Exonérations, Déduction de la TVA en amont · Décisions anticipées

Aller au texte
Juriel

2019.1190 24 mars 2020

Rechercher
Texte en néerlandais

Exonérations, Déduction de la TVA en amontTVA - Exonérations - Déduction de la TVA en amont - Taxation optionnelle de la location immobilière - Article 44, § 3, 2°, d) du C.TVA - Assujetti partiel appliquant l’affectation réelle - Article 46, § 2 du C.TVA

https://juriel.be/fr/rulings/2019-1190-exonerations-deduction-tva-amont-taxation-b111

Numéro
2019.1190
Date
24 mars 2020

Sur le document

Collection
Décisions anticipées
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

106 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Décision anticipée n° 2019.1190 du 24.03.2020

TVA · Exonérations · Déduction de la TVA en amont · Taxation optionnelle de la location immobilière · Article 44, § 3, 2°, d) du C.TVA · Assujetti partiel appliquant l’affectation réelle · Article 46, § 2 du C.TVA

Résumé

La demande d’une décision anticipée est introduite au nom de X et de Y.

X est un établissement public au sens de l’article 6 du Code de la TVA qui n’exerce à ce jour aucune activité assujettie à la TVA. Y, une association sans but lucratif, est un assujetti mixte à la TVA qui exerce son droit à déduction de la TVA suivant l'affectation réelle (article 46, § 2 du CTVA).

Les demandeurs, à savoir d’une part, le bailleur, X, un établissement public doté de la personnalité juridique, et d'autre part, le locataire, Y, une association sans but lucratif, remplissent toutes les conditions en vue de l'application d’une location immobilière assujettie à la TVA, conformément à l’art. 44, § 3, 2°, d) du Code de la TVA. En effet, l’immeuble peut être qualifié de bâtiment au sens de l'article 44, § 3, 2°, d) du Code de la TVA, et Y, eu égard à sa déclaration expresse de n’exercer aucune activité ne relevant pas du champ d'application de la TVA, telle que des activités gratuites, affectera ledit immeuble exclusivement à des activités imposables à la TVA (soumises à la TVA ou exonérées). Dès lors, les parties peuvent conjointement opter pour la location ou la mise en location assujettie à la TVA sous le régime optionnel visé à l'article 44, § 3, 2°, d) du Code de la TVA.

En raison de la location immobilière assujettie à la TVA, X deviendra un assujetti partiel qui exercera son droit à déduction de la TVA suivant l'affectation réelle (article 46, § 2 du CTVA).

Texte de la décision

La décision est publiée uniquement dans la langue dans laquelle la demande a été introduite

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvraag om een voorafgaande beslissing wordt ingediend in naam van X en Y.

2. X is een openbare instelling met eigen rechtspersoonlijkheid die bij decreet werd opgericht. X is een openbare instelling in de zin van artikel 6 van het Btw-Wetboek die tot op heden geen aan btw onderworpen activiteiten uitoefent.

3. Y, een vereniging zonder winstoogmerk, is een btw-belastingplichtige die uitsluitend handelingen stelt die binnen de werkingssfeer van de btw vallen. Aangezien Y zowel btw-belaste als btw-vrijgestelde handelingen stelt, is Y een gemengde btw-belastingplichtige. Y oefent haar recht op btw-aftrek uit op grond van de regel van het werkelijk gebruik (artikel 46, § 2 W.BTW).

4. X heeft de intentie om een pand op te richten dat na oprichting verhuurd kan worden aan Y. Gelet op het feit dat Y een btw-belastingplichtige is en het pand uitsluitend voor de btw-plichtige (btw-belaste of van btw vrijgestelde) activiteiten van Y bestemd zal worden (cf. infra), wensen partijen op grond van artikel 44, § 3, 2°, d), van het Btw-Wetboek gezamenlijk te opteren voor een btw-belaste onroerende verhuur van het nieuw opgerichte pand.

