Taux de la taxe, poursuite, instance · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Gand 26 janvier 2010

Rechercher
Texte en néerlandais

Taux de la taxe, poursuite, instanceTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/taux-taxe-poursuite-instance-droits-tribunal-gand-2010-01-26-29c9

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Gand
Date
26 janvier 2010

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

61 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Gand du 26.01.2010

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Rechtbank van Eerste aanleg te Gent - Zesde Fiscale Kamer - Openbare terechtzitting van 26 januari 2010

A.R. nr. 08/4319/A

In de zaak van :

NV L.D.L. E., met zetel te …, … en met ondernemingsnummer …

EISERES, hebbende als raad Mter A. V., advocaat te …, …

TEGEN :

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijke Directeur der Administratie van de Ondernemings­ en Inkomstenfiscaliteit, sector Directe Belastingen, met kantoren te 9050 Gent, G. Crommenlaan 6 bus 604

VERWEERDER, hebbende als raad Mter M. P., advocaat te …, …

Vonnist de rechtbank als volgt :

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het verzoekschrift de dato 11 december 2008.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen op de openbare terechtzitting van 19 januari 2010 waarna het debat werd gesloten en de zaak in beraad genomen.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS DER ZAAK

2.1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW­registratienummer BE … voor haar activiteit van groothandel in machines en uitrusting voor industrieel gebruik. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 26 september 2007 werd door de diensten van A.0.I.F. voor de jaren 2005 en 2006 een controle verricht over de toepassing van de BTW-wetgeving en reglementeringen in hoofde van eiseres. Daarbij werd door de BTW­administratie vastgesteld dat eiseres bij haar facturaties betreffende leveren en plaatsen van industriële wasmachines en droogkasten aan bejaarden-tehuizen en opvangtehuizen ten onrechte het verlaagd tarief van 6 % had toegepast.

Gelet op het niet-akkoord van eiseres werd de zaak voorgelegd aan de centrale administratie van de A.O.I.F. te Brussel, die het standpunt van de controleambtenaar bevestigde, wat bij brief dd. 14 november 2004 aan eiseres werd meegedeeld.

Op 24 november 2008 werd een proces-verbaal geredigeerd door de controlerende ambtenaar waarvan afschrift aan eiseres werd toegezonden.

Op 4 december 2008 werd door de bevoegde BTW-Ontvanger op grond van artikel 85, § 1 W.BTW een dwangbevel uitgevaardigd dat op 8 december 2008 door de daartoe gemachtigde eerstaanwezend inspecteur van de BTW­controle te Deinze werd uitvoerbaar verklaard. Het dwangbevel werd op 10 december 2008 bij aangetekende brief aan eiseres betekend.

Op grond van de gedane vaststellingen vordert de BTW-administratie met betrekking tot de periode 2005-2006 volgende bedragen :

- BTW : … EUR;

- Boete : … EUR;

- Intresten : … EUR.

… EUR

De verschuldigd gestelde sommen werden onder alle voorbehoud van alle rechten betaald door eiseres.

Op 11 december 2008 legt eiseres een fiscaal verzoekschrift ter griffie neer.

2.2. Eiseres vraagt dat : het verzoekschrift ontvankelijk en gegrond wordt verklaard, dat dienvolgens de vordering van de BTW in zijn geheel afgewezen wordt als ongegrond en bijgevolg het proces-verbaal integraal vernietigd wordt en de BTW-administratie veroordeeld wordt tot terugbetaling van de som van … EUR, meer de wettelijk verschuldigde intresten vanaf heden en dat subsidiair de opgelegde boete en nalatigheidsintresten integraal kwijtgescholden worden, minstens herleid tot een passend bedrag en dat minstens een schadevergoeding toegekend wordt gelijk aan de nalatigheidsintresten aangaande de periode van 21 januari 2007 tot en met november 2008 berekend op de BTW in hoofdsom en dat verweerder veroordeeld wordt tot de gedingkosten.

2.3. Verweerder vraagt dat: gezegd wordt voor recht dat het verzet ontvankelijk doch ongegrond is en eiseres in al haar eisen dient afgewezen te worden en dient veroordeeld te worden tot de gedingkosten.

lIl. BEOORDELING

3.1. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van deze vordering kunnen leiden. Nu de Rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

3.2. nopens de grond

3.2.1. nopens de motivering van het proces-verbaal

a. Eiseres stelt dat in het proces-verbaal niet wordt toegelicht waarom de kwestieuze diensten niet als werken in onroerende staat kunnen worden beschouwd, zodat het proces-verbaal onvoldoende gemotiveerd is wat de nietigheid ervan tot gevolg heeft.

b. De Wet van 29 juli 1991 legt aan alle administratieve overheden, zoals bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de verplichting op om alle van hen uitgaande éénzijdige rechtshandelingen met individuele strekking, die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meerdere bestuurden, uitdrukkelijk te motiveren. Artikel 3 van voormelde wet stelt hieromtrent het volgende : "De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen; zij moet afdoende zijn;

