Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Décision anticipée n° 2019.0659 du 13.08.2019
TVA · Droit à déduction · Bail emphytéotique · Régie communale autonome · Bibliothèque
Résumé
La rénovation d’un immeuble historique donne lieu à un nouveau bâtiment en matière de TVA, de ce fait le maître d'ouvrage peut le donner à une RCA en emphytéose avec application de la TVA. Le maître d’ouvrage a un droit à déduction total de la TVA sur les travaux de transformation.
La RCA aura droit à déduction de la TVA sur le droit d’emphytéose dans la mesure où les services (dont la bibliothèque) qu’elle fournit sont taxés à la TVA.
Texte de la décision
La décision est publiée uniquement dans la langue dans laquelle la demande a été introduite
1. De voorwaarden van de artikelen 21 en 22 van voormelde Wet van 24 december 2002 werden nageleefd.
2. De aanvraag betreft <…>.
3. In <…> heeft de stad <…> het complex van <…> gekocht om het van de ondergang te redden. <…>
4. Voor de invulling van <…> werd volgend bouwprogramma vooropgesteld:
- Gelijkvloers: inkom en onthaal, <…>, multifunctionele zaal, <…>.
- Verdieping 1: vergaderzalen, <…>
- <…>: openbare bibliotheek
5. <…>.
6. In de aanvraag wordt in eerste instantie dieper ingegaan op de problematiek van de kwalificatie als ‘nieuw gebouw’ inzake btw en de overdracht ervan aan het AGB. Daarna gaat de aanvraag in op elk van de specifieke activiteiten die in het gebouw zullen worden uitgeoefend. We volgen hieronder dezelfde structuur.
Recht op aftrek in hoofde van stad <…>
7. De stad <…> is eigenaar van het <…>, het gebouw dat het voorwerp uitmaakt van de aanvraag. Sinds <…> treedt de stad op als bouwheer van uitgebreide verbouwingswerken en nu, op een ogenblik dat de werken stilaan hun einde naderen, wenst zij dit gebouw in erfpacht te geven aan het AGB. Haar hoofdvraag hierbij is of ze de btw met betrekking tot de verbouwingswerken volledig in aftrek kan nemen.
8. Vooraleer we deze vraag kunnen beantwoorden zijn er drie belangrijke sub-vragen aan de orde: kunnen we het <…> als ‘nieuw gebouw’ kwalificeren op het ogenblik dat het erfpachtrecht wordt verleend; in welke btw-hoedanigheid treedt de bouwheer op; hoe verhoudt de erfpachtvergoeding zich ten opzichte van de investeringskost in hoofde van de bouwheer?
a. nieuw gebouw?
9. In hoofdstuk 16, afdeling 1, 3, C van de btw-commentaar (01.07.2018) lezen we een passage inzake verbouwde oude gebouwen. Wegens het belang hiervan citeren we dit hier integraal:
‘In de geest van de tekst van artikel 44, § 3, 1°, van het Btw-Wetboek, wordt een reeds vroeger opgericht gebouw, dat op zodanige wijze werd verbouwd dat het hierdoor de kenmerken verkrijgt van een nieuw opgericht gebouw gelijkgesteld met een nieuw opgericht gebouw (beslissing nr. E.T. 19.497 van 20.02.1976).
In dit opzicht kunnen drie onderstellingen worden gemaakt.
• Eerste geval
Wegens de in het oude gebouw uitgevoerde werken heeft dit een ingrijpende wijziging in zijn wezenlijke elementen van zijn structuur ondergaan (draagmuren, vloeren, traphallen, liftkoker …), namelijk in zijn aard, zijn structuur en, in voorkomend geval, in zijn bestemming (aanschrijving nr. 16/1973 van 28.06.1973, randnummer 10.3°).
In die onderstelling gaat het ontegensprekelijk om een nieuw opgericht gebouw, welke overigens ook de kostprijs is van de werken die werden uitgevoerd in vergelijking met de waarde van het gebouw vóór deze wijziging.
