Tribunal de première instance de Gand, 6 septembre 2005 · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Gand 6 septembre 2005

Rechercher
Texte en néerlandais

Tribunal de première instance de Gand, 6 septembre 2005

https://juriel.be/fr/jurisprudence/tribunal-gand-2005-09-06-0c1e

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Gand
Date
6 septembre 2005

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

70 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première Instance de Gand dd. 06.09.2005

TVA - Droit à déduction

Pendant une période donnée, l'appelante n'exerce plus d'activités imposables, étant donné que son unique client a mis fin au contrat conclu avec elle et a été déclaré en faillite. Pendant cette période, l'appelante effectue cependant des opérations préparatoires afin de pouvoir de nouveau effectuer des opérations imposables.

La cour d'appel considère que, pendant la période pendant laquelle l'appelante n'effectue que des opérations préparatoires, celle-ci bénéficie quand même du droit à déduction.

Commentaire

La cour considère qu'en dépit du fait qu'un assujetti n'effectue pas d'opérations imposables pendant une période donnée, cet assujetti n'en conserve pas moins son droit à déduction de la TVA pendant cette période, s'il effectue des opérations préparatoires afin de pouvoir de nouveau effectuer des opérations imposables.

L'arrêt de la cour s'inscrit dans le prolongement de diverses décisions de la Cour de Justice, dans lesquelles il est clairement indiqué que s'il y a une période pendant laquelle aucune opération imposable n'est effectuée mais que, pendant cette même période, des opérations préparatoires sont effectuées en vue d'effectuer des opérations imposables, l'assujetti bénéficie bel et bien d'un droit à déduction pendant ladite période ( www .curia.eu.int : CJCE, 14 février 1985, C-268/83, Rompelman, BTW-Revue 1994, 735; CJCE, 11 juillet 1991, C-97/90, Lennartz, Fisc. Koer. 1992/209; CJCE, 15 janvier 1998, C-37/95, Ghent Coal Terminal NV, F.J.F. 1998, 97, Fisc. Act. 1998, 6/1, Fisc. Koer. 1998/187; CJCE, 29 février 1996, C-110/94, INZO, Fisc. Act. 1996, 12/3; CJCE, 3 mars 2005, C-32/03, I/S Fini).

Auteur : K. Demeurichy

Corps de la décision

Hof van beroep

te Gent

5° kamer

terechtzitting

van

06-09-2005

BELASTINGEN

(verzet dwangbevel BTW)

Nr.2003/AR/422

in de zaak van:

I. B.V.B.A..

met maatschappelijke zetel te ..., ingeschreven in het handelsregister te A., onder het nummer ...,

appellante,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. DE M. L. in eigen naam en loco mr. V. A. F.A., advocaat te ...

tegen:

DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Administratie van de Ondememings- en Inkomstenfiscaliteit, vertegenwoordigd door de heer E.a. Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor Aalst, met kantoor te 9300 AALST, Graanmarkt l,

geïntimeerde,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. V. M. M. loco mr. V. A. E., advocaat te ...

spreekt het Hof het volgend arrest uit:

1. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 10.01.2001 tekende de appellante bij de rechtbank van eerste aanleg te G. verzet aan tegen het dwangbevel (RCIV nr. ...) uitgevaardigd door P. De V., eerstaanwezend inspecteur a.i., ontvanger van het BTW-kantoor te A. op 21.11.2000, en geviseerd en uitvoerbaar verklaard door F. De B., eerstaanwezend inspecteur-diensthoofd, daartoe gemachtigd door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te G., op 27.11.2000.

In dit dwangbevel werd opgenomen als schuld ten laste van de appellante een bedrag van 562.759 BEF (13.950,43 EUR) aan BTW + een geldboete van 56.000 BEF (1.388,20 EUR) ingevolge artikel 70 § l BTW-wetboek, hetzij in totaal 618.759 BEF (15.338,63 EUR), vermeerderd met de intrest van 0,80 % per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21.7.1998, de moratoire intrest over de nog verschuldigde geldboeten die loopt vanaf de betekening van het dwangbevel ingevolge artikel 91 § 4 BTW-wetboek, en de vervolgingskosten.

Met haar verzet vorderde de appellante dat zou gezegd worden voor recht dat zij gerechtigd is op aftrek van de BTW in de periode van 1.1.1996 t/m 30.6.1998 en dat de vordering gesteld in het dwangbevel zonder voorwerp is.

