Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du tribunal de première instance de Bruges dd. 13.01.2016 (14/2768/A)
WF: 708-15-14/014155
Tenue des livres comptables – Communication de renseignements – Pouvoirs d’investigation – Etablissement des factures – Taxation d’office – Présomptions de fait
Législation
Articles 66 et 67 du Code de la TVA
Synthèse
Après un contrôle fiscal, l’agent contrôleur a adressé à l’assujetti une notification préalable de taxation d’office conformément à l’article 67, deuxième alinéa, du Code de la TVA ; étaient joints le procès-verbal et les notes de calcul. L’assujetti n’a pas fait valoir de remarques concernant cette notification préalable. Par après, la taxation d’office a été établie.
Le juge a examiné les différents griefs de l’assujetti :
- les droits de la défense et l’obligation de motivation ne sont pas violés ;
- La compétence territoriale des services fiscaux est une affaire purement interne à l’administration et il n’en découle pas de droits ou d’obligations dans le chef des justiciables ;
- en relevant la caisse, un fonctionnaire n’outrepasse pas ses compétences ;
- il ressort du dossier administratif que les livres emportés étaient clôturés.
Le tribunal considère toutefois que la taxation a été établie de manière arbitraire. L’administration a en effet extrapolé à une année comptable complète le coefficient entre les quantités facturées et les quantités non facturées constatées lors d’une période déterminée. En l’espèce, selon le juge, de faits connus sont déduites des conclusions qui ne peuvent pas être considérées comme probantes. L’imposition contestée doit dès lors être annulée.
Remarques
En aucune manière, le juge ne se prononce sur les aspects juridiques particuliers de la taxation d’office. Le ministre des Finances ou son délégué sont également autorisés à taxer d'office la personne précitée qui, pour des opérations passibles de la taxe, n'a pas inscrit l'opération dans le livre ou le document prescrit ou n'a pas émis de facture au cocontractant quand elle y était tenue (article 66, deuxième alinéa, du Code de la TVA). Les conditions de l’article 66 ont été scrupuleusement respectées. Selon l’article 67 du Code de la TVA, lorsque l'assujetti est taxé d'office, il lui incombe, en cas de contestation, de faire la preuve du caractère exagéré de la taxation d'office. Ce qui n’est pas le cas en l’espèce.
Position de l’Etat belge
Un appel a été formé.
Texte intégral
La décision est publiée uniquement dans la langue originale
Corps de la décision
Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge
dd. 13.01.2016
14/2768/A
Voornoemde Rechtbank heeft het hierna volgend vonnis verleend in de zaak:
De EBVBA G S, (Ondernemingsnr. xxx.xxx.xxx)met maatschappelijke zetel te … eiseres voor wie optreedt MeesterM.M., advocaat met kantoor te…,
TEGEN
De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, met kabinet gevestigd te 1000 BRUSSEL,Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de e.a. inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor Brugge, met kantoren gevestigd te 8000 BRUGGE,G. Vincke Dujardinstraat 4, verweerdervoor wie optreedt de heerC.M., adviseur bij een fiscaal bestuur.
I. RECHTSPLEGING
Gelet op het gedinginleidend fiscaal verzoekschrift gedeponeerd ter griffie op 17 september 2014.
De rechtbank nam kennis van het dossier der rechtspleging en van de door partijen neergelegde stukken.
Partijen werden gehoord in hun middelen ter openbare terechtzitting van 16 december 2015.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden in
acht genomen.
II. BIJZONDERSTE GEGEVENS DER ZAAK
2.1. Eiseres is ingeschreven onder het Btw-registratienummer BExxx.xxx.xxx. voor de econo-mische activiteit van handel, productie, schillen en versnijden van aardappelen en is derhalve aan de bepalingen van de Btw-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Op 24 april 2012 werd door E.M. eerstaanwezend inspecteur-diensthoofd verbonden aan het controlecentrum Oostende een controle van de boekhouding van eiseres aangevat voor de periode van 1 juli 2009 tot en met 30 juni 2011.
Op 5 november 2012 werd door voornoemde controleagent een voorafgaande notificatie van ambtshalve aanslag conform artikel 67 tweede lid W. BTW verzonden met toevoeging van het proces-verbaal opgesteld door de controleagent dd. 5 november 2012 alsmede een berekenings-nota.
Eiseres liet gelden geen opmerkingen te kennen betreffende deze voorafgaande notificatie.
