Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Gand du 05.03.2010
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT, TWAALFDE FISCALE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 5 MAART 2010
Rolnummer AR 05/1255/A
In de zaak van :
De NV V., met zetel te …, …, ingeschreven in de Kruispuntbank voor ondernemingen onder nummer …;
eiseres,
hebbende als raadslieden mter. J. S. en mter S. V., advocaten te …, …, die optreden voor en namens de advocatenvennootschap D. B. – V. L. – V. C. – C. – S.;
tegen :
1. De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Invordering - sector BTW, vertegenwoordigd door de Heer Eerst Aanwezend Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Zottegem, wiens kantoor gevestigd is te 9620 Zottegem, G. Schokaertstraat nr. 4.
2. De BELGISCHE STAAT, administratie van de bijzondere belastingsinspectie, 3° inspectie van Brugge, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 8000 Brugge, Hoefijzerlaan 17 E;
verweerders,
voor wie als raadsman optreedt mter. C. D., advocaat te …, er kantoorhoudend in de … te ….
Vonnist de rechtbank als volgt :
1. DE RECHTSPLEGING
De partijen werden gehoord in hun middelen op de openbare terechtzitting van 5 februari 2010 waarna het debat gesloten werd en de zaak in beraad genomen. Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien in het bijzonder de geding inleidende dagvaarding d.d. 25 maart 2005 ten aanzien van de eerste verweerder, en de geding inleidende dagvaarding d.d. 29 maart 2005 ten aanzien van de tweede verweerder, alsmede de conclusies en de (niet geweerde) stukken van de partijen.
2. DE VORDERING
De eiseres verhaalt zich tegen het dwangbevel uitgevaardigd op 17 oktober 2003, op 21 oktober 2003 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door dhr. R. ’t K., e.a. Inspecteur, en ter kennis gebracht van de eiseres op 22 oktober 2003.
De eiseres formuleert haar vordering als volgt :
"Het verzet tegen het dwangbevel ontvankelijk en gegrond te verklaren, en dienvolgens :
- te zeggen voor recht dat de onderzoeksdaden gesteld in 2007 en 2008 buiten de onderzoekstermijn zijn gesteld en derhalve nietig zijn;
- te zeggen voor recht dat door de rechten van verdediging van concluante zijn geschonden doordat het fiscale dossier niet in zijn geheel wordt overlegd, minstens op grond van artikel 877 Gerechtelijk Wetboek de administratie te bevelen het administratief dossier te vervolledigen en concluante toe te laten dienaangaande nader te besluiten;
- het dwangbevel uitgevaardigd door de e.a. Inspecteur van het BTW Ontvangkantoor te Zottegem op 17 oktober 2003 en uitvoerbaar verklaard op 21 oktober 2003 door de heer Gewestelijk Directeur van de Administratie van de belasting op de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Gent, dat samen met het proces verbaal van 7 augustus 2000 ter kennis werd gebracht aan verzoeker bij aangetekend schrijven van 22 oktober 2003, nietig of minstens ongegrond te verklaren; te zeggen voor recht dat de erin opgenomen bedragen aan BTW, boetes en intrest niet verschuldigd zijn;
- ondergeschikt de administratieve boete kwijt te schelden of minstens substantieel te verminderen;
- de terugbetaling te bevelen van alle sommen die op grond van de aldus ontheven of vernietigde aanslag werden geïnd, verhoogd met de moratoire rente zoals voorzien in artikel 91, § 3 BTW-Wetboek;
- verweerders te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, in hoofde van concluante begroot op de verhoogde rechtsplegingsvergoeding ad. … €;
“
3. DE RELEVANTE FEITEN EN HET GESCHIL
3.1.
De NV V. is wegens haar geregelde activiteit van metaalverwerkingsbedrijf als BTW-belastingplichtige geregistreerd onder het BTW-nummer BE …. De vennootschap is onderworpen aan de BTW-wetgeving en reglementering.
Op 29 november 1996 heeft de heer F. V., aandeelhouder en bestuurder van de NV V., de aandelen gekocht van de NV I.-S.. De overnameprijs voor de aandelen bedroeg … EUR (… BEF). De NV I.-S. beschikte op datum van de overdracht in eigendom van de aandelen over compenseerbare verliezen en overdraagbare investeringsaftrek ten bedrage van minimaal … BEF (… EUR).
De eiseres licht toe dat de NV I.-S. afkomstig was van de groep S.. Door de opname van deze vennootschap in de groep V., werd een permanente toegang verschaft tot de markt van de overwalste staalproducten. Volgens de eiseres heeft zij haar aankoopbeleid toevertrouwd aan de NV I.-S..
De administratie betwist deze voorstelling van de feiten en stelt dat de NV I.-S. werd aangekocht met de bedoeling om de fiscaal compenseerbase verliezen en overdraagbare investeringsaftrek van deze vennootschap te verwerven.
Op het einde van het boekjaar 1996 werd door de NV V. een kost ten bedrage van … BEF (… EUR) geboekt op basis van een nog te ontvangen factuur van de NV I.-S.. Deze factuur had betrekking op commissies op aankopen van overwalste staalproducten die de NV V. met de tussenkomst van de NV I.-S. zou hebben aangekocht in 1996 van de E. L. T. I. SA. Deze goederen werden aan de eiseres geleverd op 16 december 1996. De factuur met betrekking tot de commissies werd op 16 oktober 1997 opgemaakt door de NV I.-S..