II. Vraagstelling

5. Gelet op de argumentatie en motivering uiteengezet in de aanvraag om een voorafgaande beslissing, strekt deze aanvraag ertoe van de DVB de bevestiging te verkrijgen dat de aanvragers alle voorwaarden vervullen voor de toepassing van een btw-belaste onroerende verhuur op grond van artikel 44, § 3, 2°, d), van het Btw-Wetboek.

6. Meer bepaald verzoeken de aanvragers de DVB te willen bevestigen dat:

• het pand, zoals hierna omschreven en toegelicht, kwalificeert als een gebouw in de zin van artikel 44, § 3, 2°, d), van het Btw-Wetboek;

• Y het pand uitsluitend voor btw-belastbare (btw-belaste of van btw vrijgestelde) activiteiten bestemt.

III. Beslissing

Uit het door de DVB verrichte onderzoek blijkt wat volgt.

7. De aanvraag voldoet aan de voorwaarden van de artikelen 21 en 22 van de Wet van 24.12.2002 tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake inkomstenbelastingen en tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken.

III.A. Algemeen: toepasselijke wetsbepaling

8. Op grond van artikel.44, § 3, 2°, d), van het Btw-Wetboek zijn de volgende diensten uitgesloten van de btw-vrijstelling voor de verhuur van uit hun aard onroerende goederen:

“de verhuur van een gebouw of een gedeelte van een gebouw, dat door de huurder uitsluitend wordt gebruikt voor de economische activiteit die hem de hoedanigheid van belastingplichtige verleent, mits de verhuurder en de huurder gezamenlijk opteren om die verhuur te belasten.”

Verder wordt in deze wetsbepaling ook nog de volgende voorwaarde gesteld:

“de optie kan enkel worden uitgeoefend voor overeenkomsten die betrekking hebben op gebouwen of gedeelten van gebouwen waarvoor de belasting op de handelingen bedoeld in art. 19, § 2, derde lid, met betrekking tot het gebouw zelf en die bijdragen tot de oprichting ervan, ten vroegste op 1 oktober 2018 voor de eerste keer opeisbaar is.”

III.A.1. Voorwaarden met betrekking tot de optie

III.A.1.1. Grondvoorwaarden

9. Overeenkomstig rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij Btw-KB nr. 20 van 20.07.1970 vereist de toepassing van het verlaagd btw-tarief van 6% dat de volgende algemene voorwaarden gezamenlijk worden vervuld: De optie tot belastingheffing voor de verhuur is onderworpen aan twee grondvoorwaarden:

• de verhuur moet betrekking hebben op gebouwen of gedeelten van gebouwen, desgevallend met inbegrip van het bijhorende terrein;

• de betrokken goederen moeten worden verhuurd aan een belastingplichtige huurder die de betrokken goederen gebruikt in het kader van de economische activiteit die hem de hoedanigheid van belastingplichtige verleent.

10. De optie kan dus in de eerste plaats enkel betrekking hebben op gebouwen of gedeelten van gebouwen. Onder gebouw of gedeelte van een gebouw wordt verstaan, ieder bouwwerk dat vast met de grond is verbonden (artikel 1, § 9, 1° W.BTW; zie ook circulaire nr. 2019/C/25 (nr. E.T. 134.229) van 21.03.2019, FAQ 1, www.fisconetplus.be).

Als ook het bij het gebouw of het gedeelte van het gebouw bijhorende terrein mee wordt verhuurd, moet de optie zich ook uitstrekken tot dat bijhorende terrein. Onder bijhorend terrein wordt in dit kader verstaan, het kadastraal perceel of de kadastrale percelen waarop het gebouw of het gedeelte van het gebouw is opgericht en dat of die tegelijk met dat gebouw of gedeelte van dat gebouw door éénzelfde persoon wordt of worden verhuurd.

11. In de tweede plaats is de optie alleen maar mogelijk voor de gebouwen of gedeelten, desgevallend met inbegrip van het bijhorende terrein, indien de huurder die goederen uitsluitend gebruikt in het kader van de economische activiteit die hem de hoedanigheid van als zodanig handelende belastingplichtige in de zin van artikel 4 van het Btw-Wetboek verleent.