•Tweede geval
De werken die aan het oude gebouw werden uitgevoerd hebben het gebouw niet in zijn wezenlijke elementen gewijzigd, zoals in het eerste geval hierboven, maar hadden tot doel, hetzij de instandhouding van het gebouw te verzekeren, hetzij het comfort ervan te verbeteren, zoals dit het geval is bij het plaatsen van centrale verwarming, het inrichten van een badkamer, het vernieuwen van de dakbedekking …
In die onderstelling gaat het niet om een gebouw dat in zijn wezenlijke elementen wijzigingen heeft ondergaan. De doorverkoop van dit gebouw of van een gedeelte van dit gebouw en bijhorend terrein of de vestiging, overdracht en de wederoverdracht van zakelijke rechten, andere dan het eigendomsrecht, die slaan op een dergelijk gebouw, gedeelte van gebouw en het bijhorend terrein na de uitvoering van de werken, kan dus in principe niet aan de btw worden onderworpen, zelfs niet wanneer het kadastraal inkomen van het goed werd verhoogd en de kosten van de uitgevoerde werken zeer hoog oplopen in vergelijking met de waarde van het goed in de staat waarin het zich bevond vóór de aanvang van de werken.
• Derde geval
Wanneer de uitgevoerde werken van die aard zijn dat ze een belangrijke wijziging aan het gebouw met zich brengen, is het meestal moeilijk te bepalen of het gebouw een ingrijpende wijziging in zijn wezenlijke elementen heeft ondergaan, zoals bedoeld in het bovengenoemde eerste geval.
Er kan evenwel worden aanvaard dat het gaat om een nieuw gebouw wanneer de kostprijs, exclusief btw, van de door de eigenaar of door derden voor zijn rekening uitgevoerde werken aan het gebouw zelf, ten minste 60% bereikt van de verkoopwaarde van het gebouw waaraan de werken werden uitgevoerd, de grond buiten beschouwing gelaten, op het tijdstip van de voltooiing van die werken.
Dit derde geval houdt enerzijds rekening met de waarde van de aan het gebouw zelf uitgevoerde materiële werken (met uitsluiting van intellectueel werk, zoals de erelonen van een architect of van een veiligheidscoördinator) met inbegrip van noodzakelijke afbraakwerken en anderzijds met de verkoopwaarde van het afgewerkte gebouw, bepaald rekening houdend met artikel 32, eerste lid en artikel 36 van het Btw-Wetboek. Bovendien is het zonder belang dat in de waarde van de aldus uitgevoerde werken de waarde van de werken die het comfort verhogen, begrepen is.
Opdat de handeling met betrekking tot dit verbouwde gebouw in het bovengenoemde eerste en derde geval een levering uitmaakt die aan de belasting kan worden onderworpen, is er daarenboven nog vereist:
• dat de uitgevoerde verbouwing de aanleiding is tot de wijziging van het kadastraal inkomen dat aan het gebouw was toegekend vóór de aanvang van de werken
• dat de beoogde handeling plaatsheeft binnen de termijn bepaald in artikel 44, § 3, 1°, van het Btw-Wetboek
• dat de persoon in wiens hoofde de btw opeisbaar is ten opzichte van de administratie het belang van de uitgevoerde werken aantoont. Teneinde eventuele moeilijkheden bij de bewijsvoering te voorkomen, is het in dit opzicht raadzaam de vergunning waarbij de gemeentelijke overheid de toelating tot het uitvoeren van de bedoelde werken heeft verleend, voor te leggen, wanneer het afleveren van zulke vergunning ingevolge de van kracht zijnde stedenbouwkundige reglementering verplicht is.
Overigens kan het aldus te verbouwen gebouw als nieuw, in de zin van wat hiervoor werd gezegd, worden beschouwd zonder de daadwerkelijke uitvoering van de werken af te wachten, voor zover de omvang ervan, evenals de wijziging van het kadastraal inkomen vaststaan.
In de drie voornoemde gevallen dient elke eenheid afzonderlijk te worden beschouwd zoals zij zal bestaan na de uitvoering van de werken. Onder afzonderlijke eenheid wordt begrepen een volledige wooneenheid op zich die volledig zelfstandig functioneert en afzonderlijk kan worden verhuurd of overgedragen.
De verbouwingswerken uitgevoerd aan een oud gebouw, waarvan de verkoop of de verkoop van een gedeelte evenals het bijhorend terrein belastbaar is met btw omdat dit gebouw een nieuw gebouw is geworden in de zin van het bovengenoemde eerste of derde geval, kunnen het verlaagd tarief van 6% genieten voor zover aan al de andere voorwaarden voorzien door rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 is voldaan (schriftelijke parlementaire vraag nr. 53 van de heer Volksvertegenwoordiger de Clippele van 26.11.1990).’