Op 13 december 2012 werd door de gewestelijke directeur controlecentrum Oostende een ambtelijke aanslaggevestigd lastens eiseres waarvan per aangetekende brief dd. 13 december 2012 kennisgegeven werd aan eiseres.
De verschuldigde administratieve geldboeten werden ingevorderd ten bedrage van: BTW:28.451,69 euro; boete (niet proportioneel) 2.625,00 euro; intrest: vanaf 21/07/2011: 3.869,20 euro.
Op 19 december 2012 werd door eerstaanwezend inspecteur a.i. van het Btw-ontvangkantoor te Brugge een dwangbevel uitgevaardigd dat op 19 december 2012 geviseerd en uitvoerbaar verklaard werd door P. Lerou, directeur a.i. daartoe gedelegeerd door de gewestelijke directeur van de BTW Brugge en werd op 20 december 2012 per aangetekende brief ter kennis gebracht van eiseres.
Op 6 maart 2013 werd het dwangbevel aan eiseres betekend via een gerechtsdeurwaarderexploot met bevel tot betaling.
Op 13 februari 2014 diende eiseres bij de Minister van Financiën een administratief bezwaarschrift in dat bij beslissing van 12juni 2014 werd afgewezen.
Op 17 december 2014 deponeerde eiseres een fiscaal verzoekschrift ter griffie dezer rechtbank.
2.2. Eiseres vraagt dat: de vordering ontvankelijk en gegrond verklaard wordt, dienvolgens gezegd wordt voor recht dat het bestreden dwangbevel nietig is en geen uitvoering kan vinden in hoofde van eiseres, dienvolgens gezegd wordt voor recht dat alle sommen die ingevolge de bestreden aanslag mochten zijn ingehouden door verweerder, door verweerder dienen betaald te worden, samen met de moratoriumintresten conform de wet, voor zoveel als nodig overgegaan wordt tot het getuigenverhoor van voormalige werkneemster teneinde te horen bevestigen dat de Btw-administratie tijdens de controle van 14 december 2010 eigenhandig laden en kasten heeft opengemaakt, de kosten met inbegrip van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding ad. 3.300,00 euro lastensverweerder worden gelegd.
2.3. Verweerder vraagt dat: het verzoekschrift ontvankelijk doch ongegrond verklaard wordt en eiseres veroordeeld wordt tot de kosten.
III. BEOORDELING
3.1. nopens de ontvankelijkheid
Verweerder werpt geen middelen op die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou dienen op te werpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.
3.2. nopens de grond
3.2.1. nopens de opgeworpen nietigheid van het dwangbevel ingevolge de onrechtmatig-heid van het fiscaal bewijs lastens eiseres
a. nopens de ingeroepen van de rechten van verdediging
Eiseres werpt op dat er van de op 7 december 2010, 26 januari 2011 en 14 juli 2011 door de administratie verrichte plaatsbezoeken geen controleverslag werd bijgehouden wat de nietigheid van de taxatie wegens schending van de rechten van verdediging tot gevolg heeft.
De rechtbank stelt vast dat de op 7 december 2010, 26 januari 2011 en 14 juli 2011 verrichte plaatsbezoeken de verderzetting vormen van het door de opsporingsdiensten op 28 september 2010 aangevatte onderzoek bij eiseres.
In het proces-verbaal van 29 november 2011 wordt verwezen naar de verschillende gehouden plaatsbezoeken, de desaangaande verrichte handelingen en vastgestelde onregelmatigheden en bij de voorafgaandelijke kennisgeving van de ambtelijke aanslag dd. 5 november 2012 werd kopie bijgevoegd van het proces-verbaal van 29 november 2011.
Op basis van de voorgelegde stavingsstukken kan de rechtbank vaststellen dat eiseres kennis heeft gekregen van alle gegevens waarop de fiscale administratie haar vordering heeft gesteund.
In dit geval zijn de rechten van verdediging van eiseres dan ook niet geschonden.
b. nopens de ingeroepen schending van het motiveringsbeginsel
Eiseres werpt op dat in het proces-verbaal van 29 november 2011, dat deel uitmaakt van het proces-verbaal van 5 november 2012 en dus ook van het betwiste dwangbevel van 20 december 2012, alleen melding wordt gemaakt van artikel 61, § 1 W. BTW met betrekking tot het onderzoek van 28 september 2010.
Voor de volgende onderzoeken wordt niet vermeld op welke wettelijke basis de administratie zich
beroept.