De betwisting heeft betrekking op de aftrekbaarheid van de voorbelasting met betrekking tot de door de eiseres in 1996 (balans per 31 december 1996) geboekte en nog te ontvangen factuur. Volgens de administratie wordt niet aangetoond dat de NV I.-S. daadwerkelijk is tussengekomen bij de aankoop van de staalproducten.
Op 8 mei 2000 heeft de administratie een controle aangevangen voor de periode van 1 januari 1996 tot 31 december 1997. Dat nazicht werd uitgevoerd door de heer J. V., e.a. Inspecteur - diensthoofd bij de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen en in die hoedanigheid ter beschikking gesteld van de Administratie van de BBl, derde inspectie te Brugge. De bij dat nazicht vastgestelde overtredingen van de BTW-wetgeving werden vastgelegd in een proces-verbaal van 7 augustus 2000.
3.2. Argumenten van de eiseres (samengevat).
3.2.1. Nietigheid van de belastingschuld - artikel 85 W.BTW.
De eiseres argumenteert dat het proces-verbaal geen bijzondere bewijskracht heeft omdat het een letterlijke overname betreft van een bericht van wijziging inzake de directe belastingen en de inhoud ervan geen materiële en persoonlijke vaststellingen betreffen van de BTW-ambtenaar. Aangezien het bericht van wijziging inzake directe belastingen gesteund is op vermoedens, is het dwangbevel inzake de BTW volgens de eiseres gesteund op een opeenstapeling van vermoedens. Aangezien de administratie voorhoudt dat de betrokken factuur, met betrekking tot de commissies van de NV I. S.. fictief is, rust de bewijslast op de schouders van de administratie.
De eiseres laat gelden dat artikel 59, § 1 W.BTW is geschonden omdat door de administratie er geen deugdelijk bewijs wordt geleverd op basis van vermoedens. Volgens de eiseres zijn de geciteerde vaststellingen geen vaststaande feiten, worden relevante feiten genegeerd en kunnen de beweerde feiten niet leiden tot de aangenomen vermoedens. Er is volgens de eiseres sprake van een cascade van vermoedens die de nietigheid van het dwangbevel met zich meebrengt.
3.2.2. Schending van de onderzoeksperiode : de bijkomende onderzoeksdaden zijn nietig.
De eiseres poneert dat de door de administratie in de loop van de huidige procedure verrichte bijkomende onderzoeksdaden nietig zijn omdat zij niet zijn uitgevoerd teneinde de juiste heffing van de belasting na te gaan. zoals bedoeld in artikel 62, § 1 W.BTW.
3.2.3. Schending van de rechten van verdediging: niet voorlegging van alle stukken.
Volgens de eiseres worden door de administratie niet alle stukken voorgelegd, meer in het bijzonder de volgende stukken :
- de stukken met betrekking tot de controlewerkzaamheden van de heer V., die het proces-verbaal van 7 augustus 2000 heeft opgesteld;
- de "voorgaande briefwisseling" waarvan sprake in een brief van de bijzondere belastinginspectie d.d. 7 februari 2008 aan de NV S..
3.2.4. Ten gronde argumenteert de eiseres dat wel voldaan is aan alle voorwaarden, gesteld in artikel 45, § 1 W.BTW, tengevolge waarvan de eiseres het recht op aftrek van de voorbelasting op de litigieuze commissies vordert.
3.2.5. Subsidiair steunt de eiseres haar vordering tot de aftrek op het beginsel van de neutraliteit van de BTW.
3.2.6. Uiterst subsidiair stelt de eiseres dat de opgelegde administratieve geldboete niet afdoende gemotiveerd is en derhalve artikel 109 van de Wet van 4 augustus 1986 schendt. Ook de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen is volgens de eiseres geschonden door het ontbreken van enige motivering betreffende de administratieve boete. De eiseres meent dat deze boete een repressief karakter heeft en derhalve door de rechter kan worden kwijtgescholden of verminderd.
De eiseres vraagt de toepassing van het maximumbedrag van de rechtsplegingsvergoeding, in het bijzonder wegens de complexiteit van het geschil.
3.3. Standpunt van de Belgische Staat (de beide verweerders) (samengevat).
3.3.1. Omtrent de bewijslast van de aftrekbaarheid van de BTW.
De administratie benadrukt dat de eiseres in eerste instantie de bewijslast draagt, namelijk bewijst dat aan de voorwaarden van de aftrekbaarheid van de BTW is voldaan. Daartoe volstaat, volgens de administratie, de loutere voorlegging van de factuur niet. De eiseres bewijst volgens de administratie niet dat de hier betwiste factuur overeenstemt met werkelijke prestaties.
3.3.2. Vormfouten op de betrokken factuur.
De administratie wijst erop dat de vermeldingen op de factuur niet voldoende duidelijk zijn wat betreft de gefactureerde diensten.
3.3.3. Met betrekking tot de bewijskracht van het proces-verbaal.
Volgens de administratie bevat het proces-verbaal wel voldoende vaststaande feitelijke elementen. Het eigen onderzoek van de BTW-administratie wordt volgens de administratie aangetoond door de bijlage van de betrokken factuur bij het proces-verbaal, alsmede door de correctieopgave d.d. 21 augustus 2000, die betrekking heeft op het op 14 juni 2000 uitgevoerde onderzoek.
