Société de gestion et de détention d'actifs · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 2 juin 2026

Rechercher
Texte en néerlandais

Société de gestion et de détention d'actifsTVA – Société de gestion et de détention d'actifs – Déduction de la TVA – Construction neuve – Taux de TVA

https://juriel.be/fr/jurisprudence/societe-gestion-detention-actifs-deduction-cour-appel-anvers-2026-06-02-c776

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
2 juin 2026

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

133 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la cour d'appel d'Anvers du 02.06.2026 - 2024/AR/447

[ FIN 55060354-01 ]

[ Arrêt favorable ]

TVA – société de gestion et de détention d'actifs – déduction de la TVA – construction neuve – taux de TVA

Texte intégral:

Corps de la décision

Cet arrêt a été publié uniquement dans la langue originale.

Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen d.d. 02.06.2026 - 2024/AR/447

cie1, ON ..., met zetel te ... ..., ...,

Eiseres in hoger beroept,

vertegenwoordigd door mr. GELUYCKENS Stefan, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Léon

Stynenstraat 75 bus C (ref.: 13897)

tegen het vonnis van de AFi4 kamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 27 oktober 2023, gekend onder rolnummer 22/2913/A

tegen

BELGISCHE STAAT -FO0 FINANCIËN, ON ..., in de persoon var de minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de ADVISEUR-GENERAAL-DIRECTEUR VAN HET KMO CENTRUM MECHELEN 767, ON ..., met diensten te 2300 TURNHOUT, Spoorwegstraat 22,

Verweerder in hoger beroep, voor wie verschenen is de heer F.T., fiscaal ambtenaar,

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 27 oktober 2023, betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot op verzoek van de Belgische Staat aan cie1 op 29 februari 2024, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 13 maart 2024, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

1. Voorafgaande feiten en procedure

1.1. Voorwerp van de betwisting.

Het geschil heeft betrekking op de belasting met schuldnummer ..., opgenomen in het innings- en invorderingsregister met nummer 202112NL024, opgemaakt op 28/12/2021 en uitvoerbaar verklaard op 29/12/2021.

1.2. Aanslag en bezwaar.

Eiseres in hoger beroep is een management- en patrimoniumvennootschap met o.a. participaties in cie2 (99,66%). Zij is voor BTW-doeleinden geregistreerd op het adres ..., ... ..., zijnde het adres van haar maatschappelijke zetel.

In de loop van 2021 vond een fiscale controle plaats bij eiseres in hoger beroep aangaande de bouw van een nieuwbouwwoning te ..., ....

Op 24 juni 2021 werd een vraag om inlichtingen verstuurd door de administratie waarbij de aankoopjournalen en de investeringsfacturen inzake de periode van 01/01/2018 tot en met 31/12/2019 werden opgevraagd. Op grond van deze stukken en het antwoord van de boekhouder van eiseres in hoger beroep bleek dat de BTW op de aankoopfacturen met betrekking tot de nieuwbouwwoning te ... volledig in aftrek werd gebracht. De bestemming van het onroerend goed zou gemengd zijn, de woning zou deels dienst doen als kijkwoning en deels als privéwoning.

Op 29 juli 2021 werd een bijkomende vraag om inlichtingen verstuurd waarbij de controleperiode werd uitgebreid tot en met 31 december 2020 en waarbij werd verzocht aan te tonen dat de nieuwbouwwoning (deels) beroepsmatig zou worden aangewend.

In antwoord op deze vraag om inlichtingen werd door de boekhouder van eiseres in hoger beroep aangegeven dat het uiteindelijke doel van de woning een kijkwoning betreft waarbij een nieuw concept van garage met lift aan mogelijke klanten zou worden tentoongesteld. Eiseres in hoger beroep zou hiervoor een commissie ontvangen van cie2, de bedenker en verkoper van het liftsysteem. De BTW werd voorlopig volledig in aftrek gebracht in afwachting van de definitieve bestemming die pas definitief zou kunnen worden vastgesteld bij ingebruikname. Er zou geen privébewoning worden voorzien, het plan zou een privéwoongedeelte aanduiden om te demonstreren, niet om effectief te bewonen. Mocht de zaakvoerder van eiseres in hoger beroep er nadien toch gaan wonen zou dit onmiddellijk geregulariseerd worden.