Ook voert eiseres aan dat het proces-verbaal van 29 november 2011 onvoldoende gemotiveerd is daar er niet in vermeld is geworden op welke juridische basis de administratie zich beroept om op 28 september 2010 en op 14 december 2010 de boeken en stukken mee te nemen teneinde en een kopie van te nemen.
Een dwangbevel is onderworpen aan de voorschriften van de wet van 29 juli 1991 betreffende de motivering van bestuurshandelingen en dient dienovereenkomstig de juridische en feitelijke overwegingen te vermelden die ten grondslag liggen aan de belastingschuld (Cass. 1 december 2005,C.03.0354.N).
Het moet voor de belastingplichtige mogelijk zijn om, op basis van de hem meegedeelde stukken, te onderzoeken waarop het dwangbevel precies gebaseerd is en op welke wijze de gevorderde BTW werd berekend.
De aanduiding van de juridische overwegingen houdt o.m. in dat in de akte moet worden verwezen naar alle toepasselijke wetsbepalingen.
De motivering in feite houdt in dat de precieze, concrete feitelijke gegevens aangeduid worden waarom, in het licht van de aangehaalde bepalingen, een bepaalde beslissing genomen werd (Henri Vandebergh, BTW handboek, editie 2014, Va/II n: 3020 p. 1686 e.v.).
In het proces-verbaal van 29 november 2011 wordt betreffende het onderzoek dat plaatsvond op 28 september 2010 melding gemaakt van artikel 61 § 1 W. BTW.
Uit lezing van voormeld proces-verbaal blijkt duidelijk dat de door de fiscale administratie uitgevoerde controles van 7 december 2010, 14 december 2010, 26 januari 2011 en 14 juli 2011 een verderzetting zijn van de op 28 september 2010 aangevatte controle en dat deze controles aldus dezelfde wettelijke basis tot grondslag hebben.
Het niet herhaald vermelden van de toepassing van artikel 61 § 1 W. BTW door de administratie schendt de motiveringsplicht niet.
De fiscale administratie betwist in conclusie niet dat de juridische grondslag waarop zij overgegaan is tot meename van de boeken en stukken teneinde een kopie van de te nemen, (artikel 61, § 2 W. BTW) niet in het proces-verbaal van 29 november 2011 vermeld is geworden.
Hierdoor is de motiveringsvereiste geschonden.
Eiseres toont echter niet aan dat door de miskenning van voormelde vormvereiste, haar belangen geschaad zijn.
Zij heeft zich op het dwangbevel kunnen verdedigen.
Aldus leidt in casu het niet naleven van de formele motiveringsvereiste niet tot het buiten toepassing laten van de betrokken bestuurshandeling.
Eiseres kan niet bijgetreden worden waar zij laat gelden dat de vaststellingen in het proces-verbaal van 3 juli 2012 niet zouden gedaan zijn op grond van artikel 62 § 1 W. BTW.
Uit het voormeld proces-verbaal blijkt dat de door de controleagenten gevraagde inlichtingen in toepassing van artikel 62 § 1 W. BTW betrekking hadden op de manier waarop de bestellingen en de leveringen gebeurden en geregistreerd werden, in welke omstandigheden zij haar verkoop in het klein uitbaatte en op de toelichting van de op 24 april 2012 gedane vaststellingen.
c. nopens de territoriale bevoegdheid in hoofde van Philippe Remmerie
De territoriale bevoegdheid van de fiscale diensten betreft een zuivere interne aangelegenheid en doet geen rechten of verplichtingen ontstaan in hoofde van de rechtsonderhorigen (vergelijk Cass. 10 juni 2010 inzake F.09.0014, F.J.F. 2011/2 en Antwerpen 14 juni 2011, Inzake 2007/AR/1271).
d. nopens de ingeroepen schending van de onderzoeksbevoegdheden zoals bepaald in de artikelen 61, 62 en 63 WIB 1992
a. Eiseres laat gelden dat de fiscale administratie in strijd met de artikelen 61, 62 en 63 W. BTW, met het verbod op actief zoekrecht, eigenhandig kasten en laden geopend heeft zonder dit uitdrukkelijk aan eiseres te vragen.
Eiseres bewijst haar bewering niet.
Zij verwijst desaangaande naar een voormalige werkneemster van eiseres die toen tijdens de onaangekondigde controle op de maatschappelijke zetel van eiseres zou aanwezig geweest zijn, doch waarvan de kwestieuze aanwezigheid door de opsporingsagenten betwist wordt in het aanvullend proces-verbaal van 27 januari 2015 (stuk 17 verweerder).
