Parcours procédural
2 étapes · 4 ans 4 mois- Décision attaquéeTribunal de première instance de Bruxelles27.06.2016
- Décision affichéeCour d'appel de Bruxelles28.10.2020
Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la cour d’appel de Bruxelles du 28.10.2020
Taxe sur la valeur ajoutée – Remboursement de la taxe sur la valeur ajoutée aux assujettis établis dans un autre État membre – Lieu de prestation du service – Délai de prescription – Délai de forclusion – Imposabilité
Dispositions légales
Articles 21, § 2 et 91, § 4 CTVA
Articles 4, 12, 16 et 22 AR n° 56
Article 22 Directive 2008/9/EG
Résumé
1. Faits et antécédents de procédure
Les contribuables forment une unité TVA, leader du marché de la gestion de réseaux de diffusion FM au Benelux. En Belgique, elle dispose d'installations de diffusion pour lesquelles elle paie des fournisseurs belges (notamment la location de sites d'antennes, l'énergie, la téléphonie) avec la TVA belge. Elle ne dispose pas d'établissement stable en Belgique. Afin de récupérer la TVA payée en Belgique au titre du quatrième trimestre 2009, elle a introduit une demande de remboursement conformément à l'article 4 de l'arrêté royal n° 56 du 9 décembre 2009. L'administration a demandé des informations complémentaires sur la base de l'article 16 de l'arrêté royal n° 56.
L'administration a rejeté la demande de remboursement en raison d'une réponse tardive à la demande de renseignements. Sur recommandation de l'administration, le contribuable a introduit une nouvelle demande de remboursement. L'administration a toutefois rejeté cette deuxième demande au motif qu'elle avait été introduite trop tard. La demande de remboursement pour la période concernée a donc été définitivement rejetée.
Les requérants ont formé un recours contre ces décisions de rejet devant le tribunal de première instance néerlandophone de Bruxelles par requête du 31 décembre 2014. Le tribunal a déclaré le recours recevable mais non fondé par jugement du 27 juin 2016. Un appel a été interjeté contre ce jugement le 29 décembre 2016. La Cour d'appel de Bruxelles a toutefois jugé le 28 octobre 2020 que l'appel était fondé : elle a annulé le jugement du 27 juin 2016, déclaré la demande initiale recevable et fondée, annulé les décisions administratives de rejet et accordé le remboursement majoré des intérêts moratoires (article 91 du Code de la TVA) et les frais.
L'État belge a introduit un pourvoi en cassation contre cet arrêt. Par arrêt du 18 novembre 2022, la Cour de cassation a annulé l'arrêt du 28 octobre 2020 pour insuffisance de motivation, à savoir le fait de ne pas avoir répondu aux griefs soulevés par l'État belge à titre subsidiaire, et a renvoyé l'affaire devant la Cour d'appel de Gand.
Texte intégral
L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale.
Corps de la décision
Arrest van het Hof van Beroep te Brussel d.d. 28.10.2020
(2016/AF/397)
INZAKE :
X1.„ met zetel te … ingeschreven in het KvK onder het nummer … en met als vestigingsnummer …. eerste appellant,
X2, met maatschappelijke zetel te …., ingeschreven in het KvK onder het nummer … en met als vestigingsnummer … tweede appellant,
X3., met maatschappelijke zetel te …, ingeschreven in het KvK onder het nummer … en met als vestigingsnummer …, met zetel te …., handelsregisternummer kamer koophandel Nederland : …, BTW nr. (Nederland) NL …, BTW nr. (België) BE….
