Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
En-tête de la décision
Arrêt de la Cour d'appel de Gand dd. 25.03.2008, Cause 2004/AR/2684
Subvention de beurre
La tva n'est pas due
Corps de la décision
Hof van beroep te Gent
5e kamer
__________________________________________
terechtzitting van 25-03-2008
BELASTINGEN
Nr.2004/AR/2684
in de zaak van :
DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van de Federale Overheidsdienst Financiën te ..., in de persoon van de Rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Brugge, wiens kantoren gevestigd zijn te ...,
appellant,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. V. D. P. J., advocaat te ...
tegen:
B. M. N.V.,
met maatschappelijke zetel te ... en met administratieve zetel te ...; ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer ...,
geïntimeerde,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. M. C. loco mr. D. B. M., advocaat te ...
spreekt het Hof het volgend arrest uit:
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 29 oktober 2004 werd door de appellant tijdig en regelmatig hoger beroep ingesteld tegen het vonnis uitgesproken op 5 april 2004 door de vierde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, waarbij het verzet van de geïntimeerde tegen het dwangbevel uitgevaardigd door D. L. B., eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Brugge op 5 december 2002, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 9 december 2002 door J. S., eerstaanwezend inspecteur te Knokke-Heist, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Brugge en ter kennis gebracht op 10 december 2002, werd ingewilligd.
Het hoger beroep strekt er toe het bestreden vonnis te doen vernietigen en opnieuw recht doende de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde af te wijzen, dit alles met veroordeling van de geïntimeerde in de kosten van de beide aanleggen en derhalve te zeggen voor recht dat de in het dwangbevel vermelde sommen verschuldigd zijn.
De geïntimeerde vordert het hoger beroep af te wijzen als ongegrond en vordert de bevestiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van de appellant in de kosten van het hoger beroep.
Feitelijke gegevens
De geïntimeerde had bij toepassing van artikel 4 W.BTW de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige wegens de geregelde en zelfstandige uitbating van een groothandel in zuivel. Sinds het jaar 2000 moet dit bedrijf als een overslagbedrijf worden aangemerkt.
Naar aanleiding van een controle inzake de toepassing van de BTW-wetgeving specifiek met betrekking tot het aan de BTW onderwerpen van subsidies voor boter en boterconcentraat, uitbetaald door het Belgische Interventie- en Restitutiebureau (hierna genoemd BIRB) is vastgesteld dat voor een aantal bedragen aan subsidies, die verband houden met de gevraagde prijs voor de verkochte boter, niet aan de BTW werden onderworpen.
In de Europese Gemeenschap zijn er aanzienlijke boteroverschotten. In de EG-Verordening nr. 2571/97 werd in twee verschillende afzetmaatregelen voorzien enerzijds de verkoop van interventieboter tegen de verlaagde prijs, hetzij de toekenning van steun voor het gebruik van room, marktboter en boterconcentraat. Het is voor deze laatste steunmaatregel dat de geïntimeerde in aanmerking kwam. Volgens de geïntimeerde hebben de toegekende exploitatiesubsidies slechts een indirecte band met de prijs zodat dit onvoldoende is om de subsidies belastbaar te maken.
De subsidies moeten worden aangevraagd conform de toepasselijke reglementering. Het gevraagde steunbedrag bedroeg 91 EUR per 100 kg voor de verwerking van 20.000 kg boter met een vetgehalte van -82 %. De door de geïntimeerde gevraagde steun wed door de Commissie positief onthaald. Het steuncontract voorzag in een steun van 91 EUR/ton voor 20.000 ton boter, waarbij de limietdatum voor de verwerking in eindproducten werd bepaald op 30 september 1999. Nadat door de geïntimeerde de boter werd verkocht en nadat er controle gebeurde op de verwerking van de eindproducten bij de firma "D. S. B." werd er een attest van eindbestemming opgeteld en gebeurde de uitbetaling van de subsidies.
Aangezien de geïntimeerde van het B.I.R.B. subsidies ontving zou de aangerekende prijs van de klant verminderd worden met het bedrag aan ontvangen subsidie per kilogram. Deze subsidies zouden rechtstreeks verband houden met de gevraagde eindprijs en aan de BTW worden onderworpen ingevolge artikel 26 W.BTW.
Uit dien hoofde zou de geïntimeerde nog 20.016,63 EUR verschuldigd zijn, meer een proportionele fiscale geldboete begroot op 2.000 EUR, meer de in artikel 91, §1 BTW-wetboek bedoelde intrest te rekenen vanaf 21 januari 2000. De vastgestelde overtredingen werden opgenomen in het proces-verbaal van 3 december 2002.
Bij gebrek aan vrijwillige betaling werd een dwangbevel uitgevaardigd, geviseerd en uitvoerbaar verklaard en ter kennis gebracht van de geïntimeerde. Bij dagvaarding van 18 maart 2003 heeft de geïntimeerde tegen dit dwangbevel verzet aangetekend.
