Taxation d’office, Fraude fiscale, Amende fiscale proportionnelle, procédure · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Anvers 7 novembre 2018

Rechercher
Texte en néerlandais

Taxation d’office, Fraude fiscale, Amende fiscale proportionnelle, procédure

https://juriel.be/fr/jurisprudence/taxation-office-fraude-fiscale-amende-tribunal-anvers-2018-11-07-803b

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Anvers
Date
7 novembre 2018

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
mixte

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

64 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance d’Anvers du 07.11.2018

WF 713-15-18 028014

[Jugement partiellement favorable à l’Etat belge]

Taxe sur la valeur ajoutée – Taxation d’office – Fraude fiscale – Amende fiscale proportionnelle

Dispositions légales

Article 66 du Code de la TVA

Article 70 du Code de la TVA

Article 1er de l’arrêté royal n° 41 du 30 janvier 1987

Résumé

Les faits de la cause et les antécédents de la procédure

L’assujetti s’est identifié à la TVA le 4 octobre 2016 afin d’exercer une activité de gestion administrative et de consultance. Suite à une information transmise par le parquet du Procureur du Roi, il est apparu que l’assujetti avait émis des factures sous son numéro d’identification à la TVA qui n’ont été reprises dans aucune de ses déclarations périodiques à la TVA. L’administration a dès lors présumé qu’il y avait fraude fiscale. Le 4 octobre 2016, l’administration a effectué une visite sur place au domicile de l’assujetti. L’administration a également adressé à l’assujetti une demande d’informations. Elle a en outre demandé à l’institution financière de l’assujetti de lui transmettre les extraits de compte des comptes bancaires qui étaient utilisés par l’assujetti pour ses besoins professionnels. Il est ressorti de l’enquête que l’assujetti n’avait pas repris dans ses déclarations périodiques la taxe qu’il avait portée en compte sur les factures délivrées faisant l’objet de cette enquête.

Sur la base de ces constatations, l’administration a établi une taxation d’office en date du 11 octobre 2017.

L’assujetti a introduit une action en opposition contre la contrainte.

2. Le jugement

1. L’action de l’assujetti avait pour objet d’obtenir l’annulation de la contrainte et ainsi obtenir l’annulation de la taxation d’office opérée ou du moins son dégrèvement.

L’administration a estimé que l’assujetti était coupable de fraude fiscale. L’administration a affirmé que le demandeur avait effectué des prestations de services ou avait du moins facturé des prestations sous une série de noms différents, et ce également sous le nom de personnes morales dont il n’était pas administrateur. L’administration a soutenu que le demandeur ne prouvait pas avoir réellement effectué des prestations de services au nom de ces personnes morales qui avaient d’ailleurs été comptabilisées en tant que clientes. De plus, l’assujetti avait encaissé les paiements des factures émises au nom de ces personnes morales sur ses propres comptes bancaires. Il avait en outre perçu des paiements au comptant.

2. Le tribunal considère que l’assujetti ne prouve pas que la TVA portée en compte dans les factures qu’il a émises avant la vérification fiscale a été reprise dans ses déclarations à la TVA. Selon le tribunal, la fraude fiscale invoquée par l’administration est prouvée.

Le tribunal considère que c’est à tort que l’assujetti invoque que la taxation d’office est arbitraire. Les éléments spécifiques invoqués par l’assujetti qui devraient démontrer que ces recettes ne devaient pas être soumises à la TVA ou que la TVA due avait déjà été acquittée n’ont pas convaincu le juge. Le tribunal estime qu’il convient à l’égard de seulement trois paiements perçus de considérer que la TVA n’est pas exigible. Cet élément doit être pris en considération pour la fixation du montant de l’amende proportionnelle et des intérêts réclamés.

Selon le juge, l’amende de 200% infligée est proportionnelle aux infractions constatées.

En conséquence le tribunal juge que la demande de l’assujetti est partiellement fondée.

Texte du jugement

Le jugement est publié uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 07/11/2018

Rol: 17/6512/A

Inzake:

B.P., wonende te … , eisende partij - vertegenwoordigd ter zitting door Mr. … loco Mr. … te …,

TEGEN:

DE BELGISCHE STAAT, In de persoon van de Minister van Financiën, te 1000 Brussel, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de Adviseur-Generaal, met kantoor te … , verwerende partij Vertegenwoordigd door mevr. … en door dhr. … , beiden in hoedanigheid van rijksambtenaar,

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, zoals ze voorkomen op de inventaris ervan;

Gelet op de Wet van 15/6/1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken. Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 10 oktober 2018.

Vordering van eiser - ontvankelijkheid

De vordering van eiseres zoals opgenomen in de namens eiseres neergelegde syntheseconclusies, luidt als volgt :

"De vordering van concluant ontvankelijk en gegrond te verklaren.