Hierbij is het niet van belang of het gaat om een gewone belastingplichtige dan wel een gemengde belastingplichtige of een gedeeltelijke belastingplichtige die het gebouw gebruikt voor zijn economische activiteit binnen de werkingssfeer van de btw, of zelfs een volledig vrijgestelde belastingplichtige zonder recht op aftrek of een kleine onderneming die valt onder de franchiseregeling.

Het is dus niet vereist dat de huurder de btw op de huurprijs geheel of gedeeltelijk kan recupereren. Maar de huurder moet het gebouw wel exclusief gebruiken voor een btw-plichtige (btw-belaste of van btw vrijgestelde) activiteit.

Hieruit kan worden afgeleid dat de huurovereenkomst niet kan worden onderworpen aan de toepassing van de btw, wanneer de huurder een particulier is of een andere niet-belastingplichtige persoon, zoals een zuivere holding, een publiekrechtelijk lichaam zonder enige economische activiteit (in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Btw-wetboek) of internationale instellingen en ambassades.

12. Het gebouw of het gedeelte van een gebouw mag niet als woning of, meer in het algemeen, voor andere doeleinden dan die van een economische activiteit, worden gebruikt. Het residentieel vastgoed is bijgevolg uitgesloten van de optie ten aanzien van de verhuur aan de bewoners, en wordt op grond van artikel 44, § 3, 2°, van het Btw-Wetboek vrijgesteld van de btw (Circulaire nr. 2019/C/25 (nr. E.T. 134.229) van 21.03.2019, FAQ 2, www.fisconetplus.be) (1).


[(1) De verhuur van residentieel vastgoed zoals bejaardentehuizen of studentenresidenties, door de eigenaar aan een professionele exploitant, komt daarentegen wel voor de bedoelde optie in aanmerking, zelfs wanneer de economische activiteit van de exploitant volledig van btw is vrijgesteld op grond van artikel 44, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek.]


13. Gedeelten van gebouwen komen uitsluitend in aanmerking als ze economisch zelfstandig kunnen worden geëxploiteerd. Dat is volgens de btw-administratie het geval als die gedeelten zelfstandig verhuurd en gebruikt kunnen worden (Btw-Commentaar, editie 01.07.2018, Boekwerk VI, Hoofdstuk 16, Afdeling 2, punt 4, rubriek F, subrubriek c, (1) 25 (80)).

Dat houdt onder meer in dat men zich van buitenaf toegang moet kunnen verschaffen tot die gedeelten, zonder zich doorheen ruimten te moeten begeven die uitsluitend voor andere doeleinden dan de economische activiteit worden aangewend door de huurder (of andere huurders, bijvoorbeeld in het geval van een winkelcentrum of een bedrijven- en dienstencentrum. Het is van geen belang of laatstgenoemden de optie voor belastingheffing ten aanzien van de verhuur van het door hen gebruikte gedeelte van het gebouw al dan niet hebben uitgeoefend. De toegang tot het gedeelte van het gebouw hoeft in die omstandigheden dus niet exclusief te zijn).

Als de belastingplichtige zich van buitenaf toegang kan verschaffen tot zijn bedrijfsruimtes, zonder via de ruimtes te gaan die slechts voor privédoeleinden worden gebruikt, kan het gedeelte van het gebouw dat economisch zelfstandig wordt verhuurd, op autonome wijze worden gebruikt (Circulaire nr. 2019/C/25 van 21.03.2019, FAQ 19, www.fisconetplus.be; Btw-Commentaar, editie 01.07.2018, Boekwerk VI, Hoofdstuk 16, Afdeling 2, punt 4, rubriek F, subrubriek c, (1) 25 (80)).