3.3.4. Met betrekking tot de bijkomende onderzoeksdaden.
De administratie houdt voor dat zij op grond van artikel 62 W.BTW niet beperkt is in de tijd om onderzoeksdaden te stellen. Volgens de administratie hebben alle bijkomende onderzoeksdaden betrekking op de door de eiseres zelf in de loop van de procedure voorgelegde nieuwe argumenten. Door haar desgevallend de mogelijkheid te ontzeggen haar vordering te ondersteunen met bijkomende argumenten, meent de administratie dat zij in haar rechten van verdediging zou worden geschonden.
3.3.5. Met betrekking tot de voorlegging van het volledige administratieve dossier.
De administratie is van oordeel dat zij voldaan heeft aan deze vraag van de eiseres en alle stukken in haar bezit heeft voorgelegd. De administratie stelt een tegeneis op grond van artikel 877 Ger.W. De administratie vraagt aan de eiseres op grond van artikel 877 Ger. W. de voorlegging door de eiseres van de correspondentie met de NV E. L. T., voorafgaand aan de levering, waarvan het bestaan blijkt uit het antwoord van deze laatst genoemde vennootschap d.d. 26 september 2007.
3.3.6. Met betrekking tot de neutraliteit van de BTW.
De betaling van de BTW, doet volgens de administratie niet automatisch het recht op aftrek van die BTW ontstaan. Het komt de eiseres toe het bewijs te leveren dat aan alle voorwaarden van de aftrekbaarheid is voldaan, overeenkomstig artikel 45, § 1 W.BTW. De administratie meent dat uit het proces-verbaal en de door haar ontwikkelde argumentatie blijkt dat de eiseres de juistheid, noch de werkelijkheid van de betwiste ingaande factuur bewijst zodat zij zich ook niet kan beroepen de neutraliteit van de BTW.
3.3.7. Met betrekking tot de opgelegde boete
De administratie meent dat de boete wel voldoende gemotiveerd is en dat het EVRM niet van toepassing is inzake het fiscaal recht.
De administratie is tenslotte van oordeel dat de vordering niet in geld waardeerbaar is en de rechtsplegingsvergoeding dan ook moet worden bepaald op het basisbedrag van een niet in geld waardeerbare vordering. Ondergeschikt meent de administratie dat de vordering moet worden gewaardeerd in de schijf van 100.000,01 tot 250.000,00 EUR, en dat er geen redenen zijn om af te wijken van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding.
4. BEOORDELING
4.1. Met betrekking tot de motivering van het dwangbevel.
4.1.1.
Hoewel een dwangbevel niet is onderworpen aan wettelijke vormvereisten, betreft het dwangbevel een administratieve bestuurshandeling die onderworpen is aan de Wet van 29 juli 1991 betreffende de motivering van bestuurshandelingen. Deze wet vereist dat de motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. De motivering moet afdoende zijn. Voor wat betreft de motivering kan in het dwangbevel verwezen worden naar een proces-verbaal dat samen met het dwangbevel betekend wordt. Het proces-verbaal vormt dan de wettelijke basis van de vervolging ingesteld door de administratie.
4.1.2.
Uit het proces-verbaal d.d. 7 augustus 2000 blijkt dat de BTW-administratie bij toepassing van artikel 93 quaterdecies W.BTW op 8 mei 2000 inzage heeft genomen van de belastingdossiers van de eiseres en de NV I.-S.. Het voornoemde proces-verbaal vermeldt eveneens dat op 14 juni 2000 bij de eiseres een controle ter plaatse heeft plaatsgevonden. Uit het proces-verbaal blijkt dat de verbaliserende ambtenaar van de BTW-administratie heeft vastgesteld dat de betrokken factuur daadwerkelijk in aftrek werd gebracht.
4.1.3.
De eiseres kan niet worden gevolgd in de redenering dat de vereiste motivering van het dwangbevel, die de uitvoerbare titel van de belastingschuld creëert, inhoudt dat de belastingschuld vast en zeker moet zijn in die zin dat hij als het ware niet meer voor betwisting vatbaar is. Artikel 59 W.BTW verleent aan de administratie het recht om de verschuldigdheid van de belasting en van de boeten te bewijzen met vermoedens.
De motivering van het dwangbevel is naar het oordeel van de rechtbank afdoende, hetgeen betekent dat het standpunt van de administratie, zoals verwoord in het proces-verbaal d.d. 7 augustus 2000, voldoende door de motivering wordt gedragen en dat de motivering evenredig is met de belangrijkheid van de genomen beslissing en de aard van de bevoegdheid van de administratie, en de eiseres als bestemmeling heeft toelaten de gronden te kennen van de beslissing die haar aanbelangt. De beoordeling of de motivering afdoende is, hangt af van alle omstandigheden van de zaak, inzonderheid van de vaststaande gegevens en de elementen waarover de administratie op het moment van het opstellen van het proces-verbaal beschikt.