Bij vonnis van 24.10.2002 van de rechtbank van eerste aanleg te G., zesde kamer, werd de vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard en werd de appellante veroordeeld tot de kosten.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te G. op 20.2.2003 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vermelde vonnis.

Het blijkt niet dat het bestreden vonnis werd betekend of dat de appellante er in zou hebben berust.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

De appellante streeft de vernietiging van het bestreden vonnis na en vordert de gegrondverklaring van haar verzet tegen het dwangbevel, dat zou gezegd worden voor recht dat zij gerechtigd is op aftrek van de BTW in de periode van 1.1.1996 t/m 30.6.1998 en dat de vordering gesteld in het dwangbevel ongegrond zou worden verklaard, met uitzondering van de in aftrek gebrachte BTW op de factuur K..

De geïntimeerde vordert dat het hoger beroep zou worden afgewezen als ongegrond.

2. De administratie heeft de aftrek van de BTW op bedrijfsmiddelen verworpen om redenen dat zij volgens haar niet bestemd waren voor de economische activiteit (artikel 45 § l BTW-wetboek;- zie ook artikel 17.2 zesde Richtlijn nr. 77/388/EEG Raad dd. 17.5.1977).

De appellante oefende in de hoger aangehaalde periode geen belastbare activiteiten meer uit, dit nadat haar enige klant (zie het proces-verbaal van 22.5.2000, stuk l van de geïntimeerde) de samenwerkingsovereenkomst met haar beëindigde en vervolgens failliet werd verklaard, dit alles in 1996.

Pas vanaf 1998 kreeg de appellante terug opdrachten van nieuwe klanten. Dat de activiteit hernam in 1998 wordt door de geïntimeerde niet betwist (zie o.m. de conclusie van de geïntimeerde neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te G. op 11.6.2003, 4 e blad, voorlaatste paragraaf).

Uit de stukken 7 en 8 van de appellante blijkt dat in 1996 verder prospecties met het oog op sluiten van contracten werden uitgevoerd door de appellante zowel in Frankrijk, Engeland, Duitsland als in België. Wat de firma E. T. betreft heeft de appellante pas door sluiten van een overeenkomst met deze laatste in 1998 de vruchten kunnen plukken van haar gesprekken met deze firma in juni en juli 1996 (zie stuk 8 met de bijlage van de appellante).

De economische activiteit van de appellante wordt in het proces-verbaal van 22.5.2000 (stuk l van de geïntimeerde) omschreven als " geven van bedrijfs- en individuele adviezen " . Dit wordt door de appellante nader geëxpliciteerd in haar ongedateerde brief aan de administratie van BTW-registratie-domeinen (stuk 2 van de appellante) en waarvan de datum 12.5.1999 is (zie de vermelding in de brief van 22.5.2000 van de administratie, stuk 3 van de appellante), waarin zij uiteenzet dat de hoofdactiviteit van de appellante bestond in het bemiddelen omtrent grote contracten tussen ondernemingen, zoals aankooporders van een nieuwe lading computers in een bedrijf of het onderhandelen zowel in het binnen- als buitenland bij het binnenhalen van grotere drukwerken met betrekking tot reclame en reisbrochures.

Er zijn geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van deze activiteitsomschrijving, bij afwezigheid van betwisting daaromtrent door de administratie en afwezigheid van gegevens in andere zin die zouden kunnen blijken uit de vaststellingen van de verbalisanten (stuk l van de geïntimeerde).

Bij dergelijke activiteit is het aanneembaar dat het bekomen van een belangrijke bestelling of contract voorafgegaan wordt door een min of meer lange periode van onderhandelingen (vergelijk ook met de uiteenzetting die de appellante omtrent de inhoud en omvang van de onderhandelingen - o.m. met de human resources manager, de directie, de syndicale afvaardiging - geeft op p. 3 van haar conclusie neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te G. op 19.2.2004). Te dezen zal dit des te meer het geval geweest zijn nu voorheen de activiteit van de appellante beperkt was tot het sluiten van contracten voor één enkele klant, en de appellante volledig nieuwe klanten is moeten gaan zoeken.