10. De aanvrager is van oordeel dat de verbouwing van het <…> onder het eerste geval ressorteert. Naast een bestemmingswijziging is er volgens de aanvrager immers tevens een wijziging inzake de aard en de structuur van het gebouw die zij als volgt motiveert:
‘<…>’
11. In deze oplijsting zijn er verschillende elementen die effectief wijzen op een structurele impact van de werken zoals het verstevigen van de gewelven, het aanbrengen van een nieuwe draagvloer, een nieuwe stalen draagconstructie om het gewicht te dragen van de nieuwe bibliotheek, wijziging van vloerniveaus, nieuwe trap en liftkokers, …
12. Verder brengt de aanvrager cijfers naar voor (aankoopprijs van pand ad <…> euro en verbouwingskost ad <…> euro) die, hoewel er geen waardebepaling voorhanden is van het afgewerkte pand, erop wijzen dat de zogenaamde 60% regel van het derde geval hoe dan ook zou bereikt worden.
13. Inzake de ingebruikname meldt de aanvrager dat deze is voorzien voor <…>. De vestiging van het zakelijk recht wenst men uiterlijk op het einde van de maand <…> te laten plaats vinden. Men valt in casu met andere woorden binnen de nieuwheidstermijn.
14. Op basis van voorgaande bouwtechnische elementen, kostprijs en voorziene timing kan de DVB dan ook besluiten dat het gebouw, op het ogenblik van de vestiging van het erfpachtrecht ten gunste van AGB, als ‘nieuw’ kan worden aanzien in de zin van artikel 44, §3, 1° W.Btw.
b. belastingplichtige in de zin van artikel 12, §2 W.Btw?
15. Aangezien de eerste materiële werken reeds zijn gestart in <…> (en intellectuele werken vermoedelijk nog vroeger) is het voor het kunnen uitoefenen van een volledig recht op aftrek van de voorbelasting in hoofde van de stad <…> van belang dat zij niet wordt gecatalogeerd als een belastingplichtige in de zin van artikel 12, §2 W.Btw.
16. De stad <…> poneert de stelling dat zij geen persoon is wiens geregelde economische activiteit erin bestaat de gebouwen die zij heeft opgericht of laten oprichten of met voldoening van de btw heeft verkregen, uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikname, onder bezwarende titel te vervreemden. Zij benadrukt dat de intentie om het <…> onder bezwarende titel te vervreemden niet aanwezig was ten tijde van de aankoop ervan, noch ten tijde van de aanvang van de verbouwingswerken.
17. In de woorden van de aanvrager heeft de stad <…> het <…> in <…> gekocht om het van de ondergang te redden en heeft ze in <…>.
18. De aanvrager verklaart dat de stad <…> het gebouw in haar boekhouding heeft opgenomen in de rubriek materiële vaste activa (onderrubriek 221000 gebouwen gemeenschapsgoederen) en niet in de rubriek voorraden.
19. Sinds <…> werd het AGB opgericht met als doel het beheer en de exploitatie van cultuurinfrastructuur. Het stadsbestuur van <…> is van oordeel dat dit AGB – gelet op de inmiddels verworven expertise ter zake – beter geplaatst is om de exploitatie van het <…> op zich te nemen. De exploitatie van de cultuurinfrastructuur acht zij immers geen kerntaak van het bestuur.
20. Deze intentie om de exploitatie van de stedelijke bibliotheek over te dragen aan het AGB en hiermee gepaard gaande een zakelijk recht te vestigen op het gebouw, was volgens de aanvrager geenszins aanwezig op het ogenblik van de aanvang van de werken. De open oproep voor het ontwerp van de werken tot herbestemming tot stedelijke bibliotheek werd uitgeschreven op <…>, ruim voor de oprichting van het AGB.
21. In het licht van het voorgaande kan de DVB de visie van de aanvrager bijtreden dat de stad <…> in casu niet kwalificeert als btw-belastingplichtige in de zin van artikel 12, §2 W.Btw. Zij zal met andere woorden de in KB nr. 14 van 3 juni 1970 vermelde formaliteiten dienen te vervullen om de vestiging van het recht van erfpacht te onderwerpen aan btw én haar recht op aftrek van de voorbelasting uit te oefenen.
c. ‘97,5% regel’
22. Overeenkomstig artikel 4 van KB nr. 14 kan de toevallige belastingplichtige zoals bedoeld in artikel 1 (van datzelfde KB) van de verschuldigde belasting over de in dat artikel bedoelde handelingen in aftrek brengen, de belasting geheven van handelingen omschreven in artikel 9, § 1, derde lid, van het KB nr. 3 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, evenals de belasting geheven van de goederen en diensten die rechtstreeks samenhangen met deze handeling.