De rechtbank is van oordeel dat de ambtenaar op grond van enerzijds de inzage van het belastingdossier van de eiseres, dat diverse elementen en vaststellingen bevat die erop wijzen dat de betrokken factuur niet met de werkelijkheid overeenstemt, alsmede op basis van een verificatie ter plaatse van de betrokken factuur, tot de aannemelijke beoordeling kon komen dat deze factuur niet voldoet aan de voorwaarden tot aftrekbaarheid van de BTW overeenkomstig artikel 45, § 1 W.BTW.
De persoonlijke en objectieve vaststellingen die de verbalisant materieel heeft waargenomen en heeft opgenomen in het proces-verbaal, gelden tot het bewijs van het tegendeel. De vaststelling dat de verbalisant deze vaststellingen heeft geformuleerd in geciteerde "Berichten van wijziging", doet geen afbreuk aan de bewijswaarde van zijn vaststellingen. Het dwangbevel vermeldt duidelijk op basis van welke elementen de verbaliserende ambtenaar tot zijn beoordeling is gekomen. De eiseres ontkent niet dat zij tijdig kennis heeft genomen van het proces-verbaal d.d. 7 augustus 2000, alvorens haar het dwangbevel d.d. 17 oktober 2003 werd toegezonden. Het proces-verbaal verwijst naar dezelfde vaststellingen die reeds voorheen door de bijzondere belastinginspectie in een bericht van wijziging d.d. 13 juli 1999 inzake directe belastingen aan de eiseres ter kennis is gebracht. Uit deze gegevens blijkt dat de eiseres reeds geruime tijd voorafgaand aan het bestreden dwangbevel kennis heeft genomen of minstens heeft kunnen nemen van de gegevens van het dossier. In deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het niet nuttig noch noodzakelijk is om de administratie op grond van artikel 877 Ger.W. te bevelen bijkomende stukken met betrekking tot de onderzoeksverrichtingen te laten voorleggen die zijn voorafgegaan aan het opstellen van het proces-verbaal van 7 augustus 2000. De grief van de eiseres met betrekking tot de gebrekkige bewijswaarde en de motivering van het dwangbevel en het proces-verbaal van 7 augustus 2000 kan om de voormelde redenen niet worden bijgetreden.
4.2. Met betrekking tot de door de administratie in de loop van de procedure verrichte bijkomende onderzoekshandelingen.
4.2.1.
De eiseres verwijst naar een arrest van het Hof van beroep d.d. 15 maart 1999 waarin het Hof zou hebben geoordeeld dat het initieel opgemaakte proces-verbaal niet kan worden aangevuld met andere bewijselementen aangezien de appellanten zich moeilijk kunnen verdedigen op toekomstige elementen die haar niet ter kennis waren op het ogenblik dat het dwangbevel werd uitgevaardigd. Deze conclusie van het Hof mag echter niet worden losgekoppeld van de concrete feitelijke gegevens die aan de grondslag lagen van het arrest. Naast het gegeven dat het proces-verbaal "zoveel jaren na de feiten" werd opgesteld, blijkt dat uit de feitelijke gegevens van dat geschil dat de BTW-administratie uitdrukkelijk aan de bijzondere belastinginspectie heeft verzocht (bijkomende) elementen te laten geworden teneinde de BTW-administratie toe te laten op basis van deze elementen alleen een dwangbevel uit te vaardigen. Het Hof stelde vast dat de aanslag. inzake de directe belastingen door de gewestelijke directeur werd vernietigd wegens de schending van artikel 246 en 248 WIB 64. Op grond van de concrete gegevens van het dossier oordeelde het Hof als volgt : "Voormelde gegevens dwingen de overtuiging af dat het ter kennis gebracht proces-verbaal van 7 april 1989 waarop het dwangbevel is gesteund geenszins de verschuldigdheid van de belasting of de geldboete aantonen." (Gent, 15 maart 1999, F.J.F. n° 99/146).
Het komt de rechtbank voor dat het Hof van beroep te Gent tot de door de eiseres geciteerde overweging kwam op grond van de concrete gegevens eigen aan het aan het Hof voorgelegde geschil, en deze overweging niet zonder meer kan worden toegepast op het huidige geschil.
4.2.2.
Overeenkomstig artikel 62, § 1 W.BTW is eenieder gehouden, op ieder verzoek van de ambtenaren van de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft, mondeling of schriftelijk alle inlichtingen te verschaffen die hem gevraagd worden, teneinde de juiste heffing van de belasting in zijnen hoofde of in hoofde van derden na te gaan.
4.2.3
De rechtbank stelt vast dat de administratie in de loop van de huidige procedure, zijnde na het opstellen van het bestreden dwangbevel d.d. 17 oktober 2003 en bijhorende proces-verbaal d.d. 7 augustus 2000, op grond van artikel 62, § 1 W.BTW vragen heeft gesteld aan derden.
Door zich op deze bepaling te beroepen, verplicht de administratie de betrokken derde om zijn medewerking te verlenen. De niet naleving van de medewerking kan aanleiding geven tot het opleggen van een administratie sanctie of strafrechtelijke vervolging. Ongeacht het door de beide partijen niet betwiste gegeven dat inzake de BTW-wetgeving geen onderzoekstermijnen bestaan, is de rechtbank van oordeel dat de administratie zich, in het kader van de uitoefening van haar rechten van verdediging naar aanleiding van een gerechtelijke betwisting van een dwangbevel, niet kan steunen op artikel 62 W.BTW om inlichtingen te verkrijgen van derden ter ondersteuning van de betwiste navordering.