Er werd vervolgens een plaatsbezoek ingepland dat doorging op 05/10/2021 in aanwezigheid van de zaakvoerder van eiseres in hoger beroep. Toegang tot het gebouw bleek evenwel niet mogelijk, de werf bleek afgesloten te zijn ingevolge een financieel geschil met het bouwbedrijf. De werken waren ook stilgelegd. De administratie had vastgesteld dat de zaakvoerder gedomicilieerd was op het adres van de nieuwbouwwoning. Hierover bevraagd verklaarde de zaakvoerder dat het de bedoeling was om in het pand te gaan wonen. Gelet op de financiële problemen werd tevens overwogen om het gebouw te verkopen.

Op 07/10/2021 werd een proces-verbaal van vaststelling opgesteld.

Op 21/10/2021 werd een correctieopgave overgemaakt aan eiseres in hoger beroep.

Op 03/11/2021 gaf de boekhouder van eiseres in hoger beroep te kennen dat hiermee niet akkoord kon worden gegaan.

Op 18/11/2021 werd een proces-verbaal van regularisatie opgesteld waarin gesteld werd dat de aftrek van BTW met betrekking tot de nieuwbouwwoning niet kon worden toegestaan gezien de aankopen betrekking hadden op de bouw van een privéwoning. Het beroepsgebruik en de intentie daartoe werd niet aangetoond. Tevens werd met betrekking tot een tweetal facturen geen rekening gehouden met de verlegging van heffing. Er werd een bedrag van 198.545,21 euro aan BTW nagevorderd, verhoogd met een boete ten bedrage van 19.850 euro en nalatigheidsinteresten.

Bij gebrek aan betaling werd voor de in het proces-verbaal als verschuldigd opgenomen bedragen een inschrijving gedaan in het innings- en invorderingsregister op 28/12/2021 (registernummer 202112NL024) met schuldnummer ... dat uitvoerbaar werd verklaard op 29/12/2021. Op 06/01/2022 werd een innings- en invorderingsbericht verzonden aan eiseres in hoger beroep.

1.3. Procedure voor de eerste rechter

Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, op 22/07/2022 stelde eiseres in hoger beroep een vordering in rechte in.

Eiseres in hoger beroep vorderde:

•haar vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;

•de bestreden inschrijving in het innings- en invorderingsregister BTW te vernietigen dan wel te ontheffen;

•verweerder in hoger beroep te veroordelen tot de integrale terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden en die toegerekend werden op de sommen vermeld in het innings- en invorderingsregister waarvan de vernietiging wordt gevorderd, te vermeerderen met de interesten ex artikel 91 WBTW;

•verweerder in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op de basisrechtsplegingsvergoeding t.b.v. 7500 euro en de bijdrage aan het Fonds voor juridische tweedelijnsbijstand ten bedrage van 22 euro.

De eerste rechter verklaarde de vordering van eiseres in hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond. Eiseres in hoger beroep werd veroordeeld tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerder in hoger beroep niet begroot en door de rechtbank vereffend op 0 euro.

De rechtbank oordeelde dat de bewijslast van het bestaan van een recht op aftrek bij de belastingplichtige rustte en dat eiseres in hoger beroep faalde in haar bewijslast. De rechtbank stelde vast dat eiseres in hoger beroep tijdens de fiscale controle geen enkel objectief en controleerbaar stuk had voorgelegd waaruit de intentie om belastbare handelingen te stellen bleek. De rechtbank oordeelde dat de stukken die eiseres in hoger beroep bij de syntheseconclusie in eerste aanleg had bijgebracht dateerden van na de fiscale controle en niet afdoende waren om de intentie tot beroepsmatig gebruik aan te tonen.

