Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de Première instance d'Anvers du 04.11.2009
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
V 0 N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op vier november tweeduizend en negen in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :
P. W., alleenzetelend rechter,
N. D., griffier.
In zake : AR nr. 08/3030/A
BVBA D. D., ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….
eisende partij,
verschijnende bij meester N. M. loco meester W. H., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
tegen :
DE BELGISCHE STAAT,
volgens dagvaarding :
A. publiekrechtelijk rechtspersoon, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel,
B. de rekenplichtige ambtenaar van de FOD Financiën, Administratie van de Belastingen en Invordering - sector BTW, eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor Antwerpen 2, met kantoren gevestigd te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.
volgens eigen conclusie :
Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de rekenplichtige van het tweede BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, met burelen gevestigd te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.
verwerende partij,
verschijnende bij meester A. v. L. d. J., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :
- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder G. V. in vervanging van gerechtsdeurwaarder P. J. te … op 30 april 2008 voor wat betreft verwerende partij sub A en betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder E. M. te … op 7 mei 2008 voor wat betreft verwerende partij sub B,
- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 1 van het Gerechtelijk Wetboek op 23 mei 2008,
- de besluiten van partijen.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.
Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 14 oktober 2009.
De vordering strekt ertoe het dwangbevel, uitgevaardigd op en uitvoerbaar verklaard op 1 april 2008, te vernietigen en van nul en generlei waarde te verklaren en te zeggen voor recht dat de ermee van eiseres gevorderde bedragen door haar niet verschuldigd zijn, het proces-verbaal van 20 maart 2008 van onwaarde te verklaren en te zeggen voor recht dat de ermee van eiseres gevorderde bedragen door haar niet verschuldigd zijn, verweerder te veroordelen om de ten onrechte ingehouden of ten onrechte door eiseres betaalde bedragen aan haar terug te betalen, zoals de ingehouden bedragen van 6.709,26 EUR, 9.922,19 EUR
en 12.555,36 EUR, meer de moratoire intresten overeenkomstig artikel 91 W.BTW en de kosten van het geding.
Relevante feiten
Bij beslissing van de registratiecommissie van 24 januari 2007 werd de registratie als aannemer van eiseres definitief geschrapt, hetgeen gepubliceerd werd in het Belgisch Staatsblad van 30 maart 2007; deze schrapping had uitwerking vanaf 10 april 2007.
Bij brief van 8 februari 2007 werd voornoemde beslissing tot schrapping ter kennis gebracht van eiseres.
Ná deze schrapping heeft eiseres echter het werk in onroerende staat verder gefactureerd aan 6 % BTW.
Beoordeling
Betreffende de schending van het gelijkheids- en neutraliteitsbeginsel
Krachtens artikel 1bis, § 1, 4° KB nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de BTW en tot indeling van de goederen en diensten bij die tarieven wordt het werk in onroerende staat onderworpen aan het tarief van 6 % voor zover onder meer de volgende voorwaarde is vervuld, namelijk de handelingen moeten worden verstrekt en gefactureerd aan een eindverbruiker door een persoon die, op het tijdstip van het sluiten van het aannemingscontract, geregistreerd is als zelfstandig aannemer overeenkomstig de artikelen 400 en 401 WIB 92.
Wanneer de handelingen aldus worden verstrekt door een niet-geregistreerde aannemer, wordt hetzelfde werk onderworpen aan het tarief van 21 %, hetgeen - volgens eiseres - strijdig is met het gelijkheids- en neutraliteitsbeginsel.
Het neutraliteitsbeginsel verzet zich ertegen dat door een nationale regeling soortgelijke diensten, die met elkaar concurreren, uit het oogpunt van de BTW verschillend worden behandeld.
Bijgevolg moeten concurrentievervalsingen, die voortvloeien uit een verschillende behandeling vanuit het oogpunt van de BTW, opgeheven worden; concurrentievervalsing is aangetoond zodra wordt vastgesteld dat soortgelijke diensten met elkaar concurreren en ongelijk worden behandeld vanuit het oogpunt van de BTW.
Soortgelijke diensten, die met elkaar concurreren, mogen niet aan verschillende tarieven onderworpen worden, doch moeten aan een uniform tarief worden onderworpen (H.v.J. 21 juni 1988, Jur.H.v.J. 1988,1,3097 en H.v.J. 21 juni 1988, Jur.H.v.J. 1988, I, 3127).
Niettegenstaande de registratie als aannemer van eiseres geschrapt was omdat zij activiteiten had uitgeoefend waarvoor zij het bewijs van vereiste beroepsbekwaamheid niet had geleverd aan de hand van getuigschriften en niettegenstaande een geregistreerde aannemer meer garantie biedt van degelijkheid van de werken, doet dit geen afbreuk aan het feit dat eiseres ongetwijfeld soortgelijke diensten, namelijk werken in onroerende staat, heeft verricht als een geregistreerde aannemer.
Bijgevolg mogen de diensten van eiseres en de diensten van een geregistreerd aannemer, die soortgelijk zijn en met elkaar concurreren, dan ook niet aan verschillende tarieven worden onderworpen.
Door het werk in onroerende staat van eiseres, zijnde een niet-geregistreerde aannemer, te hebben onderworpen aan het BTW-tarief van 21 %, terwijl hetzelfde werk in onroerende staat van andere aannemers, die wel geregistreerd waren, te hebben onderworpen aan het BTW-tarief van 6 %, heeft de administratie het neutraliteitsbeginsel geschonden gezien eiseres en de geregistreerde aannemers soortgelijke diensten verrichten, die met elkaar concurreren en vanuit het oogpunt van de BTW ongelijk worden behandeld, waardoor aldus concurrentievervalsing is aangetoond.