De rechtbank is van oordeel dat de administratie ten onrechte toepassing heeft gemaakt van artikel 62, § 1 W.BTW om in het kader en de loop van de huidige procedure de bijkomende gegevens te verzamelen en als bewijs voor te leggen, en om deze reden de rechtbank met deze gegevens geen rekening kan houden en deze uit de debatten worden geweerd. De door de eiseres gevraagde toepassing van artikel 877 Ger. W. om briefwisseling voor te leggen met betrekking tot deze bij toepassing van artikel 62, § 1 W.BTW verkregen bijkomende gegevens, is gelet op het voorgaande, niet dienend of nuttig, noch noodzakelijk om de rechtbank toe te laten zich een oordeel te vormen van het geschil.
Deze beoordeling doet evenwel geen afbreuk aan de mogelijkheid vanwege de administratie om haar rechten van verdediging uit te oefenen.
Uit geen enkele wetsbepaling kan immers afgeleid worden dat het de administratie; wanneer een proces-verbaal is opgemaakt nopens een bepaalde schuld. niet toegelaten is andere feiten aan te voeren waarvan zij nadien kennis heeft gekregen, en aldus tot bewijs van de bestreden fiscale schuld aanvullende bewijsinstrumenten in te roepen. Het recht om het bewijs te leveren van alle feiten, waarop een in rechte geformuleerde aanspraak gesteund is, maakt deel uit het recht van verdediging waarop eisende partij zich kan beroepen. De door de administratie aangevoerde nieuwe argumenten en gegevens mogen evenwel enkel worden aangevoerd ter ondersteuning van hetgeen in het proces-verbaal en het dwangbevel reeds is vastgesteld en vermeld met betrekking tot diezelfde belastingschuld.
4.3. Ten gronde
4.3.1.
Overeenkomstig artikel 45, § 1 W.BTW mag elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is, de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen in aftrek brengen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van :
1° belaste handelingen;
2° handelingen vrijgesteld van de belasting krachtens de artikelen 39 tot 42;
3° handelingen in het buitenland, waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in het binnenland zouden plaatsvinden.
4.3.2.
De administratie stelt terecht dat op grond van artikel 45, § 1 W.BTW, de eiseres als belastingplichtige ertoe gehouden is te bewijzen dat aan de voorwaarden van de aftrekbaarheid van de W.BTW is voldaan. Het concrete gegeven dat de administratie in het proces-verbaal van 7 augustus 2000 op grond van welbepaalde elementen het standpunt verkondigt dat zij van oordeel is dat de betrokken factuur fictief is, doet de bewijslast niet omkeren in die zin dat de administratie het fictief karakter van de factuur dient te bewijzen. Met deze mededeling heeft de administratie duidelijk te kennen gegeven dat ze de werkelijkheid van de prestaties betwist die volgens de eiseres de grondslag van de factuur vormen. Deze gegevens doen geen afbreuk aan de bewijslast van de eiseres.
4.3.3.
De administratie heeft in het proces-verbaal de volgende concrete gegevens opgenomen op basis waarvan ze vervolgens heeft geoordeeld dat niet voldaan was aan de voorwaarden van artikel 45 W.BTW.
1. Overwegende dat de NV V. in het boekjaar 31/12/1996 … Bef. commissies aan derden in kosten geboekt heeft op basis van een te ontvangen factuur op naam van I.-S.;
2. Overwegende dat de factuur ten bedrage van … Bef. slechts op 16/10/97 werd opgemaakt;
3. Overwegende dat deze commissies betrekking hebben op de door de NV V. bij de vennootschappen G. SA, E. L. T. SA en S. AHL NV gedaan met facturatiedata van oktober 96 tot en met december 96;
4. Overwegende dat deze te ontvangen factuur inzake commissies een negatief bedrag van … Bef. (Zincor - … aan …) bevat, terwijl er voorheen geen commissielonen werden gefactureerd voor aankopen bij voormelde leveranciers. Er werd met andere woorden een soort credietnota opgemaakt voor niet gefactureerde vergoedingen;
5. Overwegende dat de vennootschappen G. SA en S. NV reeds in het kalenderjaar 95 leveranciers waren van de NV V. en dit zonder enige tussenkomst van de NV I.-S.;
6. Overwegende dat de heer V. gedelegeerd bestuurder is in zowel de NV V. als in de NVI.-S.;
7. Overwegende de gemeenschappelijke belangen van beide vennootschappen;
8. Overwegende dat de NV I.-S. in het kalenderjaar 96 geen materiële vaste activa bezat;
9. Overwegende dat de NV I.-S. in de kalenderjaren 94 en 95 haar personeel ontslagen heeft;
10. Overwegende dat de NV I.-S. sinds de overname van de aandelen van deze vennootschap door de heer F. V. en dus sinds de start van de nieuwe zogenaamde activiteiten van deze vennootschap geen noemenswaardige werkingskosten had;
11. Overwegende dat de NV I.-S. materieel niet in staat was de gefactureerde prestaties te leveren;
12. Overwegende dat de NV I.-S. enkel in de maand december 96 beroep deed op personeel ter beschikking gesteld door de NV V.;
13. Overwegende dat de NV V. voor de terbeschikkingstelling van personeel … Bef. aanrekende;
14. Overwegende dat de NV I.-S. in het laatste kwartaal van 96 enkel en alleen diensten kan gepresteerd hebben voor de NV V. met materieel en personeel ter beschikking gesteld door de NV V..
