Système de caisse enregistreuse, Principe d'égalité, Principe de proportionnalité · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Hasselt 3 décembre 2020

Rechercher
Texte en néerlandais

Système de caisse enregistreuse, Principe d'égalité, Principe de proportionnalité

https://juriel.be/fr/jurisprudence/systeme-caisse-enregistreuse-sce-principe-tribunal-hasselt-2020-12-03-4c3c

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Hasselt
Date
3 décembre 2020

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

91 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance du Limbourg, division Hasselt du 03.12.2020

WF 711-15-19/029836

[Favorable à l’Etat belge]

Taxe sur la valeur ajoutée – Système de caisse enregistreuse - SCE – Principe d'égalité - Principe de proportionnalité

Dispositions légales

Articles 10, 11 et 172 de la Constitution

Article 21bis, § 1er, de l’arrêté royal n° 1 du 29 décembre 1992

Synthèse

1) les faits et les antécédents de procédure

L’assujettie exploite deux restaurants. Lors d’un contrôle effectué par l’administration chez l’assujettie, il a été constaté que le système de caisse enregistreuse était présent dans le restaurant O. mais qu’il n’était pas opérationnel. L’exploitant a également déclaré que le système de caisse enregistreuse dans le restaurant E. n’était pas connecté.

Dans son procès-verbal, l’administration a infligé une amende à l’assujettie. Par le biais d’une requête contradictoire déposée le 16 mai 2019, l’assujettie a contesté l’amende infligée.

2) Synthèse du litige en première instance

L’assujettie considère que l’article 21bis, § 1er, de l’arrêté royal n° 1 (et plus généralement le système de la caisse enregistreuse) est contraire au principe d'égalité et au principe de proportionnalité.

Le tribunal ne partage pas la position de l’assujettie. Le tribunal se réfère en premier lieu à divers recours en annulation contre les mesures tendant à assurer le paiement de la taxe sur la valeur ajoutée en ce qui concerne la délivrance d’un ticket de caisse au moyen d’un système de caisse enregistreuse dans le secteur horeca. Ces recours ont été rejetés par le Conseil d'État (arrêts du 17 janvier 2019, n° 243.414, n° 243.415 et n° 243.416 du Conseil d’Etat).

Le tribunal partage l'avis du Conseil d'État selon lequel il n'y a pas eu de violation des principes d'égalité et de proportionnalité. Comme le Conseil d'État, le tribunal est d’avis qu’il est de notoriété publique que les fraudes fiscales sont fréquentes dans le secteur horeca (ou du moins l’était avant l’instauration du système de la « caisse blanche »).

En ciblant par ces mesures un secteur sujet à la fraude, l'objectif qui est d’avoir une fiscalité correcte et de lutter contre la fraude est atteint. Cette préoccupation suffit à elle seule à justifier la différence de traitement.

Compte tenu de l'objectif qui est de lutter contre la fraude, l'instauration du système de caisse enregistreuse n'est pas disproportionnée et il n'y a pas de violation du principe de proportionnalité. En outre, le législateur a introduit des mesures d'accompagnement telles qu'une réduction du taux d'imposition de 21% à 12%, la création de flexi-jobs et une augmentation du nombre d'heures supplémentaires soumises à une taxation plus légère. Il n'y a pas de déséquilibre démontré entre la mesure prise et l'objectif poursuivi.

Le tribunal juge également que l'exception en faveur de l’assujetti qui fournit un logement meublé est justifiée puisque l'activité principale de ce même assujetti consiste en une activité autre que celle de prester des services de restaurant et de traiteur (catering). Il ne s'agit dès lors pas d'une distinction arbitraire.

L'exception de ne pas se doter d’un SCE pour une entreprise ayant un restaurant d'entreprise n'est pas non plus arbitraire puisque l'activité principale ne concerne ni l’exploitation d’un restaurant ou ni de prester les services d’un traiteur (catering). Cette exception s'applique également aux exploitants de café qui ne vendent que des boissons et des snacks préemballés car ils ne fournissent pas les services d’un restaurant ou d’un traiteur. De plus, ils ne peuvent pas bénéficier de la réduction de la TVA de 21% à 12%. Enfin, la distinction entre les établissements où les repas sont à emporter et ceux où les repas sont consommés sur place est également justifiée.

La demande de l’assujettie est déclarée non fondée.