Dienvolgens het BTW-dwangbevel RCIV-nr. 500/…, uitgevaardigd op 8 november 2017 door E. L., Adviseur invordering - Ontvanger, Team Invordering, Natuurlijke personen Turnhout, met adres te … en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 9 november 2017 door … , Attaché - diensthoofd teamchef, Team Invordering, Natuurlijke personen Turnhout, met adres te … , gedelegeerd door de Adviseur-generaal, en voor eensluidend verklaard door E. L., Adviseur invordering - Ontvanger, Team Invordering, Natuurlijke personen Turnhout, met adres te … op 13 november 2017, te horen vernietigen cq. van nul en generlei waarde te horen verklaren.

Bijgevolg de ambtshalve aanslag in de BTW d.d. 11 oktober 2017, gekend onder RCIV-nr. 500/1870/59826 te vernietigen, minstens te ontheffen.

Dienaangaande teruggave te horen bevelen van de bedragen die door concluant ten onrechte zouden zijn betaald en/of ten onrechte lastens hem zouden zijn ingehouden, bedragen die moeten worden vermeerderd met de wetteJijke, gerechtelijke en moratoire interesten vanaf de datum van betaling of inhouding.

Tot slot verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de wettelijke rechtsplegingsvergoeding, zijnde 6.000,00 EUR."

De ontvankelijkheid van de vordering van eiseres wordt niet betwist. Er zijn evenmin ambtshalve aan te voeren bezwaren betreffende de ontvankelijkheid.

Ten gronde

Eiser vroeg een btw-registratie aan op 4 oktober 2016 voor de activiteit van administratie en consulting. Op 4 oktober 2016 vond eveneens een visitatie plaats in de woning van eiser. Bij vraag om inlichtingen werden rekeninguittreksels gevraagd van rekeningen gebuikt voor beroepsdoeleinden. Deze werden niet bezorgd door eiser. Op 20 februari 2017 werd het CAP geraadpleegd. Eiser werd opnieuw gevraagd om verrichtingen op zijn beroepsmatig gebruikte rekeningen voor te leggen. Vervolgens werden vragen om inlichtingen gezonden aan de financiële instellingen.

In de bijlagen bij de ambtshalve aanslag werd vermeld dat naar aanleiding van een kennisgeving van het parket van de Procureur des Konings bleek dat eiser facturen had uitgeschreven met btw-nummer in aanvraag terwijl deze facturen niet werden vermeld in enige Btw-aangifte, waaruit een vermoeden van belastingontduiking wordt afgeleid.

De door de administratie vermelde elementen, onder verwijzing naar haar stukken 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12 en 13 bevestigen dat eiser gewerkt heeft, minstens gefactureerd heeft, onder een reeks benamingen, ook van rechtspersonen waarvan eiser geen bestuurder was, minstens van rechtspersonen waarvan hij niet aantoont dat hij prestaties heeft geleverd voor deze rechtspersonen die aan klanten werden aangerekend. Eiser ontving met betrekking tot facturen op naam van rechtspersonen bovendien betalingen op zijn eigen bankrekeningen. Eiser blijkt bovendien ook contante betalingen te hebben ontvangen (stukken 10 en 11 van verweerder).

De rechtbank merkt op dat eiser geenszins aantoont dat de btw over de facturen die hij heeft opgesteld voorafgaand aan de fiscale visitatie heeft opgenomen of laten opnemen in enige Btw-aangifte.

Anders dan eiser aanvoert, sluiten deze elementen aan bij de vermeldingen in de (bijlagen bij) de ambtshalve aanslag, namelijk dat eiser vermeldingen aanbrengt op facturen zoals btw­ nummer in aanvraag of diverse benamingen om te verdoezelen dat hij facturen uitschrijft en betalingen ontvangt zonder dat hiervoor ooit btw wordt afgedragen en in een btw-aangifte wordt vermeld, waaruit de bedoeling om belasting te ontduiken blijkt. De vermeldingen in conclusies van verweerder onderbouwen louter in detail het systematische karakter van deze handelswijze van eiser die hij jarenlang heeft gehanteerd. Bijgevolg is de intentie in hoofde van eiser om belasting te ontduiken bewezen door verweerder.

Eiser voert aan dat de ambtshalve aanslag een arbitrair karakter zou hebben omdat alle bedragen ontvangen op de beide bankrekeningen worden aangewend om de · omzet gerealiseerd door eiser te ramen.

De rechtbank stelt vast dat eiser geen boekhouding heeft betreffende zijn activiteit waarvoor hij pas in oktober 2016 een btw-nummer heeft aangevraagd. Bovendien blijkt dat eiser heeft geprobeerd om, door wisselende vermeldingen op facturen voor wat betreft de opsteller daarvan, te verdoezelen dat hij deze heeft opgesteld en opbrengsten heeft ontvangen. Eiser ontkent niet dat hij voor de periode waarop de ambtshalve aanslag betrekking heeft, vanaf begin 2011 een aan btw onderworpen activiteit uitoefende waarvoor hij nooit btw heeft aangegeven. Uit de refertes bij de betalingen en de identiteit van de betalingen in combinatie met aangetroffen uitgaande facturen blijkt dat eiser voor zijn prestaties overschrijvingen heeft ontvangen op de betreffende bankrekeningen. Zoals voormeld blijkt bovendien ook dat eiser cash gelden ontving als vergoeding voor door hem geleverde diensten (onder meer stukken 10 en 11 van verweerder). Bovendien blijkt dat eiser wel degelijk betalingen voor facturen uitgeschreven door Soraya nv op (één van) beide bankrekeningen heeft ontvangen. De rechtbank stelt vast dat eiser geen verklaring geeft voor de veelheid aan kasstortingen op zijn rekening bij Bpost

