Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Louvain du 20.02.2004
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
De Rechtbank van Eerste aanleg te Leuven heeft het volgende vonnis uitgesproken :
Rol nr.: 02/2377/A
B. c.v.b.a., coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met zetel te …, …, met uitbatingszetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Namur onder nr. …
- eiseres, ter zitting vertegenwoordigd door meester R. P., advocaat te …, …
tegen :
De BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de heer Minister Van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de heer e.a. inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te 3300 Tienen, Goossensvest 3, R.A.C.
- verweerder, ter zitting vertegenwoordigd door meester de N. E., advocaat te …, ….
In deze zaak, in beraad genomen ter zitting van 23 januari 2004, spreekt de rechtbank volgend vonnis uit.
Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid :
- de gedinginleidende dagvaarding op 14 november 2002 op verzoek van de C.V.B.A. B. betekend aan de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen,
- de conclusie, de aanvullende conclusie en de tweede aanvullende conclusie op respectievelijk 12 december 2002, 30 juni 2003 en 9 oktober 2003 ter griffie neergelegd door de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, in de persoon van de minister van Financiën, vertegenwoordigd door de eerst aanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Tienen,
- de conclusie en de tweede conclusie op respectievelijk 31 januari 2003 en 3 juli 2003 ter griffie neergelegd door de C.V.B.A. B..
Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 23 januari 2004, waarna de bundels met stavingsstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.
1. Feiten en procesverloop
1.1. De C.V.B.A. B., hierna genoemd "eiseres", werd op 4 juni 1997 opgericht met als doel de exploitatie van een organisatie van producenten met het oog op de aan- en verkoop, de in- en export, de teelt, de behandeling, de bewaring van fruit en diverse groenten, landbouwproducten en voedingsmiddelen, en aanverwante bedrijvigheden.
Zij diende op 13 juni 1997 een aangifte van aanvang van werkzaamheid in voor deze activiteiten.
Zij bekwam voor deze activiteiten op 17 juni 1997 een erkenning van het ministerie van Landbouw bij wijze van de goedkeuring van haar operationeel programma.
Eiseres telt elf leden en reikte aan hen facturen uit met de omschrijving: "Bijdrage in operationeel fonds B. in kader Verordening (EG) nr. 2200/96 voor het jaar ... volgens art. 15 van Verordening 411/97 EU Actiefonds". Zij paste op deze jaarlijkse bijdrage in het operationeel fonds het BTW-tarief van 6 % toe.
Naar aanleiding van een controle ontving eiseres een correctie-opgave van 16 januari 2001 waarin wordt gemeld dat het toepasselijke tarief 21 % is.
Eiseres diende op 29 januari 2001 een bezwaarschrift in.
De centrale administratie van de BTW oordeelde in een beslissing van 7 mei 2002 dat eiseres niet als een belastingplichtige dient te worden aangemerkt.
Op 19 augustus 2002 werd een proces-verbaal opgemaakt waarin wordt gesteld dat de door haar geleverde prestaties niet als belastbare diensten kunnen worden beschouwd en evenmin recht op aftrek van de voorbelasting verlenen, en waarin wordt vastgesteld dat eiseres een BTW van … EUR en een geldboete van … EUR verschuldigd is.
Op 20 september 2002 werd voor die bedragen aan eiseres een dwangbevel van 16 september 2002 betekend.
1.2. Eiseres tekende op 14 november 2002 verzet aan tegen dit dwangbevel. Zij vordert :
- het dwangbevel te vernietigen en de vordering van de BELGISCHE STAAT ongegrond te verklaren;
- de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op grond hiervan werden geïnd, verhoogd met de interesten sedert de datum van betaling,
- de BELGISCHE STAAT in de kosten te veroordelen.
Eiseres breidt in conclusie haar vordering uit met de subsidiaire eis tot betaling van een schadevergoeding van … EUR, meer de interesten, te verrekenen op datum van de uitspraak van het vonnis.
De BELGISCHE STAAT, hierna genoemd "verweerder", vraagt de vordering ongegrond te verklaren en eiseres in de kosten te veroordelen.
2. In rechte
2.1. Het standpunt van eiseres.
Eiseres noemt de argumentatie van verweerder, gesteund op het arrest van het Europees Hof van Justitie van 8 maart 1988 in de zaak A. a. P. D. C., niet deugdelijk : enerzijds is geen vergelijking mogelijk van haar activiteiten van telersvereniging met de algemene promotieactiviteiten van de A. a. P. D. C.; anderzijds opereert eiseres niet in analoge omstandigheden als de A. a. P. D. C..