Texte du jugement

Le jugement est publié uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

Rechtbank van eerste aanleg LIMBURG, Afdeling Hasselt, sectie burgerlijk, 11A-kamer, 3 december 2020

Eindvonnis

Rol: 19/887/A

INZAKE:

M. BVBA, met zetel te ..., ondernemingsnummer 0894.... - eiseres - Tijdens de zitting vertegenwoordigd door Mr. ..., advocaat te ...

tegen:

DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, met ondernemingsnummer 0252.796.351, in de persoon van de Minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de adviseur-generaal centrumdirecteur van het KMO Centrum Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43, postbus 106. - verweerder - Tijdens de zitting vertegenwoordigd door zijn gevolmachtigde mevrouw X, adviseur bij een fiscaal bestuur, verbonden aan de afdeling expertise van het KMO-Centrum Hasselt.

1. PROCEDURE

De zaak werd ingeleid via een verzoekschrift op tegenspraak in fiscale zaken neergelegd op 16 mei 2019, met daarbij een afschrift van het proces-verbaal van 8 december 2017.

Met toepassing van artikel 747 Gerechtelijk Wetboek werden conclusietermijnen bepaald en een pleitdatum vastgelegd.

Beide partijen hebben conclusies neergelegd en een bundel met overtuigingsstukken neergelegd.

De zaak werd behandeld op de openbare zitting van 5 november 2020 waarop de advocaat van eiseres en de gevolmachtigde van verweerder hebben gepleit.

De Wet van 15 juni 1935 inzake het gebruik van talen in gerechtszaken - in het bijzonder de artikelen 2, 30 tot en met 37 en 41 - werd nageleefd.

ll. SAMENVATTING VAN DE FEITEN

Eiseres M. baatte twee restaurants uit in Hasselt. Op 8 november 2017 voerde de fiscale administratie een controle uit bij M.. Er werd vastgesteld dat in restaurant Orangerie een Geregistreerd KassaSysteem (GSK, ook "witte kassa" genoemd) aanwezig was, maar dat dit systeem niet in werking was. De zaakvoerster van M. verklaarde dat ook het GSK in restaurant El Portal niet aangesloten was.

In een proces-verbaal van 8 december 2017 werd aan M. een boete opgelegd van 3.000,00 euro.

III. DE VORDERINGEN

Eiseres M. vraagt om:

- het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- het proces-verbaal d.d. 8 december 2017 nietig te verklaren;

- de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op gror:id van dit proces-verbaal werden geïnd, verhoogd met wettelijke intresten;

- de Belgische staat te veroordelen tot de kosten van het geding.

Verweerder de Belgische staat vraagt om:

- het verzoekschrift ontvankelijk maar ongegrond te verklaren;

- M. in haar eisen af te wijzen en de opgelegde boete van 3.000,00 euro te bevestigen;

- voor recht te zeggen dat artikel 21bis van het Koninklijk Besluit nr. 1 van 29 d_ecember 1992 niet strijdig is met het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel;

- M. te veroordelen tot de kosten van he·t geding.

IV. BEOORDELING DOOR DE RECHTBANK

A. Ontvankelijkheid

De ontvankelijkheid van de vordering van M. wordt niet betwist.

De rechtbank bemerkt geen gronden van onontvankelijkheid die zij zelf moet opwerpen. De vordering is ontvankelijk.

B. Grond van de zaak

Het Koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde bepaalt in artikel 21bis §1 het volgende:

De exploitant van een inrichting waar maaltijden worden verbruikt alsmede de traiteur die cateringdiensten verricht, zijn gehouden aan de belastingplichtige of niet­ belastingplichtige klant het kasticket uit te reiken bedoeld in het koninklijk besluit van 30 december 2009 tot het bepalen van de definitie en de voorwaarden waaraan een geregistreerd kassasysteem in de horecasector moet voldoen, voor alle handelingen die zij in de uitoefening van de economische activiteit verrichten en die verband houden met het verstrekken van maaltijden en dranken, al dan niet verschaft bij de maaltijd, met inbegrip van alle verkopen van spijzen en dranken in voormelde inrichting, wanneer de jaaromzet, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, met betrekking tot de restaurant- en cateringdiensten, met uitsluiting van de diensten die bestaan uit het verschaffen van dranken, meer bedraagt dan 25.000 euro.

