Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la cour d'appel d'Anvers du 19.11.2024 (rôle 2023/AR/868)
[ Arrêt favorable ]
Taxe sur la valeur ajoutée – Travaux immobiliers – Taux – Taux de TVA réduit – Nouvelle construction
Dispositions légales
Article 1 AR n° 20 du 20 juillet 1970 — Rubrique XXXI du tableau A de l’annexe à l’arrêté royal n° 20 du 20 juillet 1970
Résumé du jugement / de l’arrêt
Volledige tekst
Corps de la décision
Arrest van het hof van beroep te Antwerpen d.d. 19.11.2024
(rolnr. 2023/AR/868)
V.P., RRN …, wonende te …,
Eiser in hoger beroep,
vertegenwoordigd door mr. P.J., advocaat te …
tegen het vonnis van de AFi1 kamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 31 maart 2023, gekend onder rolnummer 22/2297/A
tegen
BELGISCHE STAAT-FOD FINANCIEN, ON 0308.357.159, in de persoon van de minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de ADVISEUR-GENERAAL-DIRECTEUR VAN HET KMO CENTRUM ANTWERPEN, met correspondentieadres te 9050 LEDEBERG, Gaston Crommenstraat 6/765,
Verweerder in hoger beroep,
vertegenwoordigd door mr. B.B., advocaat te …
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 31 maart 2023, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 30 mei 2023, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.
1. Voorafgaande feiten en procedure
1.1. Voorwerp van de betwisting.
De betwisting heeft betrekking op het BTW innings- en invorderingsregister met schuldnummer 500247985021, opgenomen op 28/12/2021 en uitvoerbaar verklaard op 29/12/2021, alsmede het proces-verbaal van 18/11/2021.
1.2. Feiten en voorgaande.
Eiser in hoger beroep is eigenaar van een onroerend goed gelegen te …. Eiser in hoger beroep liet werken uitvoeren aan voormeid onroerend goed. Deze werken werden aan eiser in hoger beroep gefactureerd met toepassing van het verlaagd BTW-tarief van 6%.
Eiser in hoger beroep en zijn echtgenote wensten zo lang mogelijk in hun vertrouwde omgeving te blijven wonen en daarom werd beslist om aan de bestaande woning een assistentie-zorgwoning te bouwen. Eiser in hoger beroep en zijn echtgenote zouden dan in deze zorgwoning gaan wonen en de dochter van eiser in hoger beroep en haar gezin in de ouderlijke woning.
In het kader van een BTW-controle vroeg de belastingadministratie de facturen van de werken op en begaf de BTW-administratie zich ter plaatse. Van het plaatsbezoek werd door de belastingadministratie een proces-verbaal opgesteld.
Op 18/11/2021 deelde de BTW-administratie mee dat aan de voorwaarden van het verlaagd tarief van 6% niet voldaan was.
De BTW-schuld werd onder artikel … opgenomen in het innings- en invorderingsregister. Het innings- en invorderingsregister werd uitvoerbaar verklaard op 29/12/2021. De volgende bedragen worden van eiser in hoger beroep gevorderd:
- 19.861,19 euro aan BTW
- 1.980 euro aan proportionele boete
- te vermeerderen met de interesten en kosten.
Eiser in hoger beroep diende een administratief bezwaar in. Dit bezwaar werd door de belastingadministratie afgewezen.
1.3. Procedure voor de eerste rechter.
Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen op 03/06/2022 stelde eiser in hoger beroep een vordering in rechte in.
Eiser in hoger beroep vorderde:
- zijn vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;
- te zeggen voor recht dat op de verrichte werken in onroerende staat aan de woning gelegen te … in het algemeen en op de facturen uitgereikt tijdens de periode 19/08/2018 t.e.m. 20/11/2019 een tarief van 6% van toepassing is;
- de bestreden BTW met aanhorigheden te vernietigen, dan wel de ontheffing te verlenen en terugbetaling te bevelen van alle ten onrechte betaalde of ingehouden bedragen, verhoogd met de moratoriuminteresten en de gerechtelijke interesten;
- de Belgische Staat te veroordelen tot betaling van de rechtsplegingsvergoeding begroot op 3.000 euro en de wettelijke bijdrage van 22 euro.
Verweerder in hoger beroep besloot tot de ontvankelijkheid doch ongegrondheid van de vordering van eiser in hoger beroep.
De eerste rechter verklaarde de vordering ontvankelijk maar ongegrond en veroordeelde eiser in hoger beroep tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerder in hoger beroep niet begroot en door de rechtbank vereffend op 0 euro.
De eerste rechter stelde vast dat niet ter discussie stond dat de oppervlakte van het oude gedeelte groter was dan de helft van de totale oppervlakte van het gebouw na de uitvoering van de werken door eiser in hoger beroep en dat het al dan niet onafhankelijke karakter van het nieuwe gedeelte van de woning wel ter discussie stond.
De rechtbank oordeelde dat er sprake was van twee wooneenheden die los van elkaar functioneren. De rechtbank oordeelde dat de administratie terecht stelde dat het nieuwe gedeelte in geen enkel opzicht kon worden gezien ais een loutere aanvulling op het oude gedeelte. De rechtbank oordeelde dat eiser in hoger beroep op basis van het voorgelegde dossier niet aantoonde dat hij kon genieten van het verlaagd tarief.