Uit de vermelde gegevens en uit het feit dat de appellante terug haar activiteiten zag hernemen in 1998 (zie ook het stuk 15 van de appellante, waaruit blijkt dat vanaf 1998 terug belastbare handelingen werden gesteld en deze vervolgens in stijgende lijn gingen) moet worden afgeleid dat het steeds de bedoeling is geweest van de appellante om verder activiteiten uit te voeren en zij, ook al heeft zich dit blijkbaar niet in de betwiste periode veruiterlijkt in belastbare handelingen, zich daar verder voor ingespannen heeft.

Hiermee is niet onverenigbaar het feit dat naast de vermelde activiteit de BVBA I. ook een tijd zaakvoerder was van de N.V. C., en de zaakvoerder van de appellante ook (volgens de appellante slechts van september 1997 tot februari 1998, zie p. 9 van haar verzoekschrift hoger beroep neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te G. op 20.2.2003) nog verbonden is geweest door een bediendencontract met F. (zie ook het proces-verbaal, stuk l van de geïntimeerde, p. l onderaan en 2 bovenaan). Integendeel is dit eerder van aard aan te tonen dat de activiteit van de appellante onvoldoende winstgevend was zodat naast de hoofdactiviteit andere inkomstenbronnen moesten aangesproken worden, wat bevestigt dat het afsluiten van grote bestellingen of contracten slechts moeizaam gebeurde.

Ook als in de litigieuze periode geen belastbare handelingen blijken te zijn gesteld, moet op grond van het voorgaande worden aangenomen dat er minstens in die periode voorbereidende handelingen zijn geweest met de bedoeling tot belastbare handelingen te komen, wat voldoende is om de aftrek van de BTW mogelijk te maken (vergelijk op www .curia.eu.int met HvJ, 3.3.2005, C-32/03, I/S Fini H tegen Skatteministeriet, cijfers 20 tot 35; HvJ, 29.2.1996, C-l 10/94, Intercommunale voor zeewaterontzilting (INZO) tegen Belgische Staat, cijfers 15 tot 25; HvJ, 15.1.1998, C-37/95, Belgische Staat tegen Ghent Coal Terminal NV, cijfers 15 tot 24; HvJ, 11.7.1991, C-97/90, Hansgeorg Lennartz tegen Finanzamt München III, cijfers 13-14; HvJ, 14.2.1985, 268/83, D.A. Rompelman en E.A. Rompelman-Van Deelen tegen de Minister van Financiën, cijfers 16 tot 25).

De aftrek werd dan ook ten onrechte geweigerd, met uitzondering van wat hierna wordt gezegd.

3. De appellante betwist niet meer de verwerping van de in aftrek gebrachte BTW op de factuur van Kimbo voor het opkuisen van het gebouw C. te H. (punt 2.a van het proces-verbaal, stuk l van de geïntimeerde).

De hieruit voortvloeiende schuld bedraagt (zie stuk l van de geïntimeerde):

• BTW: 20.845 BEF (516,73 EUR)

• boete 10%: 2.000 BEF (49,58 EUR)

• de intresten en vervolgingskosten op deze bedragen op de wijze omschreven in het dwangbevel.

Dispositif

OP DEZE GRONDEN,

HET HOF, recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen.

Ontvangt het hoger beroep en verklaart het gegrond.

Doet het bestreden vonnis teniet behoudens waar het de oorspronkelijke vordering ontvankelijk verklaart.

Verklaart grotendeels gegrond het verzet van de appellante tegen het dwangbevel (RCIV nr. ...) uitgevaardigd door P. De V., eerstaanwezend inspecteur a.L, ontvanger van het BTW-kantoor te A. op 21.11.2000, en geviseerd en uitvoerbaar verklaard door F. De B., eerstaanwezend inspecteur-diensthoofd, daartoe gemachtigd door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te G., op 27.11.2000.

Vernietigt dit dwangbevel in de mate waarin het de onder punt 3 hierboven aangegeven schuld te boven gaat.

Veroordeelt de appellante tot 1/10 en de geïntimeerde tot 9/10 van de kosten van beide aanleggen.

Begroot deze kosten in hun geheel als volgt:

• aan de zijde van de appellante: op 120,95 EUR dagvaarding + 334,66 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + 59,49 EUR uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep + 475,96 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal 991,06 EUR;

• aan de zijde van de geïntimeerde: op 334,66 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + 475,96 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal 8 1 0,62 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, op ZES SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN VIJF.

Aanwezig:
MevrouwN. v. I., Voorzitter,
De HerenA. De M. en G. T., Raadsheren,
M. V., griffier.

Textes cités

6

Décisions similaires

8