Wanneer de exploitant beschikt over meerdere inrichtingen waar maaltijden worden verbruikt, worden de voorwaarden bedoeld in het eerste lid per inrichting beoordeeld.

Dit kasticket wordt uitgereikt op het tijdstip van de voltooiing van de dienst of van de levering van de goederen en bevat onder meer de in artikel 2, punt 4, van voornoemd koninklijk besluit voorziene vermeldingen.

De verplichting tot uitreiking van dit kasticket eindigt op het tijdstip waarop de belastingplichtige zijn in het eerst lid bedoelde activiteit die bestaat uit het verrichten van restaurant- en cateringdiensten, definitief stopzet.

Zijn niet gehouden tot de uitreiking aan de klant van het in het eerste lid bedoelde kasticket:

1 ° de belastingplichtige die aan een eindconsument restaurant- en cateringdiensten verstrekt waarbij hij voor de totaliteit van zijn activiteit als verrichter van restaurant- en cateringdiensten een beroep doet op een onderaannemer die gehouden is het kasticket uit te reiken, op voorwaarde dat de belastingplichtige op geen enkele manier tussenkomt bij de voorbereiding van de maaltijden noch bij de aankoop van niet bereide voedingsmiddelen;

2° de belastingplichtige die gemeubeld logies verschaft als bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 10°, van het Wetboek ten aanzien van het verschaffen van spijzen en dranken, voor zover deze worden opgenomen in de globale hotelrekening aan de gasten die er verblijven;

3° de belastingplichtige die een bedrijfsrestaurant uitbaat wanneer de volgende voorwaarden zijn vervuld :

a) de onderneming oefent een andere activiteit uit dan een activiteit met betrekking tot restaurant- en cateringdiensten;

b) het bedrijfsrestaurant is slechts toegankelijk voor personeelsleden van de onderneming en voor het personeel van een verbonden onderneming;

c) het bedrijfsrestaurant is slechts toegankelijk tijdens de werkuren van de onderneming.

Volgens eiseres is deze bepaling· (en meer in het algemeen de regeling van de GSK's) in strijd met het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel.

Uit artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet volgt dat alle belastingplichtigen die zich in eenzelfde toestand bevinden op dezelfde wijze moeten worden behandeld en belast. Dit verhindert echter niet dat bepaalde categorieën van personen fiscaal op een verschillende manier worden behandeld, op voorwaarde dat daarvoor een deugdelijke verantwoording bestaat. Die verantwoording moet onder meer voldoende in verband staan met de aard en het doel van de belastingheffing en moet worden getoetst aan de redelijkheid van de verhouding tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.

Het gelijkheidsbeginsel verbiedt anderzijds dat categorieën van personen die in situaties verkeren die, vanuit het oogpunt van de bedoelde maatregel, wezenlijk van elkaar verschillen, op dezelfde wijze worden behandeld zonder dat daarvoor een redelijke grond voorhanden is. Indien de toepassing van de belasting leidt tot de gelijke behandeling van belastingschuldigen die zich niet in een vergelijkbare toestand bevinden, is het gelijkheidsbeginsel dus niet geschonden indien de gelijke behandeling berust op een objectief criterium en redelijk verantwoord is (vergelijk Cass. 10 december 2009, F.08.0020.N).

Bij de toetsing aan het gelijkheidsbeginsel moet dus worden nagegaan of de ingestelde ongelijkheid objectief is verantwoord en kennelijk en redelijkerwijze relevant is, gelet op de aard en het doel van de belasting. Daarbij is het de rechter niet toegestaan de wenselijkheid of de opportuniteit van een belasting te beoordelen.

Voor wat betreft het evenredigheidsbeginsel is er maar een schending wanneer de belastingregeling de redelijkheid te buiten gaat en voor de betrokkenen een onevenredig groot nadeel veroorzaakt.

De rechtbank verwijst vooreerst naar de diverse beroepen tot vernietiging gericht tegen de regeling van het GSK. Deze beroepen werden afgewezen door de Raad van State (RvSt 17 januari 2019, nr. 243.414; RvSt 17 januari 2019, nr. 243.415 en RvSt 17 januari 2019, nr. 243.416).

De rechtbank sluit zich aan bij het oordeel van de Raad van State dat er geen schending is van het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.