derde appellant,
allen vertegenwoordigd door Mr. W.P., advocaat te …
tegen het vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 27 Juni 2016
TEGEN
1. BELGISCHE STAAT - FOD FINANCIEN, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens
kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12,
voor wie optreedt de adviseur-generaal directeur van het centrum buitenland - centre étranger
met kantoor te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50 bus 3412
geïntimeerde,
vertegenwoordigd door mevrouw J.B., adviseur- e.a. inspecteur
In deze zaak spreekt het hof, na beraad, volgend arrest uit in openbare zitting
1. Voorgaanden en vorderingen
Gelet op de stukken van de rechtspleging inzonderheid
het vonnis van de Nederlandstalig rechtbank van eerste aanleg van Brussel van 27 juni
2016,
- de akte van betekening dd. 29 november 2016,
het verzoekschrift tot hoger beroep uitgaande van appellante, neergelegd ter griffie van het hof op 29 december 2016,
- de tweede conclusies en de syntheseconclusies van geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 17/10/2017 en op 18/04/2018,
- de conclusies en de syntheseconclusies van appellante, neergelegd ter griffie op 18/07/2017 en op 18/01/2018,
de stukken van appellante, neergelegd op 16 september 2020,
de stukken van geïntimeerde, het administratief dossier, (hierna "A.D." genoemd)
neergelegd op 25/04/2018
2. Procedure in eerste aanleg
Middels verzoekschrift neergelegd op 31 december 2014 stelde appellante haar oorspronkelijke vordering in.
De vordering beoogde de beslissingen van 5 juli 2011 en van 28 februari 2011 te vernietigen en de vraag tot teruggave in te willigen en de Belgische Staat te horen veroordelen tot terugbetaling van de som van €20.387,79 meer interesten conform art. 91 WBTW,
De Belgische Staat concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering.
Bij vonnis van 27 juni 2016 verklaarde de eerste rechter de vordering ontvankelijk maar ongegrond en veroordeelde appellante tot de kosten van het geding.
3. Procedure voor het hof
Appellante stelde hoger beroep in tegen dit vonnis middels verzoekschrift hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 29 december 2016.
Zij vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoend :
in hoofdorde :
de beslissingen van 28 februari 2011 en van 5 juli 2011 houdende de afwijzing van verzoeken tot teruggaaf van de BTW te vernietigen en dienvolgens die verzoeken in te willigen en de Belgische Staat te veroordelen tot teruggaaf van de in de betrokken periode betaalde BTW ten bedrage van €20.387,79 meer moratoire interesten overeenkomstig de bepalingen van art. 91 WBTW evenals tot de kosten van het geding,
in ondergeschikte orde
de beslissingen van 28 februari 2011 en van 5 lull 2011 houdende de afwijzing van verzoeken tot teruggaaf van de BTW deels te vernietigen en dienvolgens die verzoeken deels in te willigen voor wat betreft de teruggaaf van de BTW bedragen m.b.t. de facturen waarvan de maatstaf van heffing de drempelbedragen uit art. 7 van het KB nr. 56 van 9 december 2009 m.b.t. de teruggaaf inzake belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen gevestigd in een andere lidstaat dan de Iidstaat van teruggaaf niet te boven gaat en de Belgische Staat te veroordelen tot teruggaaf van "bovenvermeld bedrag" meer moratoire Interesten overeenkomstig de bepalingen van art. 91 WBTW evenals tot de kosten van het geding
In uiterst ondergeschikte orde :
indien het hof van oordeel zou zijn dat appellante niet aantoont dat de voorgelegde facturen in aanmerking komen voor teruggaaf van BTW overeenkomstig KB/WBTW nr. 56 de zaak naar de rol te verzenden zodat appellante dienaangaande elk uitsluitsel kan verschaffen en de kosten voor te behouden.
Geïntimeerde concludeert tot ongegrondheid van het hoger beroep en vordert de bevestiging van het bestreden vonnis.
Relevante feitelilke gegevens
Het geding heeft betrekking op (door de fiscale administratie afgewezen) verzoeken tot terugbetaling van in België betaalde BTW overeenkomstig art. 4 KB nr. 56 dd. 9/12/2009 m.b.t. de teruggaaf inzake belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen gevestigd in een andere lidstaat dan de lidstaat van teruggaaf.