Ten overvloede dient trouwens te worden opgemerkt dat de Minister van Financiën - ingevolge een parlementaire vraag van 26 juni 2008 - op 5 augustus 2008 antwoordde dat zijn kabinet bestudeert in hoeverre de voorwaarde van de registratie als aannemer voor de toepassing van een verlaagd tarief in de onroerende sector verenigbaar is met het Europees recht (Vr. en Antw., Kamer, 2007-2008, nr. 028, blz. 7196-7198).
Betreffende de dagvaardingskosten
Hoewel artikel 1385decies Ger. W. voorziet dat dit geschil betreffende de toepassing van een belastingwet wordt ingeleid bij verzoekschrift, betekent dit niet dat de belastingplichtige de administratie niet zou kunnen dagvaarden indien hij dit verkiest.
De meerkost van de dagvaarding ten opzichte van het verzoekschrift blijft evenwel ten laste van eiseres, ook wanneer deze niet in het ongelijk wordt gesteld.
Krachtens de artikelen 2791 en 162, 4° W. Reg. is de akte tot inleiding van een fiscale zaak vrijgesteld van het rolrecht zodat eiseres deze zaak kosteloos kon inleiden bij verzoekschrift en de dagvaardingskosten dan ook ten laste van eiseres blijven.
Betreffende de rechtsplegingsvergoeding
Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft strekt de vordering ertoe enerzijds het bestreden dwangbevel te vernietigen en van nul en generlei waarde te verklaren zodat aldus wordt gevorderd om de bedragen van het dwangbevel niet te moeten betalen, zijnde – zoals hierna omschreven - een vordering die niet in geld waardeerbaar is; anderzijds verweerder te veroordelen om de ten onrechte ingehouden of ten onrechte door eiseres betaalde bedragen aan haar terug te betalen, zoals de ingehouden bedragen van 6.709,26 EUR, 9.922,19 EUR en 12.555,36 EUR, meer de moratoire intresten overeenkomstig artikel 91 W.BTW, zijnde een vordering die wel in geld waardeerbaar is.
Om de waarde van de vordering te bepalen kunnen er immers drie mogelijkheden zich voordoen, namelijk :
- eis is in geld uitgedrukt (artikelen 557 tot 562 Ger. W.);
- eis is niet in geld uitgedrukt, maar wel in geld waardeerbaar (artikel 592 Ger. W.);
- eis is zelfs niet in geld waardeerbaar.
Niettegenstaande het bestreden dwangbevel een som geld tot voorwerp heeft, wordt te dezen gevorderd om het bestreden dwangbevel te vernietigen en van nul en generlei waarde te verklaren en om aldus de bedragen van dit dwangbevel niet te moeten betalen zodat er aldus geen som geld wordt geëist.
Bijgevolg is de vordering tot vernietiging en tot verklaring van nul en generlei waarde van het bestreden dwangbevel overeenkomstig de artikelen 557 tot 562 en 618 Ger. W. niet in geld uitgedrukt.
Artikel 2 KB van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 Ger. W. bepaalt uitdrukkelijk dat voor geschillen die betrekking hebben op in geld waardeerbare vorderingen het bedrag van de vordering wordt vastgesteld overeenkomstig de artikelen 557 tot 562 en 618 Ger. W. in verband met de bepaling van de bevoegdheid en de aanleg; hieruit volgt dat voorde vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding de waarde van de vordering niet kan worden vastgesteld overeenkomstig artikel 592 Ger. W., zijnde een eis die niet in geld is uitgedrukt maar wel in geld waardeerbaar is.
Aangezien de vordering tot vernietiging en tot verklaring van nul en generlei waarde van het bestreden dwangbevel overeenkomstig de artikelen 557 tot 562 en 618 Ger. W. niet in geld is uitgedrukt en aangezien - zoals hoger vermeld - voor de vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding de waarde van de vordering niet kan worden vastgesteld overeenkomstig artikel 592 Ger. W., staat het vast dat deze vordering voor de vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding betrekking heeft op een niet in geld waardeerbare vordering.
Bijgevolg betreft de vordering tot vernietiging en tot verklaring van nul en generlei waarde van het bestreden dwangbevel en tot terugbetaling van de ingehouden bedragen van 6.709,26 EUR, 9.922,19 EUR en 12.555,36 EUR, zijnde in totaal 29.186,81 EUR, meer de moratoire intresten overeenkomstig artikel 91 W.BTW, een gemengde vordering (enerzijds niet in geld waardeerbaar en anderzijds wel in geld waardeerbaar).
Voor deze gemengde vordering dienen de tarieven van de hoogste rechtsplegingsvergoeding te worden toegepast, zijnde te dezen de tarieven van de in geld waardeerbare vordering waarvoor het basisbedrag 2.000,00 EUR bedraagt, het minimumbedrag 1.000,00 EUR en het maximumbedrag 4.000,00 EUR.
Geen van de partijen heeft verzocht het basisbedrag te verminderen of te verhogen zodat de rechtbank dit basisbedrag van 2.000,00 EUR moet toekennen.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Rechtdoende op tegenspraak,
Alle andere en strijdige conclusies verwerpend,
Verklaart de vordering toelaatbaar en als volgt gegrond.
Verklaart het bestreden dwangbevel van nul en generlei waarde.
Veroordeelt verweerder tot terugbetaling van alle dientengevolge geïnde bedragen, vermeerderd met de moratoriumintresten overeenkomstig artikel 91 W.BTW.
Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding tot op heden door eiseres begroot op 162,28 EUR en 166,17 EUR dagvaardingskosten en op 3.000,00 rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve slechts vereffend op 2.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.
Wijst het meer en / of anders gevorderde af.
N. D. P. W.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.