Bij een gebouw dat gedeeltelijk wordt gebruikt voor de economische activiteit en gedeeltelijk voor privédoeleinden, is het dus mogelijk enkel het gedeelte dat voor de economische activiteit wordt gebruikt met btw te verhuren als dat gedeelte zelfstandig kan worden geëxploiteerd. De vereiste dat de huurder het gebouw of het gedeelte van het gebouw uitsluitend voor de doeleinden van zijn economische activiteit moet gebruiken, moet dan ook in die zin worden genuanceerd. Een gebouw dat gemengd wordt gebruikt, kan immers worden opgesplitst in twee gedeelten waarvan er één exclusief voor de doeleinden van de economische activiteit wordt gebruikt. Dat laatste gedeelte kan dan middels uitoefening van de optie met btw worden verhuurd, terwijl het andere gedeelte dat voor privédoeleinden wordt aangewend (bijvoorbeeld een residentieel gedeelte) buiten de belastingheffing blijft (Circulaire nr. 2019/C/25 (nr. E.T. 134.229) van 21.03.2019, FAQ 15, www.fisconetplus.be).

III.A.1.2. Vormvoorwaarde

14. De belastingheffing op de verhuur van gebouwen of gedeelten van gebouwen, desgevallend met inbegrip van het bijhorende terrein, is naast de twee grondvoorwaarden ook onderworpen aan een vormvoorwaarde.

15. De belastingheffing op de onroerende verhuur is maar mogelijk mits daarvoor uitdrukkelijk wordt geopteerd. De optie tot belastingheffing moet gezamenlijk worden uitgeoefend door de verhuurder en de huurder.

16. Wat betreft de modaliteiten en de praktische uitwerking van de toepassing van de optieregeling voor professionele onroerende verhuur, refereert de DVB aan artikel 7quater van het Btw-KB nr. 10 van 29.12.1992.

De door de verhuurder en huurder ondertekende schriftelijke, afzonderlijke verklaring, zoals voorzien in deze bepaling, is overigens niet nodig als de vereiste gegevens (naam, adres en btw-nummer van verhuurder en huurder, identificatie van (het gedeelte van) het gebouw, desgevallend met het bijhorende terrein, de wilsverklaring om de verhuur met btw te belasten en de datum waarop de optie uitwerking heeft) al ingelast zijn in de huurovereenkomst zelf (specifieke verklaring pro fisco). In geval van stilzwijgende verlenging van de huurovereenkomst moet geen aanvullende verklaring worden opgesteld. Wanneer de partijen of één van beide partijen om een bepaalde reden niet wenst of wensen dat de verlenging bij de belastingheffing wordt betrokken, zullen zij zich hiertegen uitdrukkelijk moeten verzetten.

17. De optie geldt voor de gehele duur van de huurovereenkomst (artikel 44, § 3, 2°, d), tweede lid W.BTW) en is dus definitief en onherroepelijk (behalve indien in de loop van de overeenkomst niet meer aan de grondvoorwaarden zou zijn voldaan, bijvoorbeeld omdat de huurder de hoedanigheid van belastingplichtige verliest). De verhuurder en de huurder kunnen dus niet terugkomen op deze optie vóór het einde van de huurovereenkomst.

Indien de verhuurder en de huurder een nieuwe overeenkomst sluiten, hebben de contractspartijen opnieuw de vrijheid om de optie tot belastingheffing ten aanzien van die overeenkomst al dan niet uit te oefenen. Hetzelfde geldt bij de verlenging van de huurovereenkomst (Circulaire nr. 2019/C/25 (nr. E.T. 134.229) van 21.03.2019, FAQ 9, www.fisconetplus.be).

III.A.2. Voorwaarden met betrekking tot het gebouw (nieuwheidsvoorwaarde)

18. Het is sinds 01.01.2019 enkel mogelijk om te opteren voor nieuwe gebouwen of fundamentele vernieuwbouw (i.e. grondig gerenoveerde gebouwen die na renovatie btw-technisch opnieuw als nieuw kwalificeren) waarbij de btw op de werken in onroerende staat in de zin van artikel 19, § 2, tweede lid, van het Btw-Wetboek met betrekking tot het gebouw die specifiek bijdragen tot de oprichting ervan, opeisbaar is geworden vanaf 01.10.2018.