Uit deze vaststaande gegevens en elementen die door de administratie in het proces-verbaal zijn opgenomen heeft de administratie vervolgens besloten dat niet voldaan is aan de voorwaarden van artikel 45, § 1 W.BTW.
4.3.4.
De eiseres betwist de bewijswaarde van het proces-verbaal. Volgens de eiseres zijn de geciteerde vaststellingen geen vaststaande feiten, worden relevante feiten genegeerd en kunnen de beweerde feiten niet leiden tot de aangenomen vermoedens. Er is volgens de eiseres sprake van een cascade van vermoedens die de nietigheid van het dwangbevel met zich meebrengt.
4.3.5.
Overeenkomstig artikel 59 W.BTW kan iedere overtreding of elk misbruik van de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de opeisbaarheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, door de administratie worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën. Deze processen-verbaal leveren bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen. Zoals reeds vermeld verleent artikel 59 W.BTW aan de administratie het recht om de verschuldigdheid van de belasting en van de boeten te bewijzen met vermoedens.
4.3.6.
Het proces-verbaal is opgesteld op basis van de gegevens waarover de administratie op dat moment beschikte. De vermelding dat geen noemenswaardige werkingskosten werden gemaakt, kan inderdaad worden aangemerkt als een deductie, die evenwel controleerbaar is op basis van objectieve gegevens. Eveneens de vermelding dat de NV I.-S. materieel niet in staat was de gefactureerde prestaties te leveren, kan worden beschouwd als een beoordeling, doch houdt naar het oordeel van de rechtbank de voldoende duidelijke vaststelling in dat deze vennootschap klaarblijkelijk over geen activa beschikte die de nodige infrastructuur konden uitmaken om de gefactureerde prestaties te realiseren. De appreciatie dat bepaalde van de elementen die de administratie heeft opgenomen geen vaststaande en zekere gegevens zijn en op zich kunnen worden geacht een waardeoordeel in te houden, heeft op zich niet zonder meer tot gevolg dat het gehele proces-verbaal willekeurig zou zijn of dat er sprake is van een opeenstapeling van vermoedens die de willekeurigheid en nietigheid van het dwangbevel met zich meebrengt. De in het proces-verbaal vermelde gegevens zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk en vormen een geheel van overeenstemmende elementen die het proces-verbaal en het dwangbevel in feite en rechte afdoende motiveren en het standpunt van de administratie voldoende duidelijk aan de eiseres kenbaar hebben gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat deze gegevens geen onverantwoorde opeenstapeling van vermoedens inhouden. De vaststelling dat de eiseres thans in het kader van het verzet tegen het dwangbevel kan aantonen dat bepaalde van de door de administratie aangenomen gegevens niet volledig correct waren, doen naar het oordeel van de rechtbank evenmin afbreuk aan de bewijskracht van het proces-verbaal op basis van vermoedens.
4.3.7.
Ten gronde treedt de rechtbank het standpunt van de administratie bij dat de eiseres de bewijslast draagt van de aftrekbaarheid van de op de factuur vermelde BTW, en door de eiseres aan deze bewijslast niet wordt voldaan.
Daarentegen wijzen de elementen in het proces-verbaal en de door de administratie ter ondersteuning van het proces-verbaal thans voorgelegde elementen, met uitzondering van deze die zij in de loop van de procedure op grond van artikel 62, § 1 W.BTW heeft verkregen, dat de beweerde prestaties niet daadwerkelijk door de NV I.-S. werden gepresteerd.
Op basis van de factuur inzake de levering van staal eind 1996 door de NV E. L. T. I. aan de NV V. blijkt nergens de tussenkomst van NV I.-S.. De lijst van de afmetingen is deze van de Mexicaanse leverancier van NV E. L. T. I. en is ook gericht aan laatstgenoemde. Dit gegeven bevestigt het vermoeden dat de eiseres zelf rechtstreeks heeft onderhandeld met de leverancier E. L. T. I.. Uit de beschikbare gegevens met betrekking. tot de aankooptransactie van de relatief omvangrijke hoeveelheid staal, blijkt niet dat door of namens de NV I.-S. werd onderhandeld of dat deze vennootschap op enige wijze is tussengekomen bij de aankoop ervan door de eiseres.
De vaststelling dat de factuur van de aankoop van het staal is gericht aan de eiseres zelf en niet aan NV I.-S., ontkracht de stelling van de eiseres dat de aankopen van overwalst staal op naam van NV I.-S. zouden plaatsvinden zonder dat de leveranciers en/of klanten de naam van de NV V. zouden kennen.
Uit het door de eiseres voorlegde overzicht van haar aankopen van overwalst staal in 1996, blijkt dat de laatste aankoop dateert van 6 november 1996. zijnde vóór de aankoop op 29 november 1996 van de aandelen door de heer F. V. van de NV I.-S..