Essentieel voor eiseres is de vraag of er een rechtstreeks verband bestaat tussen haar activiteiten en de bijdragen die zij van haar leden ontvangt, overeenkomstig artikel 2 van de Zesde Richtlijn van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting-Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, en de daaraan gegeven interpretatie van het Hof van Justitie. Eiseres beantwoordt die vraag bevestigend op grond van haar activiteiten als telersvereniging, zoals die blijken uit haar jaarverslag operationeel programma 2002 en die niet enkel specifiek zijn ten opzichte van haar leden doch ook direct in het voordeel van haar leden zijn.
Subsidiair voert eiseres een schending van het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel, alsmede rechtsverwerking aan.
Het vertrouwensbeginsel is geschonden doordat verweerder gedurende meer dan vijf jaar voorhield dat eiseres BTW-plichtig was. Door deze houding verwerkte verweerder tevens zijn recht tot wijziging.
Het gelijkheidsbeginsel is geschonden, aangezien diverse fruitveilingen in het land het BTW-tarief van 6 % toepassen.
Subsidiair, in zoverre de rechtbank de vordering in terugbetaling van de BTW zou gegrond verklaren, vordert eiseres op grond van artikel 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek en de beginselen van behoorlijk bestuur een schadevergoeding gelijk aan de totaliteit van het bedrag dat zij aan verweerder zou dienen te betalen.
2.2. Het standpunt van verweerder
Verweerder betoogt dat uit de controles is gebleken dat tussen de prestaties van eiseres en de ontvangen tegenwaarde, in casu gefactureerd als "Bijdrage in operationeel fonds B. in kader Verordening (EG) nr. 2200/96 voor het jaar ... volgens art. 15 van Verordening 411/97 EU Actiefonds", geen rechtstreeks verband bestaat dat van aard is dat er een verhouding bestaat tussen de omvang van het voordeel dat de genieters hebben bij een specifieke dienst en het bedrag van de tegenwaarde. Deze prestaties kunnen volgens verweerder dan ook niet worden beschouwd als belastbare diensten en verlenen bijgevolg geen recht op aftrek van de voorbelasting.
Verweerder wil niet ontkennen dat de A. a. P. D. C. en een telersvereniging zoals eiseres niet volledig identiek zijn. De werkzaamheden van eiseres en de omstandigheden waaronder, zij gebeuren, zijn volgens verweerder echter wel vergelijkbaar met die van de zaak A. a. P. D. C..
Verder stelt verweerder vast dat de activiteiten van eiseres in de ter beoordeling staande periode niet identiek zijn aan de activiteiten van gewone veilingen/erkende telersverenigingen en zich bijgevolg met betrekking tot de bijdragen van haar leden/telers niet kan beroepen op de BTW-regeling die geldt voor de gewone veilingen/erkende telersverenigingen.
2.3. Beoordeling
2.3.1 De A. a. P. D. C. is een publiekrechtelijk lichaam dat tot taak heeft de productie en verkoop van appels en peren van standaardkwaliteit in Engeland en Wales te bevorderen. Bij ministerieel besluit van 1980 werd de Council bevoegd om de telers van appel- en perenbomen een jaarlijkse bijdrage op te leggen. Deze bijdragen moeten de Council in staat stellen de kosten te delen die hij bij de uitoefening van zijn taak maakt of zal maken.
Het Hof van Justitie herinnerde in het A. a. P. D. C.-arrest eraan dat het begrip "diensten welke onder bezwarende titel worden verricht" in de zin van artikel 2, 1° van de Zesde Richtlijn, onderstelt dat er een rechtstreeks verband bestaat (tussen de verrichte diensten en de ontvangen tegenwaarde (H.v.J., 8 maart 1988, A. a. P. D. C./Commissioners of Custorns and Excise, 102/86, Jur., 1988, 1, 1443; R.W., 1990-91, 535, noot B. PEETERS).
Het Hof van Justitie oordeelde in dit arrest dat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen de werkzaamheden van de Council en de bijdragen die hij aan de telers oplegt.
De criteria die het Hof hanteert zijn tweeërlei : allereerst het collectief karakter van de prestatie van de Council die de hele sector ten goede komt en waaraan de leden, individueel gezien, slechts onrechtstreeks nut hebben; vervolgens het ontbreken van enig verband tussen de omvang van het ontvangen voordeel en het verplicht te betalen bedrag. Wegens het verplicht karakter is het mogelijk dat een teler moet betalen zonder enig specifiek voordeel te genieten.
De prejudiciële uitlegging heeft bindende werking. De bindende werking van de uitlegging valt samen met de bindende werking van de bepalingen en beginselen waarop zij slaat en die door alle nationale rechters moet worden geëerbiedigd (K. LENAERTS en D. ARTS, Europees Procesrecht, Antwerpen-Apeldoorn, Maklu, 1999, nr. 219).