Worden dus in concreto bedoeld, de werken in onroerende staat die strekken tot de oprichting van een nieuw gebouw die worden verricht na 01.10.2018 of eventueel al vóór 01.10.2018 maar waarvoor nog geen btw opeisbaar is geworden vóór 01.10.2018. Volgens de Memorie van Toelichting bij de Wet van 14.10.2018 en de FAQs betreft het hier uitsluitend de eigenlijke materiële bouwkosten in strikte zin die rechtstreeks aan de bouwheer worden gefactureerd, dus met uitsluiting van die kosten die door een onderaannemer aan een aannemer worden gefactureerd (Circulaire nr. 2019/C/25 (nr. E.T. 134.229) van 21.03.2019, FAQ 4, www.fisconetplus.be). Alle handelingen die intellectueel van aard zijn of, meer in het algemeen, immaterieel van aard zijn, worden bijgevolg in dit verband buiten beschouwing gelaten.

Volgens de Memorie van Toelichting bij de Wet van 14.10.2018 moet hier evenmin rekening worden gehouden met werken die betrekking hebben de volledige voorafgaande afbraak van een gebouw en alle werken die betrekking hebben op de grond. Het gaat daarbij onder meer om sonderingswerken, saneringswerken, graafwerken en stabiliseringswerken zoals slibwanden (MvT, Parl. St. Kamer, 2017-2018, nr. 54-3254/001, 26-28).

19. Ook een gebouw dat grondig wordt gerenoveerd zodat het na de voltooiing van de verbouwingswerken btw-technisch opnieuw als een nieuw gebouw, kan worden aangemerkt, komt in aanmerking voor de optieregeling. Ook in dit geval moet het gaan om werken waarvoor de btw slechts opeisbaar is geworden vanaf de cut-off date, i.e. 01.10.2018.

Hiervoor gelden de traditionele btw-criteria inzake fundamentele vernieuwbouw (Btw-Commentaar, editie 01.07.2018, Boekwerk VI, Hoofdstuk 16, Afdeling 1, punt 3, rubriek C, (1) 3-5 (36); zie ook al Btw-Handleiding, editie 01.02.2015, nr. 152/2). Van dat laatste is sprake in twee gevallen. Ofwel heeft een gebouw ingevolge de uitgevoerde werken (ongeacht hun kostprijs) een ingrijpende wijziging in zijn wezenlijke elementen ondergaan, namelijk in zijn aard, zijn structuur (draagmuren, vloeren, traphallen, e.a.) en, in voorkomend geval, in zijn bestemming (eerste geval). Ofwel bereikt de kostprijs, exclusief btw, van de door de eigenaar of door derden voor zijn rekening uitgevoerde materiële werken aan het gebouw, ten minste 60% van de onder controle van de btw-administratie bepaalde verkoopwaarde van het gebouw waaraan de werken werden uitgevoerd, na de uitvoering van de werken, de grond buiten beschouwing gelaten (tweede geval).

De DVB merkt op dat het begrip ‘nieuw gebouw’ in dit kader relatief is en alleen maar relevant om na te gaan of een gebouw in aanmerking komt voor de toepassing van de optieregeling. Eens dat vaststaat zal het gebouw bij voortduur kunnen worden verhuurd onder de optieregeling (als de overige voorwaarden vervuld zijn), ongeacht of het op het tijdstip van afsluiting van de huurovereenkomst nog als een nieuw gebouw zal worden aanzien gelet op de tweejarige btw-nieuwheidstermijn met de eerste ingebruikneming als uitgangspunt.