Rekening houdende met de. aankoop van de aandelen van de NV I.-S. op 29 november 1996, maakt de eiseres evenmin geloofwaardig op welke wijze deze vennootschap is tussengekomen bij de aankoop van staal uit Mexico dat reeds op 16 december 1996 bij de eiseres werd geleverd. Er worden geen concrete stukken van de onderhandelingen of prijsbepaling door of via de NV I.-S. voorgelegd.
De rechtbank is van oordeel dat de eiseres aldus niet voldoet aan de op haar rustende bewijslast dat de NV I.-S. daadwerkelijk is tussengekomen in de aankoop van staalproducten in 1996.
4.3.8.
De bewering dat de administratie van de directe belastingen een deel van de kosten zou hebben aanvaard, is niet relevant in de beoordeling van de voorwaarden van de aftrekbaarheid van de BTW, evenmin ten aanzien van de conclusie dat op basis van de gegevens van het dossier, moet worden besloten dat de werkelijkheid van de prestaties niet is aangetoond.
4.4. Met betrekking tot het neutraliteitsbeginsel.
De argumenten van de eiseres omtrent het beginsel van de neutraliteit, kunnen de toepassing van artikel 45, § 1 W.BTW niet weerleggen. Het beginsel van de neutraliteit verhindert niet dat de aftrek van de BTW kan worden geweigerd op grond van de conclusie dat de werkelijkheid van de prestaties niet is aangetoond. Het neutraliteitsprincipe primeert niet zonder meer op artikel 45, § 1 W.BTW.
Uit de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie en het Hof van cassatie volgt dat de rechter de aftrek van de BTW kan weigeren indien de medecontractant wist of moest weten dat hij bij een fraudezaak betrokken is (Cass., 18 juni 2009, Fisc., 2009, nr. 1171, 1; H.v.J., 6 juli 2006, gevoegde zaken C-493/04 en C-440/04, inzake A. K. en R. R./Belgische Staat, http//curia.europa.eu/jurisp). De rechtbank is van oordeel dat op grond van de voormelde concrete en feitelijke gegevens eigen aan de zaak, de NV V. wist dat geen werkelijke prestaties aan de grondslag van de geboekte. commissies lagen.
4.5. Met betrekking tot de administratieve geldboete.
4.5.1.
Uiterst subsidiair stelt de eiseres dat de opgelegde administratieve geldboete niet afdoende gemotiveerd is en derhalve artikel 109 van de Wet van 4 augustus 1986 schendt. Ook de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen is volgens de eiseres geschonden door het ontbreken van enige motivering betreffende de administratieve boete. De eiseres meent dat deze boete een repressief karakter heeft en derhalve door de rechter kan worden kwijtgescholden of verminderd.
4.5.2.
De rechtbank stelt vast dat het proces-verbaal van 7 augustus 2000 een reeks van feitelijke vaststellingen en elementen bevat op basis waarvan de administratie van oordeel was dat de geboekte commissies niet met de werkelijkheid overeenstemmen. Het proces-verbaal vermeldt eveneens letterlijk dat als boete wordt opgelegd wegens het ten onrechte aftrekken van de BTW van facturen waarvan de echtheid niet is bewezen; de wettelijke boete op grond van artikel 70, § 1bis W.BTW; het dubbele van de verschuldigde BTW. Het proces-verbaal vermeldt dat de boete niet wordt verminderd. Het proces-verbaal vermeldt uitdrukkelijk dat uit de aard en de belangrijkheid van de begane overtredingen blijkt dat ze niet kunnen worden beschouwd als gebeurd per toeval, uit onwetendheid of per vergissing maar wel met het oogmerk de belasting te ontduiken.
Het proces-verbaal vermeldt de feitelijke gegevens en de juridische grondslag op basis waarvan de geldboete werd opgelegd. De administratieve sanctie werd afdoende gemotiveerd.
4.5.3. De eiseres stelt dat de geldboete een repressief karakter heeft.
Om uit te maken of een administratieve sanctie inzake belastingen een repressief karakter heeft moet nagegaan worden of ze 1. zonder onderscheid elke belastingplichtige en niet slechts een bepaalde groep met een particulier statuut betreft 2. een bepaald gedrag voorschrijft en op de naleving ervan een sanctie stelt 3. niet alleen maar een vergoeding in geld van een schade betreft, maar essentieel ertoe strekt te straffen om de herhaling van gelijkaardige handelingen te voorkomen, 4. stoelt op een norm met een algemeen karakter, waarvan het oogmerk terzelfdertijd preventief en repressief is, 5. zeer zwaar is gelet op het bedrag ervan.
De beoordeling of de boete zeer zwaar moet onmiskenbaar worden beoordeeld op grond van de ernst van de overtreding en de concrete gegevens en context waarin de overtreding is begaan. Na afweging van al deze elementen is de rechtbank van oordeel dat aan deze voorwaarden is voldaan en deze geldboete een repressief karakter heeft.
Het Grondwettelijk Hof maakt in zijn arrest van 16 juli 2009 de overweging dat de voorgaande beoordeling niet tot gevolg heeft dat de geldboete in de Belgische wetgeving van strafrechtelijke aard zou zijn en, bijgevolg, dat artikel 86 van het Strafwetboek en artikel 20 van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering erop van toepassing zouden zijn of zouden moeten zijn (Gw.H., 16 juli 2009, nr. 119/2009) . Het Grondwettelijk Hof oordeelt vervolgens :
"B.6.3. Uit artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en uit de waarborgen die voortvloeien uit de algemene beginselen van het strafrecht, die ook van toepassing zijn op administratieve geldboeten met een overwegend repressief karakter, volgt evenwel dat de fundamentele beginselen van het persoonlijk karakter van de straffen en van het vermoeden van onschuld in acht dienen te worden genomen."