Uitdrukkelijk motiveren betekent het opgeven van de redenen van de rechtshandeling, zodat de (bestaande) materiële met een formele motiveringsplicht werd aangevuld. Daaruit vloeit voort wat onder de opgelegde motivering moet worden verstaan : 'de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen', die ook nog 'afdoende' moeten zijn. De drieledige inhoud van de materiële motiveringsplicht behoort dus integraal tot de formele motiveringsplicht : de juiste en draagkrachtige juridische en feitelijke redenen van de beslissing moeten worden vermeld. In het wetsvoorstel dat tot de Wet van 29 juli 1991 heeft geleid werd dit onder woorden gebracht met het "duidelijk, nauwkeurig, volledig en waarheidsgetrouw vermelden van de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen·: De tekstwijziging, en vooral het gebruik van het woord 'afdoende' was bedoeld om het 'evenredigheidsbeginsel' onder woorden te brengen. De wetgever was immers van mening dat de omvang van de motivering aangepast moest zijn aan het belang van de beslissing. Uiteindelijk stelde hij echter - terecht - vast dat met het begrip 'afdoende' ook het 'draagkracht-vereiste' tot uitdrukking werd gebracht. Vage, duistere of niet terzake dienende uitleg is uit den boze, en er werd dan ook gewaarschuwd voor gelijke of gestandaardiseerde motiveringen. De motivering moet dus opgevat worden als een resultaats- en niet als een inspanningsverbintenis van het bestuur. Zij moet alle elementen bevatten om de legaliteit van de bestuurshandeling aan te tonen. Indien daartoe achteraf een bijkomend element moet worden aangevoerd, dat niet in de motivering is opgenomen, is een substantiële vormvereiste geschonden en de beslissing onwettig. En daarbij moeten zowel de juridische als de feitelijke overwegingen worden vermeld (Van Orshoven P., "Uitdrukkelijke motivering van "fiscale bestuurshandelingen·: De Fiscale Koerier, 91/506).

Eiseres heeft in de betwiste periode op geregelde tijdstippen wasmachines en droogkasten geleverd en geplaatst voor industrieel gebruik aan bejaardentehuizen en opvangtehuizen. Op de facturen opgesteld ter gelegenheid van het leveren en plaatsen van deze industriële wasmachines en droogkasten werd een verlaagd BTW-tarief van 6 % toegepast.

De BTW-administratie is echter van oordeel dat de kwestieuze handelingen dienen belast te worden aan het BTW-tarief van 21 %.

In het proces-verbaal van 24 november 2008 wordt enkel zonder verdere verduidelijking verwezen naar de bepalingen van artikel 37 en 38 van het BTW-wetboek en artikel 1 van het KB nr.20 op grond waarvan de voormelde handelingen belastbaar gesteld worden aan het BTW-tarief van 21 % en wordt louter gesteld : "voormelde leveringen en diensten zijn evenwel niet opgenomen in tabel A van de bijlagen van het Koninklijk Besluit nr.20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven (in uitvoering van artikel 37 van het BTW-Wetboek)."

In voormeld proces-verbaal wordt verder op geen enkele wijze verduidelijkt waarom de diensten verstrekt door eiseres niet voldoen aan de regels betreffende de toepassing van het verlaagd BTW-tarief, waarom de kwestieuze werkzaamheden niet als werken in onroerende staat kunnen beschouwd worden.

Gelet op het voorgaande is de motivering van het proces-verbaal niet voldoende om de vordering gestand te houden. Zij was niet dragend. Een dergelijke niet voldoende motivering van het proces-verbaal levert zonder meer de illegaliteit op van de bestuurshandeling wegens schending van een substantieel vormvoorschrift.

Alle verdere argumentatie is vanaf dan niet langer dienend.

3.3. nopens de kosten

Verweerder wordt in het ongelijk gesteld en moet overeenkomstig artikel 1017 lid 1 Ger.W. de gerechtskosten dragen. De gerechtskosten belopen het basisbedrag der rechtsplegingsvergoeding zijnde … EUR, zoals gevorderd.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet terzake dienend.

Verklaart de fiscale vordering ontvankelijk en gegrond in de mate zoals hierna bepaald.

Zegt voor recht dat het bestreden proces-verbaal nietig is.

Veroordeelt dienvolgens verweerder tot terugbetaling aan eiseres van de som van … EUR, te vermeerderen met de moratoire intrest overeenkomstig artikel 91, § 4 W.BTW en dit te rekenen vanaf de inning ervan tot de datum van volledige terugbetaling.

Veroordeelt verweerder tot de gedingkosten aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven en aan de zijde van eiseres begroot op … EUR basisrechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op dinsdag zesentwintig januari tweeduizend en tien, waar aanwezig waren :

- mevrouw A. H., alleenrechtsprekend rechter, voorzitter van deze kamer,

- mevrouw G. L., griffier.

G. L. A. H.

Textes cités

3
CTVA art. 372 occurrences
AR no 20 art. 11 occurrence
CTVA art. 381 occurrence

Décisions similaires

8