Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 07.06.2011
Résumé non fourni
Texte de l’arrêt
Corps de la décision
Le texte et publié uniquement dans la langue originale
Hof van beroep te Gent, 5e kamer - terechtzitting van 07-06-2011
Nr. 2010/AR/162
in de zaak van :
B. J.-P., wonende te …, …,
appellant,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. C. P., advocaat te …, …
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, Algemene administratie van de Fiscaliteit, sector BTW, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, in de persoon van de Rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Oostende, wiens kantoren gevestigd zijn te 8400 OOSTENDE, Vrijhavenstraat 1,
geïntimeerde,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. W. F., advocaat te …, …
spreekt het Hof het volgend arrest uit :
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 19 januari 2010 werd door de appellant tijdig en regelmatig hoger beroep aangetekend tegen het vonnis uitgesproken door de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op 16 juni 2009 waarbij de fiscale vordering van de appellant er toe strekkende het dwangbevel nietig te verklaren en dienvolgens voor recht te zeggen dat de erin opgenomen sommen aan BTW en boeten niet verschuldigd zijn, werd afgewezen. Tevens werd de appellant veroordeeld tot de kosten van het geding.
Het hoger beroep strekt er toe dit ontvankelijk en gegrond te doen verklaren, het bestreden vonnis teniet te doen, het bestreden dwangbevel te vernietigen en te zeggen voor recht dat de vorderingen ongegrond zijn, dit alles met veroordeling van de Belgische Staat tot de kosten van de beide aanleggen.
De Belgische Staat vordert het hoger beroep af te wijzen als ongegrond met veroordeling van de appellant in de kosten van de beide aanleggen.
De partijen werden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies.
Feitelijke gegevens
De heer B. J.-P. (hierna appellant genoemd) is een nietbelastingplichtige particulier, die aan zijn woning te …, …, onroerende werken verricht.
Op 3 mei 2007 werd door appellant een bouwaangifte 106/3 ingediend met betrekking tot de woning.
Deze aangifte werd conform artikel 64, § 4 van het BTW-wetboek, ingediend naar aanleiding van de oprichting van een nieuwe woning op basis van een bouwvergunning afgeleverd door het college van burgemeester en schepenen te … op 4 september 2002, en eveneens voor het verbouwen van een schuur volgens een bouwvergunning afgeleverd door hetzelfde college van burgemeester en schepenen op 25 juni 2003.
Op 15 juni 2007 werd door de BTW-administratie een plaatsbezoek verricht met het oog op de vaststelling van het juiste tarief en bedrag van de BTW van toepassing op deze onroerende handelingen. Bij de oprichting van de woning werd het tarief van 21 % toegepast maar op de verrichte werkzaamheden in onroerende staat aan de schuur de BTW tegen het verlaagd tarief van 6 %.
Daar het onderzoek van het bouwdossier uitwees dat deze laatste werken niet voldeden aan de voorwaarden gesteld in rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20 van 20 juli 1970, werd aan de appellant een correctieopgave toegestuurd op 20 augustus 2007. Nadien werd een proces-verbaal opgesteld op 24 november 2007 (stuk nr. 2).
Wegens niet-betaling der verschuldigde bedragen werd op 3 december 2007 door de met invordering belaste ambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd dat op 4 december 2007 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer M. B., e.a. inspecteur a.i. van het 3de BTW-Controlekantoor te Kortrijk, aangewezen door de Gewestelijke directeur van de BTW te Brugge.
Bij aangetekend schrijven van 5 december 2007 werd het dwangbevel aan appellant ter kennis gebracht. De appellant tekende verzet aan met dagvaarding voor de rechtbank van eerste aanleg te Brugge.
Bij vonnis van 16 juni 2009 werd het bezwaar van appellant afgewezen als ongegrond en werd hij veroordeeld in de kosten van het geding.
Beoordeling
De betwisting betreft het antwoord op de vraag of de door de appellant uitgevoerde werken aan zijn woning met schuur moeten worden beschouwd als een "omvorming, verbouwing" dan wel als een nieuwbouw. Inzonderheid moet worden nagegaan of deze werkzaamheden de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling, met uitsluiting van de reiniging geheel of ten dele tot voorwerp hebben.
De wetgever heeft voormelde handelingen niet nader gedefinieerd. Wel werd in een aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986 het verlaagd tarief van 6 % in de onroerende sector toegelicht (stuk 10).
Onder "omvorming" wordt aldaar verstaan de verbouwing zowel aan de buitenkant als aan de binnenkant van het gebouw of de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken en de uitbreiding van de bestaande vertrekken of "wanneer de renovatiewerken op een relevante wijze steunen op oude dragende muren en inzonderheid op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw". Als nieuwbouw wordt aangemerkt "het herbouwen van een gebouw na afbraak, zelfs in het geval van behoud der funderingen, kelders van het oude gebouw of van bijkomende elementen van zijn structuur''.
Verder steunt de appellant op een mededeling en informatie in de BTWrevue nr. 110 van september 1994 alwaar voorgeschreven werd dat "de uitbreiding van een bestaand gebouw kan worden aangemerkt als een omvorming of verbouwing van dat gebouw voor zover de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte. Er kan worden van uitgegaan dat dit het geval is wanne er de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning op het woningcomplex na de uitvoering van de werken".