De eerste rechter oordeelde dat een proces-verbaal dat niet op een nauwkeurige en omstandige wijze de vaststellingen weergeeft die de gevolgtrekkingen van de administratie ondersteunen geen rechtsgeldig proces-verbaal is dat kan dienen als basis voor het bestreden dwangbevel. Derhalve werd het bestreden dwangbevel vernietigd.
In zijn akte hoger beroep zet de appellant uiteen dat de bijzondere bewijskracht van het proces-verbaal zich uitstrekt tot alle handelingen die de verbalisant verklaart gesteld te hebben en alle feiten waarvan hij getuige is geweest. Anderzijds geldt de bewijskracht van het proces-verbaal niet voor de gevolgtrekkingen die de verbalisant uit de vaststellingen afleidt. Nog steeds volgens de appellant is er een direct verband tussen de door de consument betaalde prijs en de uitgekeerde subsidie. De maatstaf van heffing wordt bepaald door artikel 26 W.BTW waarvan de ontvangen sommen deel uitmaken.
Beoordeling
De eerste rechter oordeelde dat het proces-verbaal niet op een nauwkeurige en omstandige wijze de vaststellingen weergeeft die de gevolgtrekkingen van de administratie ondersteunen. Volgens de eerste rechter is dit geen rechtsgeldig proces-verbaal dat als basis kan dienen voor het uitgevaardigde dwangbevel. In die omstandigheden diende het dwangbevel te worden vernietigd, aldus de eerste rechter.
De appellant voert aan dat het proces-verbaal volkomen rechtsgeldig is. De naam van de verbalisant wordt vermeld, het voorwerp van de controle wordt nader uitgeschreven, op een objectieve wijze wordt vermeld gedurende welke periode welbepaalde sommen als subsidie werden uitbetaald in het kader van een welbepaald programma en de geïntimeerde werd geïnformeerd omtrent het feit dat deze subsidies rechtstreeks verband houden met de gevraagde eindprijs zoals bedoeld in art. 26 W.BTW.
De geïntimeerde benadrukt dat de bewijswaarde van een proces-verbaal enkel wordt verbonden aan de door de verbalisanten gedane materiële vaststellingen terwijl de gegevens die niet door de verbalisanten werden vastgesteld onderworpen blijven aan de gewone bewijsregels. De bewijswaarde van een proces-verbaal kan evenmin uitgebreid worden tot de gevolgtrekkingen die de administratie afleidt uit de vaststellingen die ze heeft gedaan.
Het stond de eerste rechter geheel vrij de bewijswaarde van de gevolgtrekkingen van het proces-verbaal van 3 december 2002 te beoordelen. Diens interpretatie tast de rechtsgeldigheid van het proces-verbaal niet aan, doch kan op het vlak van de besluitvorming doorslaggevend zijn. Niettemin moet samen met de geïntimeerde worden aanvaard dat de zinsnede " de aangerekende prijs aan de klant werd verminderd met het bedrag aan ontvangen subsidie per kilogram" geen loutere materiële vaststelling is maar wel een gevolgtrekking. Over het bedrag aan ontvangen subsidies per kilogram worden er geen feitelijke argumenten bijgebracht. M.a.w. uit de loutere vaststelling dat er subsidies werden uitgekeerd, werd door de verbalisanten afgeleid dat deze verband houden met de gevraagde eindprijs en aldus onderworpen zijn aan artikel 26 W.BTW. Ook het Hof zal deze clausule moeten toetsen.
Verder moet de geldigheid van het dwangbevel worden onderzocht. Er is geen betwisting tussen de partijen dat het dwangbevel de juridische en feitelijke overwegingen moeten vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Dit houdt een verwijzing in naar de feiten die geleid hebben tot de beslissing, de rechtsregels die van toepassing zijn en waarom. M.a.w. de motiveringsverplichting heeft aldus tot voorwerp de bestuurde alle informatie te verschaffen om desgewenst de bestuurshandeling aan te vechten. Op dat vlak werden de rechten van de geïntimeerde niet geschonden zodat het dwangbevel overeind blijft.
Zoals reeds gesteld wordt de bijzondere bewijskracht van het proces-verbaal beperkt of ontkracht door het tegendeel te bewijzen.
Een nader onderzoek van artikel 26 W.BTW dringt zich op. Naast de definitie dat de maatstaf van heffing gelijk is aan alles wat men als tegenprestatie voor de levering of dienst moet verkrijgen bepaalt artikel 26 W.BTW dat ook subsidies die rechtstreeks met de prijs van de handeling verband houden behoren tot de maatstaf van heffing.