De rechtbank acht het aangeboden getuigenverhoor van deze niet nader gespecifieerde ex-werkneemster niet dienstig.
Bevoegde ambtenaren van de BTW hebben het recht, krachtens artikel 63, eerste lid, 1° W.BTW, na te gaan welke boeken en stukken zich bevinden in de ruimte waar de activiteit wordt uitgeoefend alsook de boeken en stukken die zal aldaar aantreffen, zonder voorafgaand om de voorlegging dezer boeken en stukken te moeten verzoeken (Cass. 16 december 2003 nr. P.03.10B7.N-stuk 18 verweerder en Casso12 november 2009).
Dit artikel houdt het recht in om in de ruimte waar de activiteit wordt uitgeoefend alle boeken die daar aangetroffen worden te onderzoeken, zonder voorafgaand om de voorlegging te moeten verzoeken.
b. Eiseres kan niet bijgetreden worden waar zij aanvoert dat het verrichten van kastellingen door de ambtenaren een overschrijding van hun bevoegdheid met zich meebrengt.
Eenieder is gehouden de boeken, facturen en andere stukken, die hij overeenkomstig artikel 60 W.BTW moet bewaren, op ieder verzoek van de ambtenaren van de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder hun bevoegdheid hebben zonder verplaatsing ter inzage voor te leggen teneinde de juiste heffing van de belasting in zijnen hoofde of in hoofde van derden te kunnen nagaan, conform artikel 61 §1 W.BTW.
Het kasboek ressorteert onder de term "boeken" gebezigd in voormeld 60 W.BTW.
Artikel 63 W.BTW bepaalt dat aan de controleagenten vrije toegang moet verleend worden tot de ruimten waar de activiteit wordt uitgeoefend om hen in staat te stellen: 1°de boeken en stukken te onderzoeken die zich aldaar bevinden; (...) 3° de aard en de belangrijkheid vast te stellen van de aldaar uitgeoefende werkzaamheid en van het aangestelde personeel, alsook van de aldaar aanwezige koopwaren en goederen, met inbegrip van de productie- en vervoer-middelen.
Het verrichten van een kastelling behoort onmiskenbaar tot de ruim omschreven bepaling van onderzoek van boeken en stukken teneinde de aard en de belangrijkheid van de aldaar uitgeoefende werkzaamheid vast te stellen, gebezigd in artikel 63 W.BTW.
c. Eiseres stelt dat verweerder zijn onderzoeksbevoegdheden geschonden heeft door boeken mee te nemen van het lopende boekjaar, wat een schending van artikel 61 § 2 W.BTW inhoudt.
Luidens artikel 61 § 2 W.BTW bestaat het recht van de ambtenaren van de administratie van de BTW om boeken, facturen en andere stukken mee te nemen niet ten aanzien van boeken die nog niet afgesloten zijn.
Het boekjaar van eiseres loopt van 1juli tot en met 30juni.
Uit het administratief dossier blijkt dat:
- de opsporingsdiensten op 28 september 2010 het dagontvangstenboek van de periode 02/01/2009 - 30/01/2010 meegenomen hebben. Het boekjaar 2009 – 2010 was alsdan afgesloten.
- Op 14 december 2010 het dagontvangstenboek geldig kon meegenomen worden voor de voormelde periode evenals het volgeschreven dagontvangstenboek voor de periode 01/02/2010 - 06/11/2010.
- Op 14 juli 2011 konden de ambtenaren geldig het dagontvangstenboek voor de periode 08/11/2010 - 13/06/2011 meenemen evenals de vorige dagontvangsten nu het boekjaar 2010 - 2011 alsdan was afgesloten.
d. De geldigheid van het door de administratie uitgevaardigde dwangbevel komt niet in het gedrang door het enkele feit dat het uitgevaardigde en geviseerde dwangbevel voor eensluidend verklaard werd door N.C., e.a. inspecteur nu desaangaande geen wettige bepaling in de nietigheid ervan voorziet.
Het eerste middel mist grondslag in al zijn onderdelen.
e. Nopens de rechten van verdediging
Eiseres laat gelden dat tussen de vaststellingen en de kennisgevingen van bepaalde van deze vaststellingen een onredelijk lange termijn is verstreken, wat een schending inhoudt van de rechten van verdediging.
De processen-verbaal van 28 september 2010, 14 december 2010, 29 november 2011 en 3 juli 2012 werden gevoegd bij de voorafgaandelijke kennisgeving van 5 november 2012.