20. Het is de eerste oorzaak van opeisbaarheid van btw die zich voordoet met betrekking tot de aan het (ver)nieuwbouwproject rechtstreeks toerekenbare kosten (bijvoorbeeld ontvangst van een vooruitbetaling, uitreiking van een factuur) die determinerend is om te bepalen of het gebouw of het gedeelte van een gebouw al dan niet achteraf het voorwerp kan uitmaken van een verhuurovereenkomst waarvoor de optie tot belastingheffing rechtsgeldig kan worden uitgeoefend.

21. Volgens de Memorie van Toelichting bij de Wet van 14.10.2018 richt artikel 44, § 3, 2°, d), van het Btw-Wetboek zich als referentiecriterium uitsluitend op de opeisbaarheid van de btw op de aan het (ver)nieuwbouwproject rechtstreeks toerekenbare kosten. Het feit dat de huurovereenkomst eventueel al wel vóór 01.10.2018 werd gesloten, vormt geen enkel probleem (MvT, Parl. St. Kamer, 2017-2018, nr. 54-3254/001, 28).

III.B. Toepassing in casu

22. Hierna wordt dieper ingegaan op elk van deze voorwaarden, maar eerst en vooral wenst de DVB te benadrukken dat X enkel het nieuw op te richten pand zal verhuren aan Y. Het historisch pand, dat in het kader van hetzelfde vastgoedproject volledig gerenoveerd zal worden, maakt dus niet het voorwerp uit van deze rulingaanvraag. Bijgevolg beperkt de DVB haar beoordeling van de voorwaarden tot het nieuw op te richten pand.

III.B.1. Gebouw of gedeelte van een gebouw

23. Onder gebouw of gedeelte van een gebouw wordt verstaan, ieder bouwwerk dat vast met de grond is verbonden (artikel 1, § 9, 1° W.BTW; zie ook circulaire nr. 2019/C/25 (nr. E.T. 134.229) van 21.03.2019, FAQ 1, www.fisconetplus.be, circulaire nr. AFZ 24/2002 (E.T. 103.009) van 06.12.2002, www.fisconetplus.be en beslissing nr. E.T. 119.318 van 28.10.2010, www.fisconetplus.be).

24. Voor btw-doeleinden wordt op grond van artikel 13ter van de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15.03.2011 als onroerend goed aangemerkt:

a) ieder welbepaald boven- of ondergronds gedeelte van de aarde waaraan eigendoms- en bezitsrechten kunnen worden verbonden;

b) ieder gebouw dat of iedere constructie die vast met de grond verbonden is onder of boven zeeniveau en dat niet gemakkelijk te demonteren of te verplaatsen is;

c) ieder element dat is geïnstalleerd en een integrerend deel uitmaakt van een gebouw of constructie zonder welk het gebouw of de constructie onvolledig is, zoals deuren, ramen, daken, trappen en liften;

d) ieder element of werktuig dat of iedere machine die blijvend geïnstalleerd is en niet zonder vernietiging of wijziging van het gebouw of de constructie kan worden verplaatst (artikel 13ter van de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15.03.2011 zoals gewijzigd door de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1042/2013 van de Raad van 07.10.2013).

25. Uit de zaak Maierhofer, een zaak betreffende de btw-vrijstelling van de verhuur van uit hun aard onroerende goederen (H.v.J. 16.01.2003, Maierhofer, C-305/00, http://curia.europa.eu), blijkt dat de Europese definitie van een onroerend goed volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie niet wordt bepaald door subjectieve criteria. Enkel van belang is de mate van incorporatie in de grond, die wordt bepaald door de mogelijke verplaatsbaarheid van een constructie (criterium van gemak van verplaatsing of van eenvoudige verplaatsbaarheid).

Het is vervolgens de vraag in welke gevallen demontage en verplaatsing van een constructie niet gemakkelijk is. De beantwoording hiervan is sterk afhankelijk van feitelijke omstandigheden. Naast het aantal werkuren om een constructie te kunnen demonteren, kunnen in de opvatting van de DVB ook andere elementen in aanmerking worden genomen om te beoordelen of demontage of verplaatsing van een constructie niet gemakkelijk is, zoals een speciaal benodigde techniek voor het demonteren of de omvang van de daarmee gepaard gaande kosten.