23. In verband met de bepaling van het recht op aftrek van de voorbelasting bij vestiging van een zakelijk recht op een gebouw met toepassing van de btw is de aftrek van de in het vorige lid bepaalde voorbelasting slechts volledig wanneer de verkoopprijs van het zakelijk recht de oprichtingsprijs van het gebouw benadert (Parl. Vr. nr. 710 de Clippele dd. 22.09.1993 en btw-handleiding versie 2015 nr. 161, c), 2de streepje).
24. De volledige aftrek van de btw geheven van de oprichtingskosten of de aankoopprijs van het gebouw wordt aanvaard:
– indien de prijs gevraagd voor de vestiging van het zakelijk recht op een gebouw of een gedeelte ervan ten minste 95% bedraagt van de oprichtingsprijs (of de aankoopprijs) in volle eigendom, in voorkomend geval daaronder begrepen de verkoopwaarde van de bestaande gebouwen en de kostprijs van de eventuele afbraak ervan maar met uitzondering van de aankoopprijs van het terrein, indien het recht gevestigd is voor een periode die minder dan 10 jaar bedraagt,
– indien de gevraagde prijs ten minste 97,5% bedraagt van de oprichtingsprijs (of de aankoopprijs) in volle eigendom, in voorkomend geval daaronder begrepen de verkoopwaarde van de bestaande gebouwen en de kostprijs van de eventuele afbraak ervan maar met uitzondering van de aankoopprijs van het terrein, indien het recht gevestigd is voor een periode die 10 jaar of meer bedraagt.
25. Wanneer de verkoopprijs van het zakelijk recht de bovengenoemde grenzen niet bereikt, zal de aftrek van de voorbelasting worden bepaald in functie van de verhouding van de verkoopprijs van het zakelijk recht tot de oprichtings- of aankoopprijs van het betreffende gebouw in volle eigendom.
26. In dit kader wordt nog benadrukt dat enkel rekening kan gehouden worden met de vergoedingen die onherroepelijk verschuldigd zijn door de verkrijger van dit zakelijk recht (men houdt bijvoorbeeld geen rekening met indexatie clausules, vermits de juiste bedragen of de toepassing ervan op het moment van de contractsluiting nog niet zeker vaststaan).
27. Bovendien moeten contractuele clausules, waarbij de partijen dit recht vroegtijdig kunnen beëindigen, uitgesloten worden. Dergelijke clausules zouden immers tot gevolg hebben dat de uiteindelijk verkregen tegenprestatie niet de vooropgestelde 97,5% zou bereiken die een volledig recht op aftrek verantwoordt.
28. In casu wordt het recht van erfpacht door de stad <…> toegekend aan het AGB voor een periode van drieëndertig jaar. De modaliteiten van deze overeenkomst zijn niet meegedeeld noch is er een ontwerp van de akte voorgelegd. De DVB kan dus enkel veronderstellen dat er geen vroegtijdige opzegmogelijkheden zijn en de termijn van drieëndertig jaar zal gerespecteerd worden.
29. Wel meldt de aanvrager dat de jaarlijkse vergoeding die dient te worden betaald voor het recht van erfpacht (canon) zal gelijk zijn aan 1/33 van de initiële waarde van het gebouw bij aankoop verhoogd met het bedrag van de verbouwingswerken van het gebouw. De volledige investeringskost in hoofde van de stad <…> wordt met andere woorden gespreid betaald door het AGB over een periode van 33 jaar. In die optiek bedraagt de prijs voor het erfpachtrecht 100% van de prijs die de stad <…> heeft moeten betalen (aankoop en verbouwing) en kan de stad <…> de btw met betrekking tot de verbouwingswerken van het gebouw volledig in aftrek nemen.
Exploitatie bibliotheek
30. In de feitenschets brengt de aanvrager naar voor dat een deel van <…> door het AGB zal worden aangewend <…> als openbare bibliotheek.
