Taxe sur la aleur ajoutée, preuve, mesure de contrôle · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance 17 février 2003

Rechercher
Texte en néerlandais

Taxe sur la aleur ajoutée, preuve, mesure de contrôleTaxe sur la aleur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/taxe-aleur-ajoutee-preuve-mesure-tribunal-oudenaarde-2003-02-17-0eea

Juridiction
Tribunal de première instance
Date
17 février 2003

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

79 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Oudenaerde du 17.02.2003

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

De Rechtbank van Eerste Aanleg te Oudenaarde, eerste kamer, zetelend in burgerlijke zaken, heeft volgend vonnis verleend :

17 februari 2003

Algemene rol nr. 093/23578/A

Inzake :

O. P., voorheen zelfstandig brood- en banketbakker onder H.R. Oudenaarde … en sedert 01.07.1987 werkend vennoot, wonende te …, …,

eiser,

op verzet bij exploot van Gerechtsdeurwaarder I. R. te … d.d. 13.04.1993, hebbende als raadsman Mr. D. S., advocaat te …,

tegen :

de BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Minister van Financiën, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de heer Ontvanger van het BTW­Ontvangkantoor te Zottegem, m.n. W. H., wiens kantoor gevestigd is te … aan de …,

verweerder op verzet,

hebbende als raadsman Mr. D. L., advocaat te …,

Gezien het vonnis terzake dezer rechtbank d.d. 22.02.1999.

Gezien art. 755 G.W.

Er werd kennis genoten van het procedurebundel en van de namens beide partijen overgelegde stukken.

De wet van 15.06.1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werd nageleefd.

Het staat vast dat de NV “N. M. van Gent en Brugge” niet alleen op officiële wijze meel leverde bakkers. Eiser op verzet was klant van de NV.

Verweerder op verzet zelf stelde bij eiser vast dat :

- 22.000 broodzakken niet werden geboekt en niet werden opgenomen in de BTW-aangifte en dat er 2.000 wel werden geboekt doch niet opgenomen in de BTW-aangifte,

- er een wanverhouding bestond tussen de officieel aangekochte hoeveelheid bloem, gist en zout, in die zin dat deze van gist was gedaald en deze van zout gestegen met 443 kg. ten opzichte van slechts 2.890 kg. meer officieel aangekochte bloem, en

- het voor eiser materieel mogelijk is méér bloem te verwerken dan officieel aangekocht.

Al wat voorafgaat samen in acht genomen stelt dermate ernstige en met elkaar overeenstemmende vermoedens daar dat ook eiser niet-officiële leveringen van meel vanwege de betrokken NV heeft ontvangen en wel in de mate waarin door verweerder gesteld, dat al het overige door eiser aangevoerde daartegen niet opweegt en het verzet dient afgewezen als ongegrond; kosten ervan lastens eiser.

Waarop DE RECHTBANK,

het verzet ongegrond verklaart en als zodanig afwijst, en

eiser op verzet veroordeelt tot de kosten ervan.

Aldus uitgesproken in openbare terechtzitting, gehouden in het gerechtsgebouw te Oudenaarde op zeventien februari tweeduizend en drie, door P. L., alleenrechtsprekend rechter, voorzitter der kamer, bijgestaan door D. V. O., e.a. adjunct-griffier.

D. V. O. P. L.

De Rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, eerste kamer, zetelend in burgerlijke zaken, heeft volgend vonnis geveld :

Vonnis d.d. 22 februari 1999

Algemene rol nr. : 93/23578/A

Ten verzoeke van :

O. P., voorheen zelfstandig brood- en banketbakker onder H.R. Oudenaarde … en sedert 01.07.1987 werkend vennoot, wonende te …, …,

eiser,

bij exploot van gerechtsdeurwaarder I. R. te … d.d. 13 april 1993, hebbende als raadsman Mtr. M. D. S., advocaat te …;

tegen :

De BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Minister van Financiën, Administratie van de Belasting over de toegevoegde waarde, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de heer Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Zottegem, m.n. W. H., wiens kantoor gevestigd is te … aan de …;

verweerder,

hebbende als raadsman Mtr. G. D. L., advocaat te …;

De wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werd nageleefd.

De rechtbank hoorde partijen bij monde van hun raadsman in hun middelen en conclusies en de overgelegde stukken werden ingezien.

Het inleidend exploot strekt tot verzet tegen een dwangbevel van 8 december 1992, betekend op 15 februari 1993 en tot ontlasting van vervolgingen voor BTW, geldboetes, interesten en kosten.

Eiser stelt reeds uitvoerig en gemotiveerd zijn niet-akkoord met de ambtshalve aanslag betuigd te hebben bij schrijven van 6 oktober 1992 en beschouwt deze argumentatie als hier herhaald.

Hij verwijst verder naar zijn bezwaarschrift van 26 november 1992, bezwaarschrift dat blijkbaar nog steeds hangende is.