Tegen dit vonnis heeft eiser in hoger beroep bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 30/05/2023, hoger beroep ingesteld.
1.4. Procedure voor het hof van beroep.
Eiser in hoger beroep vordert:
- het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;
- het bestreden vonnis te niet te doen in de mate het de vordering van eiser in hoger beroep ongegrond heeft verklaard;
- opnieuw rechtdoende;
- de vordering van eiser in hoger beroep gegrond te verklaren;
- te zeggen voor recht dat op de verrichte werken in onroerende staat aan de woning gelegen te … in het algemeen en op de facturen uitgereikt tijdens de periode 19/08/2018 tot en met 20/11/2019 een tarief van 6% BTW van toepassing is;
- dienvolgens de bestreden BTW met aanhorigheden en het innings- en invorderingsregister d.d. 28/12/2021 te vernietigen, dan wel ontheffing te verlenen en terugbetaling te bevelen van alle ten onrechte betaalde of ingehouden bedragen, verhoogd met de moratoriuminteresten zoals voorzien in artikel 91 WBTW evenals de gerechtelijke interesten;
- verweerder in hoger beroep te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding, zo in eerste aanleg als in hoger beroep, en voorlopig en onder voorbehoud van indexatie of aanpassing begroot op 3.000 euro RPV eerste aanleg, 22 euro wettelijk bijdrage eerste aanleg, 3.000 euro RPV hoger beroep en 22 euro wettelijke bijdrage hoger beroep.
Ter zitting van 22/10/2024 preciseert eiser in hoger beroep dat de betaalde bijdrage voor het begrotingsfonds in hoger beroep begroot dient te worden op 24 euro en ten laste van de Belgische Staat dient gelegd te worden.
De Belgische Staat besluit tot de ontvankelijkheid doch ongegrondheid van het hoger beroep en vordert eiser in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding voorlopig begroot op 3.000 euro.
2. Bespreking
2.1 Het belastingtarief
Overeenkomstig § 1, 1° van rubriek XXXI, tabel A van de bijlage bij het KB nr.20 is het verlaagde btw-tarief van 6 % van toepassing op werken in onroerende staat die de omvorming, de renovatie, de rehabilitatie, verbetering, de herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning, tot voorwerp hebben.
De gehanteerde begrippen veronderstellen een ingrijpen dat niet zo ver gaat dat met de werken in wezen tot nieuwbouw wordt overgegaan. De wetgeving geeft echter geen omschrijving van wat onder "omvorming" of "renovatie" moet worden verstaan. Verder wordt ook niet gepreciseerd vanaf wanneer er geen sprake meer is van "omvorming" of "renovatie", maar wel van "nieuwbouw".
De Belgische wetgever heeft niet voorzien dat uitbreidingswerkzaamheden in aanmerking komen voor de toepassing van het verlaagde tarief in de bouwsector. De administratie heeft niettemin uitbreidingswerkzaamheden gelijkgesteld met het begrip "omvormingswerken" en heeft een aantal administratieve regels ingevoerd die de toepassing van het verlaagd tarief bepalen.
In de beslissing nr. E.T.106.933 van 01/09/1994 wordt door de belastingadministratie verduidelijkt in welk geval een vergroting van een gebouw al dan niet kan worden aangemerkt als een omvorming in de zin van rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 inzake BTW-tarieven (vgl. aanschr. 6/1986(1) , nr. 30). "De uitbreiding van een bestaand gebouw kan worden aangemerkt ais een omvorming (of verbouwing) van dat gebouw voor zover de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte. Er kan worden van uitgegaan dat dit het geval is wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning of het woningcomplex na de uitvoering van de werken.
Bovendien is vereist dat het nieuwe gedeelte niet onafhankelijk van het oude gedeelte kan functioneren maar het oude gedeelte aanvult en er dus inzake aanwending van het gebouw een geheel mee vormt.
Daarentegen is niet vereist dat het nieuwe gedeelte zich onder hetzelfde dak bevindt ais het oude gedeelte. Zo kan bijvoorbeeld de uitbreiding van een in de regeling bedoeld woningcomplex (bejaardentehuis, internaat, enz.) met een nieuwe losstaande vleugel, worden aangemerkt ais een omvorming in de zin van voornoemde rubriek XXXI van tabel A (vgl. aanschr. 6/1986° , nr. 51).
Indien, rekening houdend met hetgeen voorafgaat, de vergroting of meer algemeen de verbouwing van een woning of woningcomplex niet kan worden aangemerkt ais een omvorming voor de toepassing van het BTW-tarief van 6 pct. op grond van rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20, kunnen alle daaropvolgende — binnen de 20 jaar(3) — onroerende handelingen met betrekking tot dat gebouw uiteraard evenmin het verlaagd tarief van 6 pct. genieten op grond van deze rubriek."