31. Artikel 44, §2, 6° W.Btw voorziet een vrijstelling voor dergelijke diensten:
‘Van de belasting zijn eveneens vrijgesteld:
[…] 6° de verhuur van boeken en tijdschriften, van muziekpartituren, grammofoonplaten, magneetbanden, diapositieven en van andere dergelijke voorwerpen van culturele aard, en de diensten aan de lezers verstrekt door bibliotheken en leeszalen, wanneer de dienstverrichter een instelling is die geen winstoogmerk heeft en hij de ontvangsten uit de vrijgestelde werkzaamheden uitsluitend gebruikt tot dekking van de kosten ervan alsmede de leveringen van goederen die nauw samenhangen met deze handelingen;’
32. De aanvrager is echter van oordeel dat het predicaat ‘een instelling die geen winstoogmerk heeft’ niet van toepassing is voor het AGB. In die zin zou de vrijstelling niet van toepassing zijn en zouden de als exploitant van de bibliotheek verrichte diensten door het AGB onderworpen moeten zijn aan btw (artikel 18, §1, tweede lid, 4° & 12° W.Btw). Inzake het tarief verwijst de aanvrager naar rubriek XXVIII van tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20 van 20 juli 1970 voor het verlaagd tarief ad 6% voor de toekenning van het recht op toegang en naar het standaard tarief ad 21% voor de verhuur van roerende goederen, de lidgelden (die recht geven op het ontlenen van goederen) en het organiseren van lezingen, cursussen, etc ….
33. Voor een bespreking inzake het winstoogmerk (bij bibliotheekdiensten) verwijzen we naar hoofdstuk 9, afdeling 13, punt 3 van de btw-commentaar (01.07.2018) waar onder punt A de algemene principes naar voor worden gebracht en onder punt B specifiek wordt ingegaan op de autonome gemeente- en provinciebedrijven. Het principe dat in de btw-commentaar (verwijzend naar ministeriële communicatie) naar voor komt is dat voor autonome gemeentebedrijven de belastingplicht met recht op aftrek van voorbelasting niet kan worden betwist (ook al zijn ze geen nv of bvba) wanneer hun statuten voorzien dat zij een winstoogmerk hebben en zij zich tot doel stellen winst uit te keren. Een pro forma verklaring in statuten is natuurlijk snel opgenomen en een onderbouwing van de aannemelijkheid van effectieve winst mag dan ook verwacht worden.
34. Vermeldenswaard hierbij is dat voor de bepaling van het operationeel resultaat zogenaamde ‘prijssubsidies’ van de stad <…> (subsidies waarbij er een rechtstreeks verband is met de prijs, in tegenstelling tot werkingssubsidie) mogen worden meegeteld als ontvangsten. Aan de kostenkant hoeft er echter geen rekening te worden gehouden met bijvoorbeeld gratis personeel dat door de stad <…> ter beschikking wordt gesteld of indien de stad <…> gratis handelingen verricht voor het AGB.
35. Concreet meldt de aanvrager dat de statuten van het AGB voorzien in een winstuitkering aan de stad <…> (de statuten zelf worden niet voorgelegd) en verklaart ze dat deze conform de statuten effectief zal uitgekeerd worden van zodra er winst wordt gemaakt.
36. Verder geeft de aanvrager enige cijfers inzake <…>
37. De DVB kan dergelijke voorwaardelijke stelling bevestigen maar kan geen enkele appreciatie uitbrengen (positief noch negatief) in welke mate dat deze stelling (dat de inkomsten de kosten zullen overtreffen, waarvoor trouwens tevens de andere activiteiten van het AGB in aanmerking moeten worden genomen) aannemelijk is vermits de aanvrager zelf geen concrete berekeningen voorlegt. Het blijft dus aan de bevoegde controlediensten om te onderzoeken of de statutaire bepalingen niet louter theoretisch zijn en de vrijstelling mogelijks alsnog toe te passen.
Prijssubsidies
38. De aanvrager stelt expliciet de vraag of de prijssubsidies die door de stad <…> worden gedragen aan de btw zijn onderworpen aan een tarief van respectievelijk 6 of 21% afhankelijk van de gesubsidieerde dienst.