Alhoewel de circulaires geen bindend karakter hebben, moet vastgesteld worden dat de administratieve invulling van de begrippen "omvorming, verbouwing" in de circulaire nr. 6 van 22 augustus 1986 en in de mededeling in de BTW-revue veel breder is dan de wettekst zelf zodat aan de begrippen omvorming, verbouwing de gebruikelijke betekenis moet worden gegeven, gezien niet blijkt dat de wetgever van deze gebruikelijke betekenis heeft willen afwijken.
De door het KB gehanteerde begrippen "omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling, met uitsluiting van de reiniging" onderstellen een ingrijpen dat niet zover gaat dat met de werken in wezen tot nieuwbouw wordt overgegaan.
In het bestreden vonnis werd aangenomen dat de uitgevoerde werken aan de schuur deel uitmaken van het opnieuw opgerichte hoofdgebouw waarvoor op 4 september 2002 een bouwvergunning werd afgeleverd. Op die achtergrond heeft ook de eerste rechter aangenomen dat de uitgevoerde werkzaamheden als één bouwproject moeten worden beschouwd met het gevolg dat het normale BTW-tarief moet worden gehanteerd. In het feit dat twee afzonderlijke bouwvergunningen werden bekomen vindt de geïntimeerde een argument dat zowel de werken aan de woning als de verbouwing van de schuur onder één en hetzelfde tarief moeten vallen. De administratie leidt daaruit af dat de schuur zou worden omgevormd tot berging en garage omdat aldus de geïntimeerde de woning waarvoor de eerste bouwvergunning werd afgeleverd geen volledig bouwproject was nu daarin een garage en een berging ontbrak. Van meet af aan zou de intentie van de bouwheer hebben bestaan om op korte termijn de schuur om te vormen tot een berging en een garage.
De geïntimeerde verwijst ook nog naar het feit dat er slechts één kadastraal inkomen werd bepaald zowel voor het huis als voor de carport berging die zich op hetzelfde perceel bevinden. Tussen de partijen bestaat er geen betwisting dat de nieuwe woning werd opgetrokken na afbraak van de oude woning. Evenmin is er betwisting dat de schuur grondig werd verbouwd. Daarbij is echter een groot deel van het gebouw blijven bestaan en hergebruikt geworden.
In het proces-verbaal worden de werken aan de schuur als bijzaak van een eerder opgerichte nieuwe woning beschouwd.
De appellant stelt dat een kunstmatige redenering werd opgebouwd door de twee bouwvergunningen als één bouwproject te aanzien, waardoor een niet in de wet voorziene voorwaarde wordt toegevoegd. Anderzijds merkt de appellant terecht op dat de bewijswaarde van het proces-verbaal van 24 november 2007 alleen geldt voor de werkelijke effectieve vaststellingen en niet voor deducties. Het feit dat de werken als bijzaak deel uitmaken bij een eerder pas opgerichte woning is een eigen interpretatie die niet valt onder de bewijswaarde van het P.V.
Even tevergeefs werd door de geïntimeerde beroep gedaan op artikel 1, § 10 BTW-Wet dat luidt als volgt :
"Voor de toepassing van dit Wetboek is er sprake van misbruik wanneer de verrichte handelingen resulteren in het verkrijgen van een fiscaal voordeel waarvan de toekenning in strijd is met de doelstelling beoogd in dit Wetboek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en die handelingen in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel hebben".
Het komt niet bewezen voor dat de appellant misbruik zou gepleegd hebben door het aanvragen van twee bouwvergunningen. De ene betrekking hebbend op een nieuwbouw, de andere op een verbouwing. Overigens zijn er geen bezwarende elementen die wijzen in de richting van ook maar enig bedrieglijk opzet.
Tenslotte meent de geïntimeerde dat het verlaagd tarief pas van toepassing kan zijn wanneer alle voorwaarden van rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20 inzake BTW-tarieven of van artikel 1bis van hetzelfde KB vervuld zijn.
Dit houdt in dat de handelingen moeten betrekking hebben op de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of onderhoud van een woning (art. 1bis, § 1, 1° KB nr. 20), die na uitvoering van de werken uitsluitend of hoofdzakelijk als privé-woning wordt gebruikt. Bovendien moeten de handelingen verricht worden aan een woning waarvan de eerste ingebruikneming tenminste vijf jaar voorafgaat aan het eerste tijdstip van verschuldigdheid van de BTW. Er is geen betwisting dat het hoofdgebouw in gebruik werd genomen op 30 juli 2005.
Een schuur, noch een garage, noch een berging kunnen beschouwd worden als een woning aangezien deze niet gebruikt worden als huisvesting. Wel staat het vast dat door de verbouwing van de schuur de berging en de garage het hoofdgebouw aanzienlijk hebben verbeterd en het hoofdgebouw tot nut strekken. Het hoger beroep is derhalve ongegrond.
Dispositif
OP DIE GRONDEN,
HET HOF,
recht doende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
Verklaart het hoger beroep toelaatbaar doch wijst het af als ongegrond.
Bevestigt het bestreden vonnis.
Veroordeelt de appellant tot de kosten in hoger beroep en begroot deze op … EUR rechtsplegingsvergoeding aan de zijde van iedere partij.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in fiscale zaken, op ZEVEN JUNI TWEEDUIZEND EN ELF.
Aanwezig de Heren :
A. D. M., Kamervoorzitter, Voorzitter,
G. T. en D. V., Raadsheren,
M. V., griffier.
M. V. D. V. G. T. A. D. M.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.