Rond dit punt is de rechtspraak van het Hof van Justitie bepalend. Enige verduidelijking kwam tot stand over het begrip "rechtstreeks verband houden met prijs van handelingen". Geoordeeld werd dat het begrip enkel betrekking heeft op subsidies die volledig of gedeeltelijk een tegenprestatie vormen voor de goederen levering of de dienstverrichting die door een derde aan de verkoper of dienstverrichter wordt betaald (H.v.J., 22 november 2001, zaak C-184/00, office des produits wallons, T.F.R., 2003, 191, noot I. Berhaeghe en I. Huybrechts).
De appellant voert in dit verband aan dat wanneer de koper een lagere prijs dan de normale marktprijs moet betalen en de verkoper (huidige geïntimeerde) een aanvullend bedrag ontvangt als subsidie in functie van de verkochte hoeveelheid, er een duidelijk verband is tussen de betaalde prijs en de uitgekeerde subsidies voor de verkochte goederen.
Subsidies behoren tot de maatstaf van heffing wanneer deze de tegenprestatie of een deel van de tegenprestatie voor de levering of de dienstverrichting vormen (zie Com.BTW, nr. 26/180) die door een derde aan de verkoper of dienstverrichter worden betaald. Daaromtrent oordeelt de feitenrechter soeverein. Derhalve moet worden onderzocht of de subsidie al dan niet een tegenprestatie vormt.
Om te kunnen spreken over een subsidie die rechtstreeks met de prijs van de betrokken handeling verband houdt (1) moet de subsidie aan de gesubsidieerde marktdeelnemer worden betaald om een bepaald goed te leveren of om een bepaalde dienst te verrichten. Verder moet worden nagegaan of (2) de kopers van de goederen of de ontvangers van de dienst voordeel halen uit de aan de begunstigde toegekende subsidie. Vervolgens moet (3) de door de subsidie vertegenwoordigde tegenprestatie op zijn minst bepaalbaar zijn (H.v.J., 13 juni 2002, zaak C-353/00, inzake K. N. W. Ltd.).
Uit de feitelijke gegevens hierboven weergegeven blijkt dat de uitbetaling van de subsidie ontstaat bij de uiteindelijke verwerking van de boter in eindproducten door de koper. Aangezien het recht op betaling van de subsidie niet ontstond op het ogenblik van de verkoop door de geïntimeerde vormt de subsidie geen tegenprestatie voor de verkoop van boter door de geïntimeerde.
De Belgische Staat weerlegt niet dat de subsidies globaal werden gestort ter dekking van het geheel van de werkingskosten. Een deel van de steun gaat verloren aan verwerkingskosten zoals verpakking, de handelsmarge, de extra uitgaven om subsidies te bekomen, deelname inschrijvingsformulier en de financiering van de inschrijvingsprocedures en de financiering van de inschrijvings- en verwerkingszekerheden.
Tenslotte is er geen verband tussen de prijsvermindering en de subsidie. De toegekende subsidie waardoor de aangerekende prijs aan de klant verminderd werd met het bedrag aan ontvangen subsidie per kg blijkt niet uit de stukken. De geïntimeerde heeft uitgaande van de boterstatistieken en de maandelijkse marktoverzichten, het steunbedrag en de aangerekende verkoopprijs aangetoond dat er geen verband is tussen de toegekende subsidie ad 910 EUR per ton en het verschil tussen de normale marktprijs voor boter en de aangerekende verkoopprijs, dat 311,35 EUR bedroeg.
Samengevat is er geen rechtstreeks verband tussen de subsidies en de gevraagde eindprijs. Bovendien vormt de subsidie geen tegenprestatie of een element van de levering of de dienst, zodat geen BTW verschuldigd is. Derhalve kan het bestreden vonnis worden bevestigd, al is het om andere redenen. Alle verdere argumentatie is dan ook niet langer dienend.
Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft moet rekening gehouden worden met de Wet van 21 april 2007 en het K.B. tot uitvoering van 26 oktober 2007. De waarde van de vordering wordt te dezen bepaald door het totaal van de bedragen vermeld op het dwangbevel. Deze waarde van de vordering situeert zich tussen 20.000,01 en 40.000 EUR zodat het toe te kennen basisbedrag 2.000 EUR bedraagt.
Dispositif
OP DIE GRONDEN,
HET HOF, recht doende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
Verklaart het hoger beroep toelaatbaar doch wijst het af als ongegrond.
Bevestigt derhalve het bestreden vonnis zij het op andere gronden.
Veroordeelt de Belgische Staat tot de kosten van het hoger beroep en begroot deze kosten als volgt:
* aan de zijde van de appellant:
- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep 2.000 EUR
* aan de zijde van de geïntimeerde
- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep 2.000 EUR
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in burgerlijke zaken, op VIJFENTWINTIG MAART TWEEDUIZEND EN ACHT.
Aanwezig de Heren:
A. D. M., Kamervoorzitter, Voorzitter,
G. T. en D. V., Raadsheren,
M. V., griffier.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.