Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d'Appel de Bruxelles du 09.06.2010
Résumé non fourni
Texte de l’arrêt
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
HOF van BEROEP te BRUSSEL, Toegevoegde kamer 6SN – Openbare terechtzitting van 9 juni 2010
Nr. van de zaak 2006/AR/535
IN ZAKE VAN :
DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën in de persoon van de heer Minister van Financiën wiens kabinet gevestigd is te Brussel, Wetstraat 12 vertegenwoordigd door de rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te Tienen waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3300 Tienen Goossensvest 3.
appellant,
vertegenwoordigd door Meester L. V. H., advocaat te …, …
tegen :
BVBA E. S. met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …
geïntimeerde,
vertegenwoordigd door Meester H. V., advocaat te …, …
Het hof na beraad spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit :
R 2010/4208 EINDARREST – ongegrond
Gezien de procedurestukken en meer in het bijzonder :
- het afschrift van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op tegenspraak gewezen op 13 januari 2006 (AR nr. 04/1005/A) waarvan geen akte van betekening voorligt en waartegen door appellant een naar vorm en tijd regelmatig hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 27 februari 2006
- de conclusies van geïntimeerde neergelegd op 25 mei 2006 en op 26 oktober 2006 met stukken en van appellant op 12 oktober 2006 beide partijen leggen met wederzijdse instemming stukken neer ter zitting van 6 mei 2010
De ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt niet betwist.
Het vonnis verklaarde de vordering van geïntimeerde ontvankelijk en in bepaalde mate gegrond.
In hoger beroep verzoekt appellant het hof het bestreden vonnis te vernietigen behoudens waar het de oorspronkelijke vordering ontvankelijk verklaart en opnieuw rechtdoende de vordering ongegrond te verklaren en de kosten van beide instanties ten laste van geïntimeerde te leggen.
De oorspronkelijke vordering van geïntimeerde is een verzet tegen het dwangbevel uitgevaardigd op 10 maart 2004 uitvoerbaar verklaard op 15 maart 2004 en op 17 maart 2004 ter kennis gebracht met het proces-verbaal van 9 maart 2004 en is erop gericht de BTW-vordering ongegrond te horen verklaren.
I. Feiten en voorafgaande procedures
Geïntimeerde is bedrijvig in het plaatsen van rolluiken en zonweringen die het zelf niet vervaardigt en past daarbij voor het plaatsen van zonneblinden het BTW-tarief van 6 % toe.
Appellant meent dat het normale tarief van 21 % had moeten toegepast worden en vordert middels een dwangbevel met bijgevoegd een proces-verbaal betreffende de controlewerkzaamheden over de periode van 1 maart 1998 tot 2 februari 2000 de volgende bedragen :
- … Euro als belasting over de toegevoegde waarde
- … Euro als proportioneel verminderde boeten
- de wettelijke interesten over de verschuldigde BTW
- de moratoire interest over de nog verschuldigde geldboeten vanaf de kennisgeving van het dwangbevel.
Tegen deze vordering tekent geïntimeerde verzet aan voor de rechtbank van eerste aanleg te Leuven die in het vonnis a quo oordeelt dat op de plaatsing door geïntimeerde van zonnewering aan de binnenkant van een gebouw het verlaagde BTW tarief van 6 % van toepassing is.
II. Standpunten van partijen ten gronde
Partijen verschillen van mening over :
1. wie de bewijslast draagt ter zake van het toepasselijk tarief
2. de vraag of het 6 % tarief van toepassing is dat geldt voor incorporatie van een roerend goed in een uit zijn aard onroerend goed dan wel dat geldt voor het plaatsen van binnen zonwering indien deze tariefmatig gelijk behandeld moet worden als het plaatsen van een buitenzonwering
3. de vraag of het vertrouwensbeginsel meebrengt dat op de toepassing van eerder niet betwiste tarieven niet terug gekomen wordt
III. Discussie
1. Toepasselijke tarief
Appellant meent dat vermits geïntimeerde gebruik wil maken van een verlaagd tarief en dus van een uitzondering hij de bewijslast draagt.
Geïntimeerde betwist dit onder verwijzing naar een arrest van het Hof van Cassatie (arrest 13 mei 2005) dat stelt
dat het tarief van 19 % niet wordt bepaald als een algemeen tarief op welke de tarieven van 6, 17 en 25 % een uitzondering zouden vormen maar dat dit tarief slechts wordt toegepast wanneer bewezen wordt dat de kwestieuze goederen of diensten niet in de tabellen A, B of C worden aangewezen
dat de administratie die de toepassing vordert van het tarief van 19 % in een geval waarin de belastingplichtige een tarief van 6 % had toegepast de bewijslast heeft dat dit laatste tarief niet toepasselijk is.