2.3.2 De facturen die eiseres aan haar leden uitreikte omschrijven de handeling als “Bijdrage in operationeel fonds B. in kader Verordening (EG) nr. 2200/96 voor het jaar … volgens art. 15 van Verordening 411/97 EU Actiefonds”.
Deze facturen hebben betrekking op de proportionele financiële bijdragen die de fruittelers/leden aan eisers betalen voor de vorming van een actiefonds in de zin van artikel 15, eerste lid, van.de Verordening (EG) nr. 2200/96 van de Raad van 28 oktober 1996 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit, Pb., 1996, L 297/1.
Verweerder beoordeelt bijgevolg oordeelkundig de gefactureerde handeling op grond·van de doelstellingen die de Verordening (EG) nr. 2200/96 van de Raad van 28 oktober 1996 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit, het actiefonds dat zij instelt, en het operationeel programma dat het actiefonds moet financieren, beogen.
Luidens artikel 15, vierde lid, van de Verordening (EG) nr. 2200/96 moet het operationeel programma a) naast verschillende van de in artikel 11, eerste lid, onder b) bedoelde doelstellingen onder meer een aantal van de volgende oogmerken hebben : verbetering van de kwaliteit van de producten, verhoging van de handelswaarde van de producten, verkoopbevordering van de producten bij de consument; ontwikkeling van een biologische-productiekolom; bevordering van geïntegreerde productie of van andere milieuvriendelijke productiemethoden; beperking van de uit de markt genomen hoeveelheden; b) maatregelen omvatten om de leden ertoe aan te zetten milieuvriendelijke technieken toe te passen ... c) een financiële planning omvatten die voorziet in de inschakeling van de personele en technische hulpmiddelen die nodig zijn voor het toezicht op de inachtneming van de normen; de fytosanitaire voorschriften en de toegestane maximum residugehalten.
Luidens artikel 11, eerste lid, b) van de Verordening (EG) nr. 2200/96 worden volgende doelstellingen bedoeld : 1. te verzekeren dat de productie wordt gepland en aan de vraag. wordt aangepast, met name wat omvang en kwaliteit betreft; 2. de concentratie van het aanbod en het in de handel brengen van de producten van de leden te bevorderen; 3. de productiekosten te drukken en de productieprijzen te reguleren; 4. De landbouwpraktijk, de productietechnieken en het afvalbeheer milieuvriendelijker te maken, om met name de kwaliteit van water, boden en landschap te beschermen en de biodiversiteit te behouden en/of te bevorderen.
Verweerder betoogt terecht dat deze doelstellingen van het operationele programma in het belang van de gehele betrokken bedrijfstak (leden van de telersvereniging) en in het algemeen belang zijn, en dat dit ook geldt voor het operationeel programma van eiseres.
De concrete realisatie van de doelstellingen die het jaarverslag van het operationeel programma 2002 vermeldt : de concentratie van het aanbod, de investering in de verhoging van de kwaliteit en voedselveiligheid, de investering in het onderzoek naar nieuwe appelrassen, de betere marktpenetratie en de betere marktprijzen voor de ledenproducenten, een goed uitgebouwde telersbegeleiding en de milieuvriendelijke teelten en technieken, komen inderdaad ten goede aan alle elf leden van eiseres en zijn ook afgestemd op de individuele behoeften van de leden, maar zijn niet individualiseerbaar.
Hetzelfde geldt voor de certificaten geïntegreerde teelt volgens lastenboek Fruitteelt en EUREPGAP, die voedselveiligheid bij de productie garanderen, voor het ISO-9002-certificaat dat de kwaliteit aan de handelspartners van de gecommercialiseerde producten garandeert, voor net HACCP-certificaat dat de voedselveiligheid bij de opslag, bewaring en sortering van de productie van de leden-producenten garandeert. Deze certificaten betekenen voor de leden van eiseres gewis een meerwaarde, maar zijn niet afgestemd op de individuele behoeften van de leden.
De leden van eiseres betalen een financiële bijdrage voor de vorming van het operationele fonds, die overeenkomstig artikel 15.1 van de Verordening (EG) nr. 2200/96 wordt berekend aan de hand van de hoeveelheden of de waarde van de daadwerkelijk op de markt afgezette groenten en fruit.
Deze bijdragen zijn verplicht en niet afhankelijk van de mate waarin werkelijk of verondersteld van de werkzaamheden van eiseres gebruik wordt gemaakt. Zij vormen een vergoeding voor de behartiging van hun gemeenschappelijke belangen.
Besluit. Uit het vorenstaande volgt dat de aan de leden van eiseres opgelegde verplichte bijdrage niet in rechtstreeks verband staat met de voordelen die voor de individuele telers voortvloeien uit haar werkzaamheden. De uitoefening van die werkzaamheden is bijgevolg geen dienst die onder bezwarende titel wordt verricht in de zin van artikel 2, 1 van de Zesde Richtlijn.