De oorspronkelijke aanvraag van 30 september 2010 had betrekking op een bedrag van €20.387,79 over de periode 1/09/2009 - 31/12/2009.
Op 20/10/2010 werd een ontvangstmelding van deze aanvraag gestuurd aan appellante, en op
7/01/2011 volgde een vraag om bijkomende inlichtingen overeenkomstig art. 16 KB nr. 56. De fiscale administratie vroeg (1) naar kopies van alle aankoopfacturen, (2) uitleg waarin de aankopen in België kaderden en (3) Indien het handelingen zou betreffen waarvoor achteraf aan Belgische klanten zou gefactureerd zijn, ook hiervan kopies te bezorgen.
De kopies van de facturen werden op 23/02/2011 aan de fiscale administratie bezorgd.
Deze laatste liet onmiddellijk per e-mail bericht van 23/02/2011 weten dat het verzoek (al) werd afgewezen omdat de gevraagde stukken niet werden overgemaakt.
Bovendien werd erop gewezen dat een nieuw verzoek kon worden ingediend voor 31/03/2011. Deze beslissing werd op 28/02/2011 elektronisch ter kennis gebracht van appellante.
Op 29/06/2011 werd een nieuw verzoek tot terugbetaling gedaan dat werd afgewezen als laattijdig bij beslissing van 5/07/2011.
Middels verzoekschrift neergelegd op 31 december 2014 stelde appellante een vordering in rechte in tegen de beslissingen van 28/02/2011 en 5/07/2011.
Bij vonnis van 27 juni 2016 verklaarde de eerste rechter deze vordering ongegrond.
Het hoger beroep van appellante is gericht tegen dit vonnis.
Verder is relevant dat appellante, naar eigen zeggen marktleider van FM zendernetwerkbeheer in de Benelux, zenderparken heeft in België, Nederland en Luxemburg evenals in Denemarken.
In het kader van haar activiteiten heeft appellante o.m. In België een aantal zendinstallaties waarvoor ze huur-, inrichtings-, onderhouds- en verbruikskosten draagt die door Belgische leveranciers met Belgische BTW worden gefactureerd.
Om terugbetaling van 'de Belgische BTW' te bekomen is appellante genoodzaakt een verzoek tot teruggaaf in te dienen overeenkomstig art. 4 KB nr. 56.
In rechte
Standpunt appellante
Appellante voert aan dat
A) de beslissing van 28 februari 2011 is ongegrond
- de beslissing van 28/02/2011 ongegrond zou zijn omdat de antwoordtermijn van een maand voorzien in art. 16§2 KB WBTW nr. 56 geen vervaltermijn zou zijn gezien deze bepaling geen sanctie voorziet bij het overschrijden van de erin voorziene termijn. Zij verwijst daarbij naar richtlijn 2008/9/EG die in Belgisch intern recht werd omgezet door/middels KB WBTW nr. 56 en het voorwoord van die richtlijn 2008/9/EG. Ze verwijst ook naar circulaire AFZ nr. 20/2009.
- de facturen dienden niet verplicht te worden toegevoegd; de afwijzing is buitenproportioneel. Overeenkomstig art. 7 KB WBTW nr. 56 client een afschrift van de facturen bijgevoegd wanneer de maatstaf van heffing op de factuur of het invoerdocument €1.000 of meer bedraagt. Voor de meeste facturen waarop het teruggaafverzoek betrekking heeft ging de maatstaf van heffing dit drempelbedrag niet te boven.
- appellante diende tijdig een hernieuwd verzoek In. Op 23 februari 2011 zou dit nieuwe verzoek aldus appellante dan zijn Ingediend. De verstrekking van de benodigde gegevens op 23/02/2011 diende als een nieuw verzoek te worden beschouwd.