26. In het onderhavige geval wordt een nieuwbouw ontmoetingspand gebouwd. Het gaat om een echt polyvalent gebouw. Onder dit gebouw wordt een grote, toegankelijke nieuwbouw kelder gebouwd, die tegemoet komt aan een grote vraag.

27. In het voorliggende geval volgt uit de bouwtechnische elementen dat er duidelijk sprake is van een constructie die vast met de grond verbonden is.

Het pand met grote nieuwbouw kelder eronder en voorzien van nutsvoorzieningen, is volledig op maat en specifiek voor die plaats ontworpen en is niet makkelijk te ontmantelen.

28. In de gegeven omstandigheden bestaat overigens ook niet de minste twijfel over de intentie van de aanvrager om het pand gedurende een lange periode op dezelfde locatie te laten staan. Het gaat dus evident niet om een voorlopig pand.

29. Op basis van de bouwplannen van het nieuw op te richten pand, zoals voorgelegd aan de DVB, en op basis van voorgaande argumentatie, dient volgens de DVB besloten te worden dat dit pand kan worden aangemerkt als een afzonderlijk, op zichzelf staand, autonoom bouwwerk, vrijstaand van het hoofdgebouw (het hiervoor bedoeld historisch pand), dat wordt gekenmerkt door een eigenheid in vorm, functie en gebruik, en voor btw-doeleinden dient te worden beschouwd als een gebouw in de zin van artikel 44, § 3, 2°, d), van het Btw-Wetboek.

III.B.2. Uitsluitend bestemming voor een btw-belastbare activiteit (btw-belast of van btw vrijgesteld)

30. Y is een btw-belastingplichtige vereniging zonder winstoogmerk. De huidige activiteiten van Y kunnen als volgt worden samengevat:

• verkoop van pakketten en bijhorende begeleiding aan publiekrechtelijke lichamen in het kader van het programma van Y. Dit is een btw-belaste activiteit;

• verkoop van didactisch- en promotiemateriaal in het kader van evenementen ter bevordering van het door de vereniging behartigd doel. Dit is ook een btw-belaste activiteit;

• verkoop van promotie- en didactisch materiaal ter bevordering van het door de vereniging behartigd doel via de webshop van Y. Dit is ook een btw-belaste activiteit;

• organisatie van vormings- en studiedagen. Deze dagen zijn specifiek gericht op de intermediairs die in de praktijk instaan voor de verwezenlijking van het doel van de vereniging. Voor deze vormings- en studiedagen wordt een deelnameprijs aangerekend aan de deelnemers. Ook dit vormt een btw- belaste activiteit, tenzij deze activiteit vrijgesteld zou zijn op grond van artikel 44, § 2, 4°, a), van het Btw-Wetboek.

31. Uit de resultatenrekening van Y (zoals voorgelegd aan de DVB) blijkt ook dat Y in grote mate gesubsidieerd wordt door X, dat op zijn beurt subsidies ontvangt van de Vlaamse Overheid. Deze werkingstoelagen veranderen in principe niets aan het feit dat Y kwalificeert als een gemengde btw-belastingplichtige.

Het bedrag van de door Y aan X verschuldigde huurprijs mag weliswaar niet geheel of gedeeltelijk worden gecompenseerd door het bedrag van de subsidies toegekend door X aan Y te verhogen.