De uitbreiding wordt door de belastingadministratie dus als een omvorming beschouwd ais de uitbreiding, na de uitvoering van de werken, minder dan de helft van de totale oppervlakte vertegenwoordigt en als de uitbreiding niet op een onafhankelijke wijze kan functioneren.
Deze criteria hebben weliswaar geen kracht van wet, maar kunnen wel als pertinente, redelijke en objectieve criteria beschouwd worden.
De vraag of verbouwingswerken als een omvorming/renovatie of als een nieuwbouw kwalificeren is een feitenkwestie, waarbij de beoordeling dient te gebeuren aan de hand van de werkelijk uitgevoerde werken en het uiteindelijke resultaat. De bewijslast ligt bij de belastingplichtige.
Dat de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van het gebouw na uitvoering van de werken door eiser in hoger beroep staat niet ter discussie. Wel zijn partijen het oneens over het al dan niet onafhankelijke karakter van het nieuwe gedeelte van de woning.
De aard van de gerealiseerde werken moet objectief worden beoordeeld.
Het potentieel van het nieuw gebouwde goed moet beoordeeld worden los van het daadwerkelijke gebruik van de nieuwe en oude gebouwen na de bouw.
Het nieuwe gedeelte van de woning bevat alle noodzakelijke ruimtes om ais zelfstandige woning/wooneenheid te kunnen functioneren namelijk een keuken, badkamer met douchen toilet, twee slaapkamers, woonruimte en eetkamer, toilet, berging en inkomhal. Er is een afzonderlijke toegang van buitenaf, die het mogelijk maakt om het nieuwe gedeelte te bereiken zonder door de gedeelten van het oorspronkelijke gebouw te moeten gaan. Het nieuwe gedeelte vormt een autonome eenheid.
Het nieuwe gedeelte blijft een zelfstandige woongelegenheid, ook al is er een doorgang van het nieuwe gebouw naar het oude gebouw via één enkele gemeenschappelijke deur. Deze doorgang kan gemakkelijk opgeheven worden. Hetzelfde geldt voor het feit dat er maar één elektrische aansluiting en één waterteller is. Er kunnen altijd nog subtellers of individuele tellers geplaatst worden. Ook het gegeven dat er geen apart huisnummer is, verhindert niet dat het nieuwe gedeelte objectief een autonome eenheid is.
Het is dus zowel op technisch ais op organisatorisch gebied mogelijk om het nieuwe gedeelte onafhankelijk van het bestaande te laten functioneren.
Persoonlijke en familiale redenen die aanleiding zouden hebben gegeven tot de uitbreiding van het bestaande gebouw komen niet in aanmerking.
Wat betreft het BTW-tarief is het niet van belang of het bijgebouwde gedeelte al dan niet wordt aangewend in het kader van een zorgrelatie, conform de omgevingsvergunning. De omgevingsvergunning is op zich niet bepalend voor het BTW tarief, maar wel de concrete feitelijke gegevens. Een zorgwoning komt slechts in aanmerking voor het tarief van 6 % wanneer voldaan is aan de voorwaarden van het KB nr. 20 inzake de toepasselijke BTW-tarieven en meer specifiek de bijlage tabel A, rubriek XXXI en XXXVIII (vgl. Parlementaire vraag nr. 27707 van 28 november 2018 van mevrouw Griet Smaers, Fisconetplus).
De omgevingsvergunning doet dan ook geen afbreuk aan voorgaande beoordeling die volledig gebeurt in het kader van de BTW-wetgeving.
De verwijzing naar rechtspraak en voorafgaande beslissingen gewezen in andere zaken, waarvan de feitelijke omstandigheden niet gelijkaardig zijn ais in onderhavige zaak, zijn irrelevant.
Het hof treedt aldus de oordeelkundige bevindingen van de eerste rechter volledig bij.
Het hof is van oordeel dat op basis van het voorgelegde dossier eiser in hoger beroep niet aantoont dat hij kan genieten van het verlaagd tarief.
2.2. De rechtsplegingsvergoedinq
Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S. 31.05.2007).
Eiser in hoger beroep, de in het ongelijk gestelde partij, dient veroordeeld te worden tot de kosten van het hoger beroep.
Partijen zijn het eens dat de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep dient begroot te worden op 3.000 euro.
Het hof laat de bijdrage begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand (Wet 19/03/2017) ten laste van eiser in hoger beroep.
Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..
*
Dispositif
3. Beslissing
Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.
De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.
Het hof verklaart het hoger beroep van eiser in hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Het hof bevestigt het bestreden vonnis.
Het hof veroordeelt eiser in hoger beroep tot de kosten van het hoger beroep.
Het hof vereffent de kosten in hoofde van verweerder in hoger beroep op 3.000 euro rechtsplegingsvergoeding.
Het hof laat de bijdrage begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand (Wet 19/03/2017) ten laste van eiser in hoger beroep.
Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..
Het hof wijst het anders en/of meer gevorderde af.
Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 19 november 2024 door
C. P. Raadsheer dd. voorzitter
E. D. Raadsheer
K. L. Raadsheer
E. C. Griffier
Note du SPF Finances
Référence WF
WF 707-15-22/013129 - Finaliti 54793401
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.