2.3.3. Het gelijkheidsbeginsel
Eiseres acht de beslissing van verweerder strijdig met het gelijkheidsbeginsel, aangezien diverse fruitveilingen het BTW-tarief van 6 % toepassen.
Eiseres is in haar bezwaarschrift van 29 januari 2001 wel van mening dat zij zorgt voor de commercialisatie van het product en afnemers zoekt van de producten van haar leden en dat deze werkzaamheden volledig identiek zijn aan die van een veiling.
De rechtbank leest met verweerder in het jaarverslag operationeel programma 2002 van eiseres het bewijs dat deze in de in het geding zijnde periode van 1997 tot en met april 2002 de productie van haar leden niet aankocht en doorverkocht : "De opstart van het nieuwe verkoopsseizoen in september 2002 werd gekenmerkt door het overnemen van de commerciële activiteit door (eiseres) van haar lid N.V. J. N.'.
Eiseres vergelijkt zichzelf dan ook verkeerdelijk met een fruitveiling en beroept zich ten onrechte op het gelijkheidsbeginsel.
2.3.4. Het vertrouwensbeginsel
Eiseres voert als subsidiaire rechtsgrond van haar hoofdvordering de schending van het vertrouwensbeginsel aan.
Zij stelt op grond van de schending van het vertrouwensbeginsel eveneens een schadeëis in.
Eiseres acht het vertrouwensbeginsel geschonden doordat verweerder gedurende meer dan vijf jaren, van juni 1997 tot 16 september 2002, en na diverse controles, voorhield dat zij BTW-plichtig was en vervolgens stelde dat eiseres niet BTW-plichtig was.
Eiseres refereert aan het vonnis van de beslagrechter te Hasselt van 10 juni 2003, die de uitvoering van het dwangbevel van 16 september 2002 opschortte tot een definitieve uitspraak van de bodemrechter, in welk vonnis men leest : "dat eiseres in de waan werd gelaten dat zij aangiftes diende te doen en BTW diende aan te rekenen bij haar facturatie, terwijl nadien net het tegenovergestelde wordt gesteld en alles wordt teruggevorderd. Het zou billijker zijn geweest, zo er een afrekening werd opgesteld voor het verleden en naar de toekomst de stelling aangehouden werd dat eiseres niet BTW-plichtig was, dan had deze tenminste met kennis van zaken en in alle sereniteit de zaak kunnen oplossen".
Verweerder repliceert dat doordat de administratie slechts na verloop van tijd en op grond van feitelijke of correcte gegevens, kon vaststellen dat eiseres in werkelijkheid niet handelde zoals expliciet vermeld was in haar aangifte van aanvang van werkzaamheid, de administratie geen mogelijkheid had om eerder te stellen dat eiseres geen belastbare handelingen in de zin van artikel 2 van het wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde verrichtte. Het toekennen van een BTW-identificatienummer door de administratie, is volgens verweerder een loutere formalisering. van de eenzijdig ingediende aangifte van aanvang van werkzaamheid en houdt derhalve geen erkenning in van de betrokkene als rechtmatige BTW-belastingplichtige.
Verweerder besluit dat eiseres zelf zich onbehoorlijk gedroeg door onvoldoende en onjuiste inlichtingen in haar aangifte van aanvang van werkzaamheid te verstrekken.
Beoordeling. De aangifte van aanvang van werkzaamheid die eiseres op 13 juni 1997 indiende en die volgens verweerder onvoldoende en onjuiste gegevens bevat, wordt door partijen niet neergelegd. Verweerder preciseert evenmin welke onvoldoende en onjuiste gegevens die aangifte zou bevatten.
De rechtbank beveelt de heropening der debatten met het oog op de neerlegging van dit stuk.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken,
rechtsprekend op tegenspraak,
alle andersluidende en meer omvattende conclusies van de hand wijzende als niet terzake en/of overbodig,
verklaart de vordering ontvankelijk,
alvorens ten gronde uitspraak te doen, beveelt de heropening der debatten op de zitting van 12 maart 2004 om 11.15 uur van deze kamer, opdat verweerder de aangifte van aanvang van werkzaamheid ingediend door eiseres neerlegt,
houdt de beslissing over het overige van de zaak aan.
Aldus gedaan en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de twaalfde kamer der rechtbank van eerste aanleg, zitting houdende te Leuven op vrijdag twintig februari tweeduizend en vier, waar zetelden :
- de heer P. V., aIleenzetelend rechter;
- mevrouw J. C., griffier.
J. C. P. V.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.