De rechtbank is net als de Raad van State van oordeel dat het een feit van algemene bekendheid is dat de horeca een fiscaal fraudegevoelige sector is (of dat minstens was voorafgaand aan de invoering van de "witte kassa") Om de winstmarge op peil te houden en tegelijkertijd de toename van de loonkost in te perken, zagen vele horecazaken zich genoodzaakt om hun toevlucht te nemen tot zwartwerk (vergelijk Pari. St. Kamer, 2014-2015, nr. 54-1297/1, p. 4-5). Door maatregelen te nemen die een fraudegevoelige sector viseren, wordt de doelstelling van de juiste heffing en fraudebestrijding bewerkstelligd. Deze bezorgdheid op zich volstaat om het onderscheid in behandeling te verantwoorden.

Rekening houdend met de doelstelling van het bestrijden van fraude, is de invoering van ·het GSK niet disproportioneel en is er geen schending van het evenredigheidsbeginsel. Bovendien heeft de wetgever begeleidende maatregelen ingevoerd zoals onder meer een lastenverlaging van 21% naar 12%, de creatie van flexi-jobs en de verruiming van het aantal goedkope overuren. Er is geen aangetoond onevenwicht tussen de genomen maatregel en het beoogde doel.

Dat er in andere sectoren mogelijk ook fraude wordt gepleegd, verandert daar niets. Bovendien moet rekening gehouden worden met het legaliteitsbeginsel, waar uit volgt dat niemand zich kan beroepen op een onrechtmatig (fiscaal) gedrag van iemand anders.

Dat laatste betekent meteen ook dat M. zich niet kan beroepen op eventuele zwakheden in het systeem of mogelijkheden om het systeem te omzeilen. Dat er in de toekomst eventueel aangewezen is om de concrete toepassing van het systeem nog te verstrengen en/of mogelijke zwakheden uit het systeem te verwijderen, verandert niets aan het feit dat het huidige systeem evenredig is met het beoogde doel.

Het risico op ontwijking belet bovendien niet dat de overheid een afweging mag maken tussen de "Voor- en nadelen van een veralgemeende invoering van het verplichte kassasysteem. De overheid beschikt hierbij over de nodige appreciatiemarge. Bovendien kan de overheid controleren of degenen die niet onder het systeem vallen, geen misbruik maken.·

De rechtbank is van oordeel dat de uitzondering voor de belastingplichtige die gemeubelde logies verschaft, verantwoord is. De hoofdactiviteit van een dergelijke belastingplichtige bestaat immers in een andere activiteit dan restaurant en catering-diensten. Dit is geen willekeurig onderscheid. Bovendien werd als voorwaarde gesteld dat het verschaffen van spijzen en dranken wordt opgenomen in de globale hotelrekening aan de gasten die er verblijven.

Ook de hoofdactiviteit van een bedrijf dat een bedrijfsrestaurant heeft, is niet restaurant- en cateringdiensten. En bovendien werd ook deze uitzondering aan voorwaarden gekoppeld. Ook deze uitzondering is dus verantwoord.

Voor wat de caféhouders die alleen drank en voorverpakte snacks verkopen geldt eveneens dat zij geen restaurant- en cateringdiensten verstrekken. En bovendien kunnen zij niet genieten van de btw-verlaging van 21 naar 12%. Ook het onderscheid met deze caféhouders is dus verantwoord.

Ook zaken waar men maaltijden enkel kan afhalen en niet ter plaatse verbruiken, zijn te onderscheiden van zaken waar men dat wel kan doen (en waar er een andere manier van bediening is). Dit is geen willekeurig onderscheid.

De vordering van M. is dus ongegrond.

V. KOSTEN VAN DE PROCEDURE

M. werd in het ongelijk gesteld en moet de kosten van de procedure betalen.

Dispositif

BESLISSING

De rechtbank beslist in eerste aanleg en op tegenspraak.

De rechtbank verklaart de vordering van M. ontvankelijk maar ongegrond.

De rechtbank veroordeelt M. tot betaling van de kosten van de procedure, door de rechtbank voor verweerder vereffend op nul euro.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de. 11A-kamer, in het gerechtshof te Hasselt, op 3 DECEMBER 2020 alwaar zetelden:

De heer R. MOMMEYER, alleenzetelend rechter, Mevrouw G. BRUSSELAERS, griffier.

Textes cités

1
AR no 1 art. 21bis4 occurrences

Décisions similaires

8