Het hof treedt de conclusie van appellant bij. Het hof is van oordeel dat onderhavige situatie onder een andere wetsbepaling valt dan de situatie waarover het hof van cassatie zich in het bedoelde arrest heeft uitgesproken op grond van de dan geldende bepalingen.
Immers het tarief van 6 % in onderhavige zaak betreft niet eén van de tarieven van artikel 1 van het BTW KB nr. 20 ten tijde van de relevante periode toepasselijk naar gelang het geval op de situaties bedoeld in de tabellen A, B en C waarbij het 6 % tarief zich niet verhoudt als uitzondering op de algemene regels maar tot een van de drie algemene regels behoort.
In onderhavig geval wordt het 6 % tarief bepaald door artikel 1bis, § 1 BTW KB nr. 20 dat ten tijde van de relevante periode voorschreef.
In afwijking van artikel 1 wordt vanaf 1 Januari 2000 het werk in onroerende staat en andere handelingen bedoeld in § 3 met uitsluiting van de materialen die een beduidend deel vertegenwoordigen van de verstrekte dienst onderworpen aan het tarief van 6 % voor zover de volgende voorwaarden zijn vervuld (…)
Verder luidt § 3
Worden beoogd
2° prestaties die erin bestaan een roerend goed te leveren en het meteen op zodanige wijze aan te brengen aan een onroerend goed dat het onroerend uit zijn aard wordt
3° iedere handeling ook indien niet beoogd in 2° hierboven die tot voorwerp heeft zowel de levering als de aanhechting aan een gebouw
f van luiken rolluiken en rolgordijnen die aan de buitenkant van het gebouw worden geplaatst
Hieruit blijkt duidelijk dat het 6 % tarief bedoeld voor werken in onroerende staat en andere handelingen bedoeld in voornoemde § 1 en § 3 van artikel 1bis BTW KB nr. 20 een uitzondering vormt op de algemene tariefbepaling van art. 1 van hetzelfde KB en derhalve dat waar artikel 59, § 1, eerste lid van het BTW-wetboek de bewijslast van de feiten die de verschuldigdheid van de belasting aantonen bij de administratie legt de belastingplichtige die de uitzondering inroept de bewijslast draagt dat hij aan de uitzonderingsvoorwaarden voldoet.
2. plaatsing van zonneweringen
Appellant stelt in wezen dat binnen zonweringen geen roerende goederen zijn die op zodanige wijze aangebracht worden dat ze onroerend uit hun aard worden de noodzakelijke doch voldoende voorwaarde om een goed te bestempelen als onroerend is immers gelegen in de incorporatie het met elkaar verbinden zodat scheiden niet mogelijk is zonder breekwerk en beschadiging en dat is bij binnen zonweringen niet het geval.
Uit de lezing van § 3, 3°, f van artikel 1bis BTW KB nr. 20 blijkt eveneens duidelijk dat de wetgever de plaatsing van zonnewering aan de binnenkant van de woning uitdrukkelijk van de toepassing van het verlaagde tarief heeft willen uitsluiten. In bijkomende orde dient opgemerkt dat trouwens enkel rolgordijnen voor het verlaagde tarief in aanmerking komen. Gezien de meeste van de in het geding zijnde zonneweringen zelfs met eens van dit type zijn zou het verlaagde tarief zelfs bij plaatsing aan de buitenkant van het gebouw niet voor toepassing in aanmerking komen.
Appellant meent dat ook de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen oordeelde dat gordijnen en stores geen onroerende goederen uit hun aard zijn (Rb Antwerpen 24 juni 1988 levering van bedspreien, kussens, gordijnen, stores, overgordijnen en het stofferen van bedden zijn geen werken in onroerende staat). Tenslotte stelt appellant verwijzend naar een arrest van 14 december 1994 van het hof van beroep te Gent (BTW Revue 1997, 469) dat een roerend goed onroerend uit zijn aard kan worden als het een gebouw voltooit dat het in casu in de feiten om een bepaald type van gordijnen gaat die helemaal niet worden aangebracht om een gebouw te voltooien en dat hedendaagse woningen ook zonder meer als afgewerkt worden beschouwd als dergelijke “gordijnen” niet zijn aangebracht.