Wat betreft de facturen die niet in rooster 56 van de BTW-aangifte werden opgenomen oordeelde het hof dat er geen betwisting was over de inbreuk zelf en dat er voor de BTW over deze facturen ook geen recht op aftrek was.

Tenslotte oordeelde de rechtbank dat de proportionele geldboete van 10% rekening houdende met de concrete omstandigheden van huidige zaak gerechtvaardigd en evenredig was met de begane inbreuken. De rechtbank zag ook geen reden om de geldboete kwijt te schelden.

Tegen dit vonnis tekende eiseres in hoger beroep bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 13/03/2024 hoger beroep aar..

1.4. Procedure voor het hof van beroep

Eiseres in hoger beroep vordert:

•het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

het bestreden vonnis te hervormen;

•volgende inschrijving in het innings- en invorderingsregister van de BTW te vernietigen, dan wel te ontheffen:

•de belasting met schuldnummer ..., opgenomen in het innings- en invorderingsregister met nummer 202112NL024, opgemaakt op 28/12/2021 en uitvoerbaar verklaard op 29/12/2021;

•verweerder in hoger beroep te veroordelen tot de integrale terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden en die toegerekend werden op de sommen vermeld in het innings- en invorderingsregister waarvan thans de vernietiging wordt gevorderd, te vermeerderen met interesten ex artikel 91 WBTW;

•verweerder in hoger beroep te verwijzen in de kosten van het geding, begroot aan de zijde van eiseres in hoger beroep op 7.500 euro rechtspiegingsvergoeding in eerste aanleg, 7.500 euro rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep, de bijdrage aan het begrotingsfonds in eerste aanleg van 22 euro en de bijdrage aan het begrotingsfonds in hoger beroep van 24 euro.

Verweerder in hoger beroep besluit tot de ontvankelijkheid doch ongegrondheid van het hoger beroep en vordert het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn beschikkingen en het bestreden innings- en invorderingsregister te bevestigen en eiseres in hoger beroep tot de kosten van beide aanleggen te veroordelen.

Ter zitting van 20/10/2025 waren partijen het eens, de Belgische Staat fouter defensief, dat de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep dient begroot te worden op 7.848,84 euro.

2. Bespreking

2.1 Aftrek BTW

De BTW op de aankoopfacturen die betrekking hebben op de nieuwbouw (en voorafgaande afbraak van het vorige pand), gelegen te ... te ..., werd door eiseres in hoger beroep voor 100% in aftrek gebracht.

De belastingadministratie heeft desbetreffend inbreuken op de aftrekregeling vastgesteld (artikel 45 §1 WBTW). De Belgische Staat stelt dat er niet wordt aangetoond op basis van objectieve gegevens dat aan de voorwaarden van artikel 45 §1 WBTW voldaan is. De loutere bewering dat er op een later tijdstip beroepsgebruik zou zijn, is volgens de belastingadministratie onvoldoende.

Op grond van artikel 45 §1 WBTW, zoals van toepassing op onderhavig geschil, mag elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is, de belasting in aftrek brengen geheven van de aan hem geleverde goederen en diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van:

1° belaste handelingen;

2° handelingen vrijgesteld van belasting krachtens de artikelen 39 tot 42;

3" handelingen in het buitenland, waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in het binnenland zouden plaatsvinden;

4° handelingen bedoeld in artikel 44 §3, 4' tot 10°, telkens wanneer de medecontractant buiten de Gemeenschap is gevestigd, of genoemde handelingen, volgens door of vanwege de minister van Financiën te bepalen voorwaarden, rechtstreeks samenhangen met goederen die bestemd zijn om te worden uitgevoerd naar een land buiten de Gemeenschap;

5° diensten als makelaar of lasthebber bij in 4° bedoelde handelingen.