39. Hierbij dienen we vooreerst op te merken dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de btw-belastbaarheid van de gesubsidieerde dienst. Zoals hierboven vermeld kunnen we dit laatste enkel voorwaardelijk bevestigen. Dezelfde voorwaardelijkheid geldt dan natuurlijk tevens voor daaraan gekoppelde subsidie-luik.
40. Artikel 26, §1, lid 1 W.Btw luidt als volgt:
‘Voor de leveringen van goederen en de diensten wordt de belasting berekend over alles wat de leverancier van het goed of de dienstverrichter als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen van degene aan wie het goed wordt geleverd of de dienst wordt verricht, of van een derde, met inbegrip van de subsidies die rechtstreeks met de prijs van die handelingen verband houden’.
41. De laatste zinssnede vermeldt duidelijk dat de subsidies die rechtstreeks met de prijs van de handelingen verband houden mee deel uitmaken van de maatstaf van heffing. De DVB kan bovendien bevestigen dat het tarief afhankelijk zal zijn van de gesubsidieerde dienst.
42. Voor de volledigheid vermeldt de aanvrager nog dat:
‘<…>.’
Exploitatie vergaderzalen en polyvalente zaal
43. Het AGB zal in het <…> vergaderlokalen ter beschikking stellen van diverse gebruikers. Tevens zal <…> beschikken over een <…>.
44. Het is het opzet van het AGB om de gebruikers van de multifunctionele zaal en de vergaderzalen een flexibele kant-en-klare oplossing aan te bieden voor hun activiteiten of events. Het AGB voorziet in de omkadering en ‘ontzorgt’ op dit vlak de gebruikers van de bedoelde zalen die dan ten volle kunnen focussen op hun activiteiten of events.
45. Om dit te bereiken, stelt het AGB niet enkel deze zalen ter beschikking van de gebruikers ervan maar verricht zij voor hen in hoofdzaak een geheel van diensten om hen in staat te stellen hun voorgenomen activiteiten of events uit te oefenen. De aanvrager vermeldt hierbij o.m. de ontvangst van de gebruiker en diens gasten, het klaarzetten van de zaal, het ter beschikking stellen van technisch en ander materiaal, het voorzien in technische bijstand, het verzorgen van de catering via een concessiehouder, het afsluiten van de zaal na gebruik, ….
46. Het onthaal wordt in casu concreet gerealiseerd door <…>.
47. De vergaderzalen omvatten <…>. De klant zal niet de mogelijkheid hebben om van bepaalde diensten, die in het pakket inbegrepen zijn, af te zien tegen een prijsvermindering.
48. Deze multifunctionele zaal en vergaderzalen zullen per halve of hele dag ter beschikking worden gesteld van de diverse gebruikers.
49. Het gebruik van deze zalen is bovendien gekoppeld aan een verplichte afname van dranken.
50. De aanvrager meldt dat het AGB <…>.
51. De DVB kan de stelling van de aanvrager bevestigen dat de hoger omschreven terbeschikkingstelling van vergaderruimte (met inbegrepen dienstverlening) moet worden beschouwd als een dienst onder bezwarende titel die aan de btw onderworpen is tegen het normale tarief van 21%.
52. <…>.
Recht op aftrek in hoofde van het AGB
53. Overeenkomstig artikel 45, § 1 W.Btw mag elke belastingplichtige, op de belasting die hij verschuldigd is, de belasting in aftrek brengen die werd geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen.
54. Uit de voorgaande bespreking blijkt dat minstens de exploitatie van de vergaderzalen en de polyvalente zaal een belaste handeling zal uitmaken in hoofde van AGB.
55. Deze exploitatie verleent het AGB de hoedanigheid van btw-belastingplichtige met (gedeeltelijk) recht op aftrek van de btw met betrekking tot de vestiging van het recht van erfpacht en de exploitatiekosten van het gebouw overeenkomstig artikel 45, § 1, 1° W.Btw.
56. Indien evenwel het gebouw ook zou gebruikt worden voor niet belaste of vrijgestelde handelingen krijgt het AGB in die mate geen recht op aftrek van de btw met betrekking tot de vestiging van het recht van erfpacht en de exploitatiekosten. Vermits het <…> luik geen deel uitmaakt van onderhavige ruling kan de DVB hoe dan ook niet bevestigen dat gans het <…> voor het verrichten van belaste diensten wordt gebruikt. Voor het bibliotheekluik blijft dit – zoals hierboven reeds vermeld – voorwaardelijk.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.