32. Het pand dat door X aan Y zal worden verhuurd, zal door Y uitsluitend bestemd worden voor de volgende activiteiten:

• organisatie van studiedagen. In dit verband zal er altijd een deelnameprijs worden aangerekend aan de deelnemers van deze studiedagen. Dit betreft een btw-belaste activiteit tenzij deze activiteit vrijgesteld zou zijn op grond van artikel 44, § 2, 4°, a), van het Btw-Wetboek;

• organisatie van opleidingen voor de intermediairs die in de praktijk instaan voor de verwezenlijking van het doel van de vereniging. Ook hier zal er altijd een deelnameprijs worden aangerekend aan de deelnemers van de opleidingen. Dit betreft ook een btw-belaste activiteit tenzij deze activiteit vrijgesteld zou zijn op grond van artikel 44, § 2, 4°, a), van het Btw-Wetboek;

• terbeschikkingstelling van het pand aan derden voor de organisatie van evenementen. Hiervoor zal een vergoeding worden aangerekend aan de organisator van het evenement. Deze terbeschikkingstelling zal, afhankelijk van het statuut van de afnemer, ofwel btw-vrijgesteld zijn ofwel btw-belast zijn (kortetermijnverhuur van niet meer dan 6 maanden in de zin van artikel 44, § 3, 2°, a), zevende streepje, van het Btw-wetboek);

• exploitatie van een bibliotheek. Deze bibliotheek zal in de eerste plaats worden gebruikt door de medewerkers van Y ter uitoefening van de verschillende activiteiten van Y. Daarnaast zal de bibliotheek ook op afspraak bezocht kunnen worden door stakeholders uit het domein. Om als derde toegang te krijgen tot deze bibliotheek, zal men zich op voorhand moeten registreren en een jaarlijkse bijdrage moeten betalen aan Y. Deze dienst is vrijgesteld van btw op grond van artikel 44, § 2, 6°, van het Btw-Wetboek;

• terbeschikkingstelling van de centrale vergaderzaal in het pand aan X voor het houden van vergaderingen. Deze terbeschikkingstelling is vrijgesteld van btw op grond van artikel 44, § 3, 2°, van het Btw-Wetboek. Zelfs indien de overeenkomsten zouden kwalificeren als een kortetermijnverhuur van niet meer dan 6 maanden, vallen beide partijen omwille van hun statuut onder de uitzondering op de wettelijke uitzondering voorzien in artikel 44, § 3, 2°, a), zevende streepje, van het Btw-Wetboek.

De btw-vrijgestelde omzet uit deze terbeschikkingstelling zal uiteraard mee opgenomen worden in de berekening van het bijzonder verhoudingsgetal van Y. Partijen verbinden zich ertoe om een marktconforme vergoeding te bepalen voor de terbeschikkingstelling van de vergaderzaal.

33. Daarenboven verklaart Y geen handelingen te stellen die buiten de werkingssfeer van de btw vallen. Zo verricht Y volgens haar verklaringen geen gratis handelingen.

34. Volledigheidshalve benadrukt de DVB in dit verband dat het pand enkel toegankelijk zal zijn voor personeelsleden en bezoekers van Y en geenszins een publieke bestemming zal krijgen.

35. Uit het voorgaande en gelet op de verklaringen van Y (zie randnr. 33 supra) volgt dat Y het pand uitsluitend zal bestemmen voor btw-belastbare (btw-belaste of van btw vrijgestelde) activiteiten.

III.B.3. Partijen opteren gezamenlijk voor een btw-belaste verhuur

36. Partijen engageren zich om uitdrukkelijk in de huurovereenkomst te stipuleren dat zij opteren voor een btw-belaste verhuur.

III.B.4. Btw op de materiele oprichtingswerken ten vroegste opeisbaar op 01.10.2018

37. Deze voorwaarde stelt in casu geen probleem omdat de betreffende werken op het ogenblik van deze rulingaanvraag nog niet gestart zijn.

III.C. Recht op btw-aftrek

38. Als gevolg van de btw-belaste onroerende verhuur zal X een gedeeltelijke btw-belastingplichtige worden die zijn recht op btw-aftrek zal uitoefenen op grond van de regel van het werkelijk gebruik (artikel 46, § 2 W.BTW).

Textes cités

7
CTVA art. 4417 occurrences
CTVA art. 463 occurrences
CTVA art. 63 occurrences
CTVA art. 191 occurrence
CTVA art. 41 occurrence