- aangaande de gegrondheid van het verzoek tot teruggaaf argumenteert appellante dat
* aangaande het verband met de verkoopfacturen
-zij wel degelijk aantoont dat de inkomende handelingen in haar BTW activiteit kaderen. Alle facturen hebben betrekking op de huur-, verbruiks- en onderhoudskosten van de zendinstallaties van appellante in België.
De Circulaire vereist niet dat in het verzoek de aankoopfacturen warden gekoppeld aan de corresponderende verkoopfacturen om teruggaaf van BTW te verkrijgen.
* aangaande het recht op teruggaaf
m.b.t. de facturen voor huur meent geïntimeerde dat ze betrekking hebben op vrijgestelde onroerende verhuur terwijl masten roerende goederen zijn, zodat er sprake is van een verhuur van roerende goederen
- geïntimeerde meent ten onrechte dat de facturen van Proximus, Telenet en Belgacom geen verband zouden hebben met de belaste handelingen van appellante daar deze dienstverleners hoofdzakelijk algemene diensten verstrekken, maar deze facturen hebben betrekking op draad en draadloze telefonieverbindingen die noodzakelijk zijn voor de gehuurde opstelpunten en de werking van de opgestelde zendapparatuur
tenslotte heeft het merendeel van de inkomende facturen betrekking op "energie" en "huur site/opstelpunt" waarvoor aldus appellante ongetwijfeld om teruggaaf van BTW kan warden verzocht
B) de beslissing van 5 juli 2011 dient te warden vernietigd
De beslissing van juli 2011 dient te warden vernietigd omdat de eerste beslissing dient te warden vernietigd omdat ze ongegrond is waardoor de grand verdwijnt voor de beslissing van 5 juli 2011.
C) interesten
het verzoek tot teruggaaf dient te worden ingewilligd
en vermits de teruggaaf niet plaatsvindt binnen de termijn van art. 18 KB nr. 56 zijn aldus art. 22 KB
nr. 56 interesten verschuldigd overeenkomstig de bepalingen van art. 91§3 WBTW
Standpunt van geïntimeerde
Geïntimeerde argumenteert dat
- het hoger beroep ongegrond is,
- de beslissingen van 28 februari 2011 en 5 juli 2011 dienen te worden bevestigd,
- met de beslissing ter kennis gebracht op 28 februari 2011 het verzoek tot terugbetaling terecht
werd afgewezen gelet op het niet tijdig antwoorden binnen de antwoordtermijn van een maand op
het verzoek tot aanvullende gegevens,
er zouden enkel maar aankoopfacturen zijn overgemaakt en er zou geen bijkomende uitleg
verstrekt zijn,
- uit de facturen van Proximus, Telenet, Belgacom e.a. zouden hoofdzakelijk algemene diensten
blijken,
- huur van onroerend goed is vrijgesteld van BTW,
- er zou niet voldaan zijn aan de grondvoorwaarden om teruggaaf van BTW te genieten,
- de beslissing van 5 juli 2011 werd terecht genomen gezien de laattijdigheid van het desbetreffende verzoek.
Beoordeling
Ontvankelijkheid
De ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt niet betwist.
Nu er ook geen ambtshalve op te werpen gronden van niet-ontvankelijkheid voorhanden zijn is het
tijdig en regelmatig ingesteld hoger beroep ontvankelijk.
Gegrondheid
1
Artikel 7 KB nr. 56 bepaalt:
"Onverminderd de krachtens artikel 16 gevraagde gegevens, is de aanvrager gehouden samen met het teruggaafverzoek langs elektronische weg een afschrift van de factuur of het invoerdocument bij te voegen, wanneer de maatstaf van heffing op de factuur of het invoerdocument 1.000 euro of meer bedraagt. Indien de factuur evenwel betrekking heeft op brandstof, is dit drempelbedrag 250 euro.
Door of vanwege de minister van Financiën kan evenwel in de door hem of namens hem te bepalen gevallen warden afgeweken van deze verplichting cis deze niet nodig blijkt voor de controle van de teruggaaf."