Geïntimeerde stelt dat volgens de recente rechtspraak en rechtsleer er sprake is van aanhechting die aan het verbonden goed de aard van een onroerend goed uit zijn aard verleent van zodra de aanhechting aan het roerend goed de nodige stabiliteit verleent en de constructie bestemd is om ter plaatse te blijven staan ook al is de aanhechting niet permanent en kan deze zonder aanzienlijke schade verwijderd worden.
Verwijzend naar het arrest van het hof van beroep te Gent (14 december 1997) waarnaar eveneens door appellant wordt verwezen en waar geoordeeld wordt dat volgens de huidige normen vereist is om een gebouw bewoonbaar te maken er moet worden onderzocht of het gebouw als afgewerkt kan worden beschouwd stelt geïntimeerde dat de zonneweringen in het geheel niet te vergelijken zijn met gordijnen hooguit met rolgordijnen zoals bij Velux ramen waarvoor de administratie het verlaagde tarief toepasselijk acht.
Naar het oordeel van het hof toont geïntimeerde omstandig aan ook en met name tijdens de debatten ter zitting aan de hand van fotomateriaal dat het in de feiten gaat om plaatsing van zonneweringen die geheel geïntegreerd worden in de woningen waarvoor ze op maat gemaakt worden en in de raampartijen verwerkt worden om er integrerend conceptueel en duurzaam deel van uit te maken.
Geïntimeerde toont op basis van het feitenmateriaal overtuigend aan dat zoals dit het geval is bij bv deuren, luiken, blinden en andere duurzame uitrustingen van woningen het weliswaar niet uitgesloten is dat ze zonder veel beschadiging kunnen verwijderd worden doch dat ze kennelijk niet met deze bedoeling gemaakt en geplaatst worden het uitbreken ervan niet als de normale gang van zaken zou te beschouwen zijn en de herplaatsing alsdan indien al mogelijk geheel ongebruikelijk zou zijn. Het is volgens geïntimeerde duidelijk dat bij verhuizing of verkoop de bewoners er normaliter niet over zouden denken de zonneweringen uit te breken.
Geïntimeerde verwijst ter zake naar een arrest van het hof van beroep te Gent dat oordeelde dat koelkasten vaatwasmachines en kookplaten die als inbouwtoestellen in een ingebouwde keuken worden geplaatst voor de toepassing van het BTW-tarief als onroerend uit hun aard moeten worden beschouwd (Gent 12 maart 1991, FJF, Nr. 91/161).
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de plaatsing van de zonneweringen prestaties zijn waarbij de zonneweringen op zodanige wijze aangebracht worden dat ze onroerend uit hun aard worden als bedoeld in artikel 1bis, § 1 en § 3, 2° van het KB nr. 20 en dat derhalve het verlaagd tarief van 6 % toepasselijk is.
In het licht van bovenstaande conclusie dienen de door geïntimeerde aangevoerde en door appellante weersproken argumenten niet nader te worden onderzocht namelijk dat het plaatsen van binnenzonwering tariefmatig gelijk behandeld moet worden als het plaatsen van een buitenzonwering hetgeen onderworpen is aan het 6 % tarief (cfr het bovenvermelde artikel 1bis, § 3 3°, f BTW KB nr. 20) en dat het vertrouwensbeginsel meebrengt dat op de toepassing van eerder met betwiste tarieven niet terug gekomen wordt.
Wat de kosten betreft
Op 1 januari 2008 zijn de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en het uitvoerings KB van 26 oktober 2007 in werking getreden. Deze wet en dit KB vinden toepassing op onderhavige zaak.
Ter openbare zitting van het hof van 14 april 2010 verklaarden beide partijen ter zake de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep op het basisbedrag van … € te begroten.
Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak
Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
Verklaart het hoger beroep van appellant ontvankelijk doch wijst het af als ongegrond.
Veroordeelt appellant in de kosten van het hoger beroep bepaald op … EUR voor appellant en op … EUR voor geïntimeerde.
Aldus gewezen en uitgesproken m openbare terechtzitting van de toegevoegde kamer 6SN van het hof van beroep te Brussel op 09 juni 2010.
alwaar aanwezig waren en zitting namen :
J. V., raadsheer dd. Voorzitter,
R. T., plaatsvervangend raadsheer,
L. D., plaatsvervangend raadsheer,
C. D. N., griffier.
C. D. N. L. D. R. T. J. V.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.