Artikel 45 § lquinquies WBTW, zoals van toepassing op onderhavig geschil, bepaalt:

Ten aanzien van de uit hun aard onroerende goederen en de andere bedrijfsmiddelen en diensten die op grond van artikel 48, § 2 aan de herziening zijn onderworpen en behoren tot het vermogen van de onderneming van de belastingplichtige, en die zowel voor de doeleinden van zijn economische activiteit als voor zijn privédoeleinden of voor de privédoeleinden van zijn personeel of, meer algemeen, voor andere doeleinden dan deze van zijn economische activiteit worden gebruikt, mag de belastingplichtige de belasting geheven van de goederen en de diensten met betrekking tot die goederen slechts tot beloop van het gebruik voor de doeleinden van zijn economische activiteit in aftrek brengen.

Eiseres in hoger beroep die de BTW op de kwestieuze aankoopfacturen voor 100% in aftrek heeft gebracht, dient te bewijzen dat het onroerende goed daadwerkelijk bestemd is voor de uitoefening var de economische activiteit.

Het recht op aftrek is afhankelijk van de bestemming die de belastingplichtige aan de ontvangen goederen of diensten geeft.

Het Hof van Justitie in de zaken "Rompelman" (HvJ nr. 268/83, 14 februari 1985) en "INZO" (HvJ nr. C-110/94, 29 februari 1996) heeft beslist dat de administratie bij de beoordeling van de aanvang van de btw-belastingplicht "in dat verband rekening moet houden met het kenbaar gemaakte voornemen van de onderneming", waarbij mag worden vereist dat het "kenbaar gemaakte voornemen om een aanvang te maken met economische activiteiten die aanleiding geven tot belastbare handelingen, door objectieve gegevens wordt ondersteund". Bij gebrek aan voorafgaande btw-registratie moet minstens voldaan zijn aan de voorwaarde "dat het gevraagde recht op aftrek betrekking heeft op handelingen die onmiskenbaar ter voorbereiding zijn van de uitoefening van een economische activiteit".

In het arrest Gabalfrisa (HvJ 21 maart 2000, gevoegde zaken C-110/98 tot C-147/98) besliste het Hof van Justitie dat het recht op aftrek van voorbelasting niet mag worden beperkt door het opleggen van diverse voorwaarden. In het arrest Inzo (HvJ 29 februari 1996, zaak C­110/94) besliste het Hof: "Net beginsel van de neutraliteit van de btw ten aanzien van de fiscale belasting van de ondernemer vereist (...) dat de eerste investeringsuitgaven die worden gedaan ten behoeve en ter verwezenlijking van een onderneming, als economische activiteiten worden aangemerkt" en dat "het (...) in strijd (zou) zijn met dat beginsel indien die activiteiten werden geacht eerst een aanvang te nemen (...) wanneer de belastbare inkomsten ontstaan".

De hoedanigheid van belastingplichtige wordt aldus verkregen op grond van een feitelijke toestand.

Wanneer een persoon aldus op ondubbelzinnige wijze kan aantonen dat deze het voornemen heeft een economische activiteit te ontwikkelen, kan deze in principe aanspraak maken op het recht op btw-aftrek (HvJ 14.02.1985, C-268/83, Rompelman, r.o.24, www.curia.europa.eu.)

In het kader van de BTW volgt uit de toepasselijke wetgeving dat de bewijslast bij eiseres in hoger beroep ligt.

Te dezen blijkt echter niet ondubbelzinnig dat eiseres in hoger beroep de bedoeling had om het onroerend goed voor 100% te bestemmen voor haar (voorgenomen) economische activiteit.

Het hof stelt vast dat tijdens de fiscale controle (mail met vraag om inlichtingen d.d. 24/06/2021 en d.d. 29/07/2021 en controle ter plaatse op 05/10/2021) er geen enkel objectief of controleerbaar stuk kon voorgelegd worden waaruit de intentie om het onroerend goed voor 100% te bestemmen voor haar economische activiteit blijkt.