Daar waar de vordering zou gevestigd zijn op basis van een gerechtsdossier - strafdossier lastens de NV De N M. van Gent en Brugge, waaruit zou blijken dat hij niet officiële leveringen van bloem zou ontvangen hebben, vraagt hij vooreerst dat de Administratie alle stukken uit dit strafbundel en waarop ze zich steunt zou overleggen.

Hij wijst er verder op dat de bijzondere bewijskracht van een P.V. van ambtenaren slechts geldt voor de door deze ambtenaren zelf gedane vaststellingen en zich niet uitstrekt tot de gevolgtrekkingen hieruit.

Verweerder zou eenvoudig en alleen uitgegaan zijn van een klantenlisting dewelke eind 1987 gevonden werd bij zijn leverancier.

Deze listing zou codes bevat hebben terzake leveringen in het zwart, doch er zou nooit dergelijke levering bij hem vastgesteld zijn.

Verweerder zou zich dan bij gebreke aan werkelijk bewijs beroepen hebben op vermoedens om uiteindelijk zeer zware extra-aanslagen te vestigen voor de aanslagjaren 1983 tot en met 1986, welke eveneens betwist werden.

In eerste conclusies stelt verweerder dat de ingeroepen bezwaarschriften enkel tijdwinst op het oog hadden en in elk geval niet schorsend werken in tegenstelling tot tijdige bezwaren tegen taxaties van de directe belastingen.

Hij verwijst verder naar de mogelijkheden van de fiscale ambtenaren om inzage te krijgen in strafbundels en er gebruik van te maken, ongeacht de personen dewelke de belasting verschuldigd zijn en beroept zich daarbij op artikel 1, § 2 van de wet van 28 juli 1938, gewijzigd bij artikel 34 van de wet van 20 augustus 1947.

Hij wijst verder op de overeenstemmende vermoedens met volledige bekentenissen van de zaakvoerder van de leverancier en de werknemers aldaar.

Wanneer enkel zou kunnen opgetreden worden bij vaststelling de visu van leveringen in het zwart of sporen van betalingen, zou dit elk bewijs in feite onmogelijk maken en het bewijs door vermoedens volledig ontkrachten.

Hij verwijst voor dit alles naar uitgebreide rechtspraak.

In antwoordconclusies stelt eiser dat er, gelet op de door hem getekende afstand van de verlopen verjaringstijd, geen enkele noodzaak was om dringend in te vorderen en er kon gewacht worden tot na een ernstig onderzoek en beslissing omtrent zijn bezwaar.

Hij gedraagt zich naar de wijsheid terzake de mogelijkheden om gegevens van een dossier aan te wenden tegen derden en vraagt nogmaals inzage van het strafbundel met verwijzing naar de rechten van de verdediging.

Ten gronde blijft hij erbij dat de administratie niets bewijst en hij ontkent de verschillende overeenstemmende vermoedens.

In laatste conclusies stelt verweerder dat de onwillige houding van eiser haar in elk geval het recht verschafte de invordering te benaarstigen en ze verwijst naar het P.V. lastens eiser zelf, aangehecht aan het dwangbevel waar uitvoerig verwezen werd naar de verschillende bekentenissen en verklaringen van de leverancier en zijn werknemers.

Hij volhardt verder in de diverse vermoedens, dewelke afdoend zouden zijn en eiser zou het tegendeel niet bewijzen, nu de bewijslast zou omgekeerd zijn bij toepassing van artikel 66 en 67 van het BTW-Wetboek.

Bespreking

Eiser sommeerde verweerder reeds in zijn inleidend exploot om het strafbundel lastens de leverancier voor te leggen.

Deze sommatie werd in conclusies herhaald.

Het is zo dat het P. V lastens eiser vrij uitgebreid citeert uit dit strafbundel en de diverse verklaringen, doch met eiser moet aangenomen worden dat hij zelf de mogelijkheid moet hebben om de verklaringen te bekijken en dit in hun integraliteit, gezien de misschien eerder theoretische mogelijkheid van selectieve lezing door verweerder.

Dit lijkt deze rechtbank inderdaad een fundamenteel recht van eiser in het kader van zijn verdediging tegen een niet onbelangrijke vordering van de administratie, waarvan huidig geschil in feite maar een beperkt deel uitmaakt.

Het past dan ook dat verweerder deze stukken zou overleggen.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

rechtdoende op tegenspraak

Verklaart de vordering ontvankelijk en alvorens recht te doen, beveelt dat verweerder het door hem aangewende strafbundel terzake de NV De N. M. van Gent en Brugge zou overleggen aan eiser.

Verwijst de zaak in afwachting terug naar de rol, teneinde partijen desgevallend nog de gelegenheid te geven omtrent deze bijkomende stukken te concluderen.

Reserveert de kosten.

Verklaart huidig vonnis voor zoveel als nodig uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal.

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtsgebouw te Oudenaarde op tweeëntwintig februari 1900negenennegentig.

Aanwezig :

De heer A. S., Ondervoorzitter, voorzitter der kamer;

Mevrouw M. M. T., griffier;

M. M. T. A. S.

Textes cités

2
CTVA art. 661 occurrence
CTVA art. 671 occurrence

Décisions similaires

8