In de regel rust op de aanvrager de verplichting om betrokken facturen bij te voegen.
De fiscale administratie beschikt over een ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid om te beslissen om al dan niet informatie op te vragen bij de aanvrager. Het staat de administratie derhalve vrij om de betrokken facturen op te vragen bij de aanvrager, zelfs wanneer de grensbedragen vermeld in artikel 7 KB nr. 56 niet zijn overschreden. Het was dan ook op zich niet onredelijk of disproportioneel om bijkomende informatie op te vragen, in casu van afschriften van de betrokken facturen.
2
Het Koninklijk besluit nr. 56, van 9 december 2009, met betrekking tot de teruggaaf inzake belasting
over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen gevestigd in een andere lidstaat dan de lidstaat
van teruggaaf (hierna: KB nr. 56) (BS, 17 december 2009), dat voorziet in de omzetting van richtlijn 2008/9/EG van de Raad van 12 februari 2008 tot vaststelling van nadere voorschriften voor de in richtlijn 2006/112/EG vastgestelde teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen die niet in de lidstaat van teruggaaf maar in een andere lidstaat gevestigd zijn bepaalt in zijn artikel 16 :
"§1 In geval de administratie [... J, meent niet alle dienstige informatie te hebben ontvangen om met betrekking tot het geheel of een deel van het teruggaafverzoek een uitspraak te kunnen doen, kan zij binnen de in artikel 15 genoemde termijn van vier maanden, langs elektronische weg in het bijzonder de aanvrager of de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van vestiging om aanvullende gegevens verzoeken.
1...
§2 De krachtens paragraaf 1 gevraagde gegevens moeten binnen een maand no ontvangst van het verzoek om Informatie door de bestemmeling van het verzoek aan de administratie [ worden verstrekt.
Artikel 20.1 en 20.2 van de Richtlijn 2008/9/EG van de Raad van 12 februari 2008 tot vaststelling van nadere voorschriften voor de in Richtlijn 2006/112/EG vastgestelde teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen die niet in de lidstaat van teruggaaf maar in een andere lidstaat gevestigd zijn (hierna: de Richtlijn) luidt:
"1. ingeval de lidstaat van teruggaaf meent niet die dienstige informatie te hebben ontvangen om met betrekking tot het geheel of een deel van het teruggaafverzoek een beschikking te kunnen geven, kan hij binnen de in artikel 19, lid 2, genoemde termijn van vier maanden, langs elektronische weg in het bijzonder de aanvrager of de lidstaat van vestiging om aanvullende gegevens verzoeken. indien de aanvullende gegevens worden opgevraagd bij een andere persoon dan de aanvrager of de bevoegde autoriteiten van een lidstaat, wordt alleen langs elektronische weg om gegevens verzocht indien de bestemmeling van het verzoek over de desbetreffende apparatuur beschikt.
Zo nodig kan de lidstaat van teruggaaf om verdere aanvullende gegevens verzoeken.
De overeenkomstig dit lid verlangde gegevens kunnen het overleggen van het origineel of een afschrift van de factuur of het invoerdocument omvatten wanneer de lidstaat van teruggaaf op goede gronden het bestaan van een bepaalde vordering betwijfelt.
In dat geval zijn de drempelnormen van artikel 10 niet van toepassing.
2. De krachtens lid 1 gevraagde gegevens moeten binnen een maand no ontvangst van het verzoek om informatie door de bestemmeling van het verzoek aan de Lidstaat van teruggaaf worden verstrekt."
3
Noch in de tekst van Richtlijn 2008/09/EG, noch in het KB nr. 56 is een sanctie bepaald aangaande
het niet of het niet binnen de termijn van een maand verstrekken van aanvullende gegevens.