Hoewel op het ogenblik van het opstellen van het proces-verbaal er ernstige aanwijzingen waren die de administratie ervan hebben overtuigd dat de overtreding werd begaan met het opzet de belasting te ontduiken, waren deze aanwijzingen op dat moment nog niet absoluut vaststaand, en kan in de gegeven concrete omstandigheden worden geoordeeld dat op grond van het vermoeden van onschuld de opgelegde belastingverhoging van 200 % zich niet in een redelijke verhouding bevond met de overtreding waarvan weliswaar aannemelijk was dat ze opzettelijk werd begaan. De rechtbank is van oordeel dat in deze omstandigheden de administratie sanctie van 200 % zich niet in een evenredige verhouding bevindt met de overtreding en dat een geldboete van 100 % zich meer in een evenredige verhouding bevindt met de overtreding. Deze administratieve sanctie met repressief karakter moet de eiseres het ontoelaatbare van haar gedrag doen inzien en haar er anderzijds toe aanzetten in de toekomst geen inbreuken meer te plegen.
4.6. Met betrekking tot de rechtsplegingsvergoeding.
4.6.1.
De kosten omvatten in de onderhavige zaak in het bijzonder de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek (art. 1018, 6° Gerechtelijk Wetboek).
De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijkgestelde partij (art. 1022, eerste lid Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij art. 7 Wet 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat. B.S. 31 mei 2007. p. 29541).
4.6.2.
De rechtbank is van oordeel dat de beide partijen gedeeltelijk in het gelijk worden gesteld, doch de eiseres slechts in mindere mate, met name in die zin dat de rechtbank van oordeel is dat de administratie geldboete moet worden herleid van 200 % naar 100 %. Het komt de rechtbank voor dat in deze omstandigheden de gerechtskosten in de verhouding van de relatieve waardering van ieders gelijk, tussen de partijen dienen te worden omgeslagen. Het herleiden van de belastingverhoging van 200 % naar 100 %, leidt tot de redelijke conclusie dat de verweerders, die vertegenwoordigd worden door dezelfde advocaat, gezamenlijk conclusies hebben opgesteld en hetzelfde belang hebben, allebei recht hebben op een rechtsplegingsvergoeding die evenwel zal worden omgeslagen zoals hierna bepaald (art. 1017, vierde lid Gerechtelijk Wetboek).
4.6.3.
In tegenstelling tot hetgeen de verweerders volhouden, is de rechtbank, met betrekking tot het huidige geschil, van oordeel dat de vordering wel in geld waardeerbaar is en, gelet op de omvang van de in het dwangbevel opgenomen verschuldigde bedragen, de waardering van de vordering kan worden begroot in de schijf van 100.000,01 tot 250.000 EUR. In dat geval is het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan … EUR.
4.6.4.
De eiseres vraagt de toepassing van het maximumbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelet op de complexiteit van de zaak.
De door de eiseres aangevoerde argumenten voor de toekenning van het maximumbedrag van de rechtsplegingsvergoeding. vormen naar het oordeel van de rechtbank echter geen bijzondere redenen die een afwijking van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding verantwoorden.
In casu werden door de partijen inderdaad uitvoerige conclusies opgesteld waarin een veelheid aan rechtsvragen en twistpunten werden behandeld. Daartegenover staat dat onderhavig geschil zich in belangrijke mate reeds meerdere aanslagjaren voordoet en de door de partijen ontwikkelde argumenten voor de onderscheiden aanslagjaren grotendeels gelijkluidend zijn.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Recht doende op tegenspraak.
Melding makende van het feit dat de bepalingen van artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.
Alle meeromvattende en strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend.
Verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond in de mate zoals hierna is bepaald.
Herleidt de in het bestreden dwangbevel d.d. 17 oktober 2003 en het proces-verbaaI van de BTW-administratie d.d. 7 augustus 2000, opgelegde administratieve geldboete van 200 % naar 100 %.
Wijst de vordering van de eiseres voor het overige af als ongegrond.
Slaat de kosten tussen de partijen om, in die zin dat de eiseres gehouden is tot de betaling van 2/3 van de kosten van het geding, en de verweerders gehouden zijn tot het betalen van 1/3 van de kosten van het geding.
Begroot deze kosten als volgt :
- aan de zijde van de eiseres
o de kosten van de dagvaarding in verzet ten aanzien van de eerste verweerder : … EUR
o de kosten van de dagvaarding in verzet ten aanzien van de tweede verweerder : … EUR
o de rechtsplegingsvergoeding : … EUR
- aan de zijde van de verweerders : de rechtsplegingsvergoeding : … EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de twaalfde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op vijf maart tweeduizend en tien, waar aanwezig waren :
de heer A. G., rechter en voorzitter van deze kamer,
de heer S. R., rechter,
de heer C. S., toegevoegd rechter,
mevrouw G. L., griffier.
G. L. C. S. S. R. A. G.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.