Bovendien heeft eiser de kans gekregen om aan te geven welke ontvangen betalingen geen betrekking zouden hebben op zijn beroepsactiviteit, minstens in het kader van huidige procedure. Eiser voert een aantal specifieke elementen uit waaruit zou moeten blijken dat de betreffende ontvangsten op de bankrekeningen van eiser betrekking zouden hebben op transacties die niet onderworpen zouden zijn aan btw of waarvoor de btw reeds zou voldaan zijn:

-Voor wat betreft de facturen uitgeschreven onder verwijzing naar Soraya nv (stukken 8, 9 en 14 van eiser), voert eiser blijkbaar aan dat hij bestuurder was van deze vennootschap. De betreffende facturen werden uitgeschreven op 15 oktober 2013, 4 november 2013 en 6 januari 2014. Op de achterzijde van het stuk 11 van eiser is een deel van de beslissing van de algemene vergadering van 5 oktober 2013 te vinden waarbij eiser werd ontslagen als bestuurder en gedelegeerd bestuurder. Het uitschrijven van facturen op naam van deze vennootschap en het ontvangen van de betalingen voor deze facturen op zijn eigen rekening (waarvan het nummer blijkbaar werd vermeld op de facturen die van Soraya nv zouden moeten uitgaan), bevestigen de stelling van de administratie dat eiser werkte onder verschillende benamingen om het geheel van de ontvangsten uit zijn economische activiteit ondoorzichtig en zo weinig mogelijk controleerbaar te maken.

-Voor wat betreft de beweerdelijke bestuurdersvergoedingen wordt door eiser geen bewijs bijgebracht dat hij werkelijk een bezoldigd mandaat uitoefende als bestuurder en dat de betreffende betalingen daarvoor de vergoeding vormden.

-Voor wat betreft de kasstortingen gedurende 2015 en 2016 voert eiser aan dat deze afkomstig zouden zijn van de bankrekening van zijn overleden vader waar zijn zus volmacht op had. Naast de vaststelling dat deze herkomst van de gelden uit geen enkel stuk blijkt, dient vastgesteld dat de zus van eiser de gelden ook gewoon had kunnen overschrijven en niet blijkt waarom deze cash moesten worden gestort op de rekening van eiser.

-Daar waar eiser verwijst naar de verhuur van magazijnen, voert verweerder terecht aan dat niet wordt aangetoond dat deze verhuur zou vrijgesteld zijn van btw.

-Voor wat betreft de betaling ontvangen op 1 maart 2017, toont eiser niet aan dat de bijgebrachte stukken (stuk 25 van eiser) waarop een factuur van 1 juli 2017 wordt vermeld, verband houden met deze betaling.

-Voor het overige stelt de rechtbank vast dat geen betwisting bestaat dat de betalingen van 8 juni 2012, 21 november 2013 en 1 juli 2015 voor een bedrag van 9.489,92 euro niet aan Btw onderworpen zijn, zodat op basis van het bestreden dwangbevel een bedrag van 1.992,88 euro aan Btw ten onrechte wordt gevorderd, net als de daarmee verband houdende proportionele boete en interesten.

Inzake de proportionele geldboete

Eiser voert aan dat de geldboete van 200% onterecht zou zijn opgelegd. Dat de overtredingen werden begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken blijkt uit bovenstaande beoordeling in dit vonnis. Bijgevolg dient gelet op artikel 1 in fine van het Koninklijk Besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde geen toepassing te worden gemaakt van de daarin (in bijlage) opgenomen schalen.

De opgelegde geldboete is proportioneel met de inbreuken waarop deze betrekking heeft gelet op de aard en ernst daarvan en het jarenlange en systematische karakter.

Dispositif

Om deze redenen de rechtbank,

recht doende op tegenspraak,

verklaart de vordering van eiser ontvankelijk en gegrond in de hierna bepaalde mate.

Vernietigt het dwangbevel ten bedrage van 1.992,88 euro aan Btw en van de daarmee verband houdende boetes en interesten.

Wijst het meer- en anders gevorderde af.

Veroordeelt eiser tot de kosten van het geding, door verweerder niet begroot en door de rechtbank vereffend op nihil.

Dit vonnis werd uitgesproken op zeven november tweeduizend achttien in openbare zitting van de Kamer AFi4, die samengesteld was uit:

Ondertekeningen

Textes cités

3
AR no 41 art. 13 occurrences
CTVA art. 662 occurrences
CTVA art. 702 occurrences

Décisions similaires

8