Nu artikel 16 KB nr. 56 niet in een sanctie voorziet binnen dewelke de handeling in kwestie verricht dient te worden, Is de termijn van een maand bedoeld in art. 16§2 voormeld geen vervaltermijn maar een termijn van orde (vgl. WAGNER, K., "Sancties In het burgerlijk procesrecht", Maklu, Antwerpen, 2007, blz. 31 nr. 30).
De finaliteit van een termijn van orde is de procedure zo goed mogelijk te organiseren. M.b.t. de aan de orde zijnde bepaling blijkt dit laatste overigens uit het voorwoord (punt 2) van de richtlijn 2008/9/EG van de Raad van 12 februari 2008.
4
Uit de bepalingen van Richtlijn 2008/09/EG en KB nr. 56 kan niet worden afgeleid dat de
overschrijding van de termijn zou leiden tot een verlies van het recht op teruggaaf van BTW (in hoofde van appellante).
Evenwel dient eveneens vastgesteld dat noch de Richtlijn, noch het KB nr, 56 de fiscale administratie, in geval zij de gevraagde informatie niet ontvangt binnen de gestelde termijn, verbiedt/verhindert
een beslissing tot weigering van teruggaaf te nemen.De fiscale administratie kan, wanneer geen
antwoord wordt verstrekt binnen de termijn van art. 16 KB nr. 56 de teruggaaf van BTW weigeren (vgl. Circulaire AFZ nr. 20/2009 dd. 22 december 2009).
5
Inzake werd per e-mail op 7 januari 2011 een vraag tot aanvullende Informatie aan appellante verzonden. Er werd gevraagd naar (a) kopie van alle aankoopfacturen/transacties, (b) uitleg waarin de aankopen in België kaderden en (c) Indien het handelingen zouden betreffen waarvoor achteraf aan Belgische klanten zou gefactureerd zijn, ook hiervan kopies te bezorgen.
In de vraag (het e-mailbericht van 7 januari) gaf de fiscale administratie uitdrukkelijk en duidelijk aan dat bij laattijdige reactie (geen antwoord binnen de maand na verzending van het verzoek) een weigering mogelijk was (stuk nr, 3 bundel appellante).
6
De termijn van art. 16§2 KB nr. 56 liep of op 7 februari 2011, zodat de fiscale administratie tot 7 april
2011 de tijd had om een beslissing te nemen.
De fiscale administratie ontving de gevraagde facturen op 23 februari 2011. Blijkbaar ontving de fiscale administratie evenwel niet alle stukken omwille van problemen met de server (zie stuk 1 bundel appellante).
De beslissing tot afwijzing van het teruggaveverzoek dd. 23 februari 2011 (omwille van het ontbreken van de gevraagde aanvullende informatie) werd formeel aan appellante ter kennis gebracht op 28
februari 2011 (per e-mail i.p.v. door middel van aangetekend schrijven)en wees appellante er
uitdrukkelijk op dat zij nog binnen de termijn was om een nieuw verzoek tot teruggaaf in te dienen. Informeel werd appellante (reeds) per e-mail van 23 februari 2011 ('3u56 am') op de hoogte gebracht.
Van een fiscale administratie mag evenwel worden verwacht dat zij, wanneer ze op de dag dat ze een beslissing neemt of aan het nemen is om 11u57 in de voormiddag een e-mail met stukken ontvangt In antwoord op een vraag om aanvullende gegevens, zij haar beslissing uitstelt en deze stukken in overweging neemt, zeker nu Inzake de termijn om een beslissing te nemen nog tot 7 april 2011 Iiep (vgl. art, 17,2° KB nr, 56 dat bepaalt dat wanneer niet op het verzoek om aanvullende gegevens wordt gereageerd, de fiscale administratie over een termijn van twee maanden na het verstrijken van hogervermelde termijn van een maand beschikt om te beslissen over een volledige of gedeeltelijke teruggaaf).
Aldus handelde de fiscale administratie onredelijk en disproportioneel inzake.
7
Ten gronde meent het hof na onderzoek van