Tribunal de première instance de Louvain, 11 janvier 2008 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Louvain 11 janvier 2008

Rechercher
Texte en néerlandais

Tribunal de première instance de Louvain, 11 janvier 2008Taxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/tribunal-louvain-2008-01-11-7016

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Louvain
Date
11 janvier 2008

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

52 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Louvain du 11.01.2008

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG LEUVEN AFDELING BURGERLIJKE RECHTBANK, twaalfde kamer

Zitting : 11 januari 2008

eindvonnis

Rol nr. : 04/1266/A

Inzake :

V. D. P. R., wonende te … (…), ….

eiser,

ter zitting vertegenwoordigd door meester D. M. loco meester O. T., advocaat te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, in de persoon van de heer minister van Financiën, vertegenwoordigd door de Federale Overheidsdienst Financiën, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te Leuven met burelen te 3001 Leuven, Philipssite 3A bus 2.

verweerster,

ter zitting vertegenwoordigd door meester E. D. N., advocaat te …, ….

I. Procedure

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden. nageleefd.

De rechtbank nam onder meer kennis van :

- het verzoekschrift op tegenspraak op 4 juni 2004 ter griffie neergelegd;

- de neergelegde conclusies en stukken;

- de overige stukken van het rechtsplegingsdossier.

De advocaten van partijen werden gehoord op de openbare zitting van 14 december 2007.

II. De feiten

R. V. D. P. (hierna: eiser) is BTW-belastingplichtige voor de uitoefening van zijn activiteit van aannemer van glaswerken.

Naar aanleiding van een .controle werd vastgesteld dat hij niet beschikte over een registratienummer als aannemer.

Er werd een correctieopgave opgesteld waarbij, voor de jaren 1999 en 2000 de facturatie aan 6 % belast werd aan het tarief van 21 %. De correctieopgave werd door de boekhouder van eiser voor akkoord ondertekend, onder voorbehoud van het indienen van een bezwaar.

Op 27 mei 2003 werd een dwangbevel uitgevaardigd overeenkomstig deze correctieopgave. Dit dwangbevel werd op 4 juni 2003 uitvoerbaar verklaard.

III. De vorderingen

De vordering van eiser strekt ertoe het dwangbevel en de correctieopgave te horen vernietigen.

Eiser vraagt dat het vonnis uitvoerbaar zou verklaard worden bij voorraad, met uitsluiting van het vermogen van kantonnement.

IV. Beoordeling

1. Artikel 1bis van het Koninklijk Besluit nr. 20 van 20 juli 1970 bepaalt dat het tarief van 6 % slechts van toepassing is voor zover de handelingen worden verstrekt en gefactureerd aan een eindverbruiker door een persoon die, op het tijdstip van het sluiten van het aannemingscontract, geregistreerd is als zelfstandig aannemer overeenkomstig de artikelen 400 en 401 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

2. Eiser werd reeds op 29 januari 1999 door de BTW-administratie in kennis gesteld van het feit dat hij een registratienummer diende aan te vragen. Hij kreeg toen de toelating om het tarief van 6 % toe te passen op voorwaarde dat hij een registratienummer zou aanvragen en ,verbond zich ertoe om het verschil tussen de wettelijk verschuldigde BTW en de BTW gefactureerd aan 6 % te betalen indien hij niet uiterlijk tegen 1 mei 1999 een registratienummer zou bekomen hebben.

3. Uiteindelijk bekwam eiser een registratienummer op 23 augustus 2001.

Op 21 maart 2001, datum waarop de correctieopgave werd ondertekend, bezat eiser geen registratienummer.

De administratie heeft dan ook terecht geoordeeld dat eiser niet gerechtigd was het door hem uitgevoerde werk te factureren aan het tarief van 6 %.

4. Dat eiser voldeed aan de voorwaarden om een registratienummer te kunnen bekomen is hierbij niet relevant. Om te kunnen factureren aan het tarief van 6 % moet men een registratienummer aangevraagd en bekomen hebben.

5. De inschrijving in het handelsregister of het hebben van een vestigingsattest volstaan niet om te kunnen factureren aan het tarief van 6 %. De erkenning als geregistreerd aannemer door de provinciale registratiecommissie is noodzakelijk.

6. Aangezien eiser in de jaren 1999 en 2000 niet beschikte over een registratienummer heeft de administratie terecht geoordeeld dat hij niet mocht factureren aan het verlaagd tarief van 6 %.

7. De wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat treedt inwerking op 1 januari 2008 (artike110 van het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding). Deze wet is van toepassing op de zaken die hangende zijn op het moment dat ze in werking treedt. Een zaak die, zoals onderhavige , zaak, in beraad werd genomen vóór 1 januari 2008, maar waarin nog geen uitspraak gedaan werd op 1 januari 2008, is op 1 januari 2008 nog steeds hangende, zodat de wet van 21 april 2007 en het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 dienen te worden toegepast.

Partijen hebben ter zitting hun standpunt hierover kunnen uiteenzetten, evenals over het bedrag van de verschuldigde rechtsplegingsvergoeding.

Het bedrag van de vordering is gelegen tussen 5.000,01 en 10.000,00 euro zodat het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding … euro is.

De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. De rechtsplegingsvergoeding dient derhalve slechts begroot te worden voor deze in het gelijk gestelde partij, die aanspraak kan maken op de rechtsplegingsvergoeding.

Dispositif

V. Uitspraak

Dit vonnis wordt gewezen op tegenspraak en in eerste aanleg.

De vordering is ontvankelijk, maar ongegrond.

De rechtbank veroordeelt eiser tot de kosten, die voor hem niet moeten begroot worden omdat ze ten zijne laste blijven en die in hoofde van verweerster begroot worden op … euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gedaan en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de twaalfde kamer der rechtbank van eerste aanleg, zitting houdende te Leuven op vrijdag 11 januari 2008, waar zetelden :

mijnheer L. W., alleenzetelend rechter;

mevrouw M. R., adjunct-griffier.

M. R. L. W.

Textes cités

1
AR no 20 art. 1bis1 occurrence

Décisions similaires

8