uit:
J. V., rechter
C. L., griffier
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.