Uit het proces-verbaal van 3 juli 2012 blijkt dat eiseres op dezelfde datum een exemplaar van het proces-verbaal ontvangen heeft.
Eiseres toont niet aan op welke wijze het kwestieuze tijdsverloop haar rechten van verdediging zou geschonden hebben.
Uit niets blijkt dat zij ten gevolge van het tijdsverloop haar verdediging moeilijker heeft kunnen organiseren.
De rechten van verdediging werden dan ook niet geschonden.
3.2.2. nopens het redeliikheidsbeginsel en de willekeur
Eiseres laat gelden dat de bestreden aanslag willekeurig werd gevestigd daar de fiscale administratie de verhouding gefactureerde leveringen op niet-gefactureerde leveringen van de maand november, zonder meer heeft toegepast op het volledige boekjaar 01/07/2009 - 30/06/2010.
In casu stelt de rechtbank vast dat de administratie haar bewijsvoering heeft gebaseerd op de vaststellingen die de opsporingsdiensten in de maand november 2010 bij eiseres hebben gedaan.
Alsdan bleek dat voor klanten vermeld in de weergegeven tabellen een gedeelte van de leveringen niet gefactureerd en (aanvankelijk) niet aangegeven was.
Op basis van deze stukken heeft de administratie de verhouding tussen de gefactureerde en de niet gefactureerde hoeveelheden berekend en uit deze vastgestelde verhouding werd het geleverde maar niet gefactureerde gedeelte van de omzet voor de kwestieuze periode bepaald door vermenigvuldiging van de in de boekhouding opgenomen verkoopfacturen met de verhouding leveringen zonder factuur / leveringen met factuur en is het bekomen resultaat volgens de administratie de bijkomende aan te geven omzet.
De administratie gaat er aldus van uit dat de verhouding leveringen zonder factuur en leveringen met factuur die van toepassing was in de maand november 2010 - zonder op enige manier onder-zocht te hebben hoe de belastingplichtige in de andere maanden van het boekjaar werkte – kan geëxtrapoleerd worden naar het ganse boekjaar.
Volgens de rechtbank heeft de administratie uit de bekende feiten d.w.z. de vaststellingen van de maand november 2010, gevolgtrekkingen afgeleid die niet kunnen worden veerantwoord (zie ook rb. Leuven, 14 september 2012, Fisc. Koerier. 2012.15, 541-544; Luik 13 maart 1985, FJF nr. 85/161; Gent 21 september 1995, Fisc. Koerier 95/596; Antwerpen, 8 september 1983, FJF nr. 84/68; Gent 21 februari 1989, FJF nr. 89/225).
Deze gegevens kunnen dan ook niet aan de basis liggen van de betwiste taxatie.
De bestreden aanslag werd dienvolgens willekeurig gevestigd en dient aldus ontheven te worden.
De fiscale vordering is ongegrond.
Gelet op het voorgaande dienen de overige middelen van eiseres niet verder onderzocht te worden daar ze niet kunnen leiden tot een groter voordeel in hoofde van eiseres.
3.3. nopens de kosten
Verweerder wordt in het ongelijk gesteld en dient overeenkomstig artikel 1017, 10 lid Ger. W. de gerechtskosten te dragen.
De gerechtskosten belopen in hoofde van eiseres het bedrag der geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding ad. 3.300,00 euro, zoals gevorderd.
OM DEZEREDENEN,
Dispositif
De Rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet terzake dienend.
Verklaart de fiscale vordering ontvankelijk en gegrond in volgende mate.
Vernietigt het bestreden dwangbevel RCIV …/…./….. uitgevaardigd op 19 december 2012 door wnd. ea. inspecteur van het Btw-ontvangkantoor Brugge en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 19 december 2012 door P.L. wnd. gewestelijk directeur van de BTW Brugge.
Zegt voor recht dat alle sommen die ingevolge het bestreden dwangbevel mochten zijn ingehouden door verweerder, door verweerder dienen betaald te worden, samen met de moratoriumintresten verschuldigd overeenkomstig de wet.
Veroordeelt verweerder tot de gedingkosten in zijn hoofde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven en in hoofde van eiseres begroot op de geïndexeerde basisrechtsplegingsvergoeding ad. 3.300,00 euro.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op woensdag dertien januari tweeduizend en zestien.
Aanwezig zijn:
H.A., alleenrechtsprekend rechter;
L.L., griffier-hoofd van dienst.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.