Uit de bouwvergunning en de bouwplannen kon er geen 100% beroepsgebruik van de woning afgeleid worden. Uit de verklaring van de zaakvoerder van eiseres in hoger beroep tijdens de controle blijkt dat het de bedoeling was om zich daar te domiciliëren, wat wijst op een (minstens gedeeltelijk) privégebruik van het onroerend goed. De zaakvoerder bleek sedert 2 maart 2021 tot 23 september 2021 daar ook effectief gedomicilieerd te zijn. Tevens verklaarde de zaakvoerder dat overwogen werd de woning te verkopen gelet op de financiële problemen van de vennootschap.

Dat de woning zou gebruikt worden als 'kijkwoning' voor de garage met lift blijkt uit geen enkel objectief gegeven. Er konden tijdens de controle geen contracten voorgelegd worden afgesloten tussen eiseres in hoger beroep en cie2, noch een contract voorgelegd worden met de architect met betrekking tot de bouw van een kijkgarage. Eiseres in hoger beroep kon niet toelichten hoe een dergelijke bezichtiging dan concreet zou georganiseerd worden. Eiseres in hoger beroep kwam niet verder dan louter beweringen.

Dat er in 2019 door eiseres in hoger beroep reeds een bestelling geplaatst werd voor de goederenlift Omer en de personenlift van Hidral en er op een foto een put te zien is voor de woning die zou gemaakt zijn om de voertuiglift te plaatsen toont op zich de intentie niet aan om de woning te gebruiken als 'kijkwoning'. Dergelijk liften kunnen perfect aangekocht worden om gebruikt te worden in een woning die zich volledig leent tot privébewoning.

De stukken die tijdens de gerechtelijke fase worden voorgelegd dateren aller van na de start van de controle en dienen met de nodige omzichtigheid benaderd te worden.

Het jaarverslag van de raad van bestuur, waarin sprake is van de bouw van de woning en het optreden van eiseres in hoger beroep als commissionair bij de verkoop van nieuwe

liftsystemen en van parkingsystemen dateert van 18/04/2022. De

samenwerkingsovereenkomst tussen eiseres in hoger beroep en cie2 dateert van 07/02/2022. In deze overeenkomst wordt gesteld dat cie2 in het nieuw op te richten bedrijfsgebouw van eiseres in hoger beroep te ... 1 lift van het merk "Omer" en 1 lift van het merk Hidral zal leveren. In deze overeenkomst wordt er melding gemaakt van het openstellen van het gebouw voor de bezichtiging, demonstratie en verkoop van het lift- en parkingsysteem van cie2. Als tegenprestaties wordt een commissie van 10% voorzien op de verkoopwaarde van elke lift- en parkingsysteem, verkocht ingevolge een bezoek met demonstratie in het gebouw van eiseres in hoger beroep.

Om de aanvoering te ondersteunen dat de activiteiten op het gebied van liften en parkeersystemen bij eiseres in hoger beroep werden ondergebracht wordt verwezen naar stukken die allen dateren van 2025 (betreffende de registratie van de domeinnaam en het onderhoud gepleegd aan de website van eiseres in hoger beroep, het aannemen van twee productmanagers, offertes uitgereikt aan klanten, aankoopfacturen liften).

Uit deze voorgelegde stukken, die door eiseres in hoger beroep zelf werden opgesteld, blijkt geenszins dat deze voorgehouden intentie tot volledig beroepsmatig gebruik als `kijkwoning' reeds bestond op het ogenblik van de eerste investeringsuitgaven (voorwerp van onderhavige procedure periode 01/01/2018 tot en met 31/12/2020).

Dit alles wijst niet op een op dat moment bestaande intentie tot gebruik van de woning (voor 100%) in het kader van de economische activiteit, integendeel.

Eiseres in hoger beroep komt niet verder dan loutere beweringen.

Eiseres in hoger beroep faalt in de op haar berustende bewijslast.

Gelet op voorgaande wijst het hof de overige argumenten af als niet ter zake dienend en/of overbodig.

2.2 Verlegging van heffing

Tijdens de fiscale controle is gebleken dat twee facturen die met verlegging van heffing werden gefactureerd door de leveranciers, door eiseres in hoger beroep niet werden opgenomen in het rooster 56 en de erop verschuldigde BTW niet werd voldaan. De BTW, zijnde een bedrag van 38.663,57 euro, werd nagevorderd.

Het hof stelt samen met de eerste rechter vast dat eiseres in hoger beroep op zich niet betwist dat de betreffende facturen hadden moeten worden opgenomen in rooster 56 van de BTW-aangifte. Eiseres in hoger beroep voert aldus geen betwisting over de inbreuk zelf.

Eiseres in hoger beroep stelt evenwel dat aan haar een recht op aftrek moet toegestaan worden voor hetzelfde bedrag.

De facturen hebben betrekking op werken in onroerende staat met betrekking tot de nieuwbouwwoning waarvan het hof hoger onder 2.1 heeft geoordeeld dat de intentie tot beroepsmatige aanwending van het onroerend goed niet wordt aangetoond. Voor de BTW over de betreffende facturen is er dan ook geen recht op aftrek bewezen door eiseres in hoger beroep.

2,3 De geldboete

Te dezen werd een geldboete opgelegd van 10% (art. 70 §1 en §1 bis WBTW) en verminderd overeenkomstig art. 84, derde alinea WBTW, art. 1 KB nr.41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde en overeenkomstig tabel A tem J van de bijlage bij dit besluit.

De belastingplichtige kan een beroep doen op het zogenaamde 'genaderecht' om een kwijtschelding of vermindering van de opgelegde BTW-boete te bekomen (art. 9 Regentbesluit van 8 maart 1831).

De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve geldboete, die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6.1 EVRM, te toetsen, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.

Het bij artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter en het daaruit voortvloeiend beginsel dat een administratieve sanctie met een repressief karakter in de zin van artikel 6.1 EVRM ter controle moet kunnen worden voorgelegd aan een rechter met volle rechtsmacht, houdt niet in dat de rechter de administratieve geldboete kan verminderen tot beneden het wettelijk minimum of tot beneden het door de wet opgelegde vaste boetetarief.

Aan de vereiste dat de rechter de administratieve boete moet kunnen toetsen met volle rechtsmacht is immers voldaan indien alles wat onder de beoordelingsbevoegdheid van het bestuur valt, door de rechter kan worden getoetst (vgl. Cass. 25 april 2025, F.22.0162.N-F.22.0166.N, juportal.be).

Het Hof van Cassatie heeft in het arrest van 12 februari 2026, F.24.0026.N (www.juportal.be) bevestigd dat een vermindering van een BTW-boete tot onder het door het KB nr. 41 vastgestelde tarief mogelijk is op grond van het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel.

Het Hof van Cassatie oordeelde in het arrest van 12 februari 2026 dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat:

 met belastingboeten inzake de BTW uitvoering wordt gegeven aan het recht van de Unie in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest (HvJ 23 februari 2013, C-617/10, Âkerberg Fransson, punt 27);

 een nationale rechterlijke instantie die moet onderzoeken of een nationale bepaling of een maatregel waarmee in een situatie waarin het optreden van de lidstaten niet volledig door het Unierecht wordt bepaald, het Unierecht ten uitvoer wordt gebracht in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest, in overeenstemming is met de grondrechten, daarbij nog steeds nationale maatstaven voor de bescherming van de grondrechten kan toepassen, op voorwaarde dat deze toepassing niet afdoet aan het door het Handvest geboden beschermingsniveau, zoals uitgelegd door het Hof, noch aan de voorrang, eenheid en doeltreffendheid van het Unierecht (HvJ 26 februari 2013, C 399/11, Melloni, punt 60 en HvJ 23 februari 2013, C-617/10, Âkerberg Fransson, punt 29);

- bij ontbreken van harmonisatie van de Uniewetgeving op het gebied van de toepasselijke sancties in geval van niet-naleving van de voorwaarden van een bij deze wettelijke regeling ingesteld stelsel, de lidstaten bevoegd zijn de sancties te kiezen die hun passend voorkomen. Zij moeten hun bevoegdheid echter uitoefenen met eerbiediging van het Unierecht en de algemene beginselen daarvan, en dus ook met eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel (HvJ 7 december 2000, C 213/99, de Andrade, punt 20 en HvJ 6 februari 2014, C 424/12, Fatorie, punt 50);

- dergelijke sancties derhalve niet verder mogen gaan dan noodzakelijk is ter waarborging van de juiste heffing van de belasting en ter voorkoming van fraude (HvJ 26 april 2017, C- 564/15, Farkas, punt 60; HvJ 8 mei 2008, C-95/07 en C-96/07, Ecotrade, punten 65-67; HvJ 20 juni 2013, C-259/12, Rodopi-M 91, punt 38);

- bij de beoordeling of een sanctie in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel met name rekening moet worden gehouden met de aard en de ernst van de inbreuk waarvoor die sanctie wordt opgelegd en met de wijze waarop de hoogte ervan wordt bepaald (HvJ 26 april 2017, C-564/15, Farkas, punt 60; HvJ 8 mei 2008, C-95/07 en C-96/07, Ecotrade, punten 65-67; HvJ 20 juni 2013, C-259/12, Rodopi-M 91, punt 38);

- de rechter tevens rekening mag houden met de concrete omstandigheden van de zaak om te beoordelen of de op basis van de bepalingen van nationaal recht aan de belastingplichtige opgelegde sanctie in overeenstemming is met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel (HvJ 26 april 2017, C-564/15, Farkas, punt 61).

Hieruit volgt dat de nationale rechter een overeenkomstig voormeld KB nr. 41 van 30 januari 1987 opgelegde administratieve geldboete in toepassing van het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel kan verminderen tot beneden de in dit koninklijk besluit bepaalde vaste boetetarieven, rekening houdend met de aard en de ernst van de inbreuk en de concrete omstandigheden van de zaak.

Er werd te dezen een proportionele geldboete van 10% opgelegd.

De administratie heeft te dezen toepassing gemaakt van haar wettelijke matigingsbevoegdheid en reeds rekening gehouden met de goede trouw van eiseres in hoger beroep.

Er is te dezen geen sprake van een principiële betwisting.

Het hof ziet geen enkele reden of concrete omstandigheid die zou rechtvaardigen om de opgelegde boete nog verder te verminderen.

Het hof acht de opgelegde boete evenredig met de aard en de ernst van de inbreuk, rekening houdend met alle concrete omstandigheden van de zaak.

2.4 De rechtsplegingsvergoeding

Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.5. 31.05.2007).

Overeenkomstig art. 1017 Ger.W. dient eiseres in hoger beroep, de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld te worden tot de kosten van het geding in hoger beroep.

Het hof vereffent de kosten in hoofde van verweerder in hoger beroep op 0 euro rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep bij gebreke aan vertegenwoordiging en/of bijstand door een advocaat.

Het hof laat de bijdrage betaald in hoger beroep aan het begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand (Wet 19/03/2017) ten laste van eiseres in hoger beroep.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 279', 1°, juncto 162, 4° W.Reg..

Dispositif

3. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van eiseres in hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Het hof bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen.

Het hof veroordeelt eiseres in hoger beroep tot de kosten in hoger beroep.

Het hof vereffent de kosten in hoger beroep in hoofde van verweerder in hoger beroep op een rechtsplegingsvergoeding van 0 euro.

Het hof laat de bijdrage betaald in hoger beroep aan het begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand (Wet 19/03/2017) ten laste van eiseres in hoger beroep.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..

Het hof wijst het anders en/of meer gevorderde af.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 2 juni 2026 door

C. PRINCEN Raadsheer dd. voorzitter

E. DE BRAUWER Raadsheer

K. LEYSEN Raadsheer

E. CLEYMANS Griffier

Textes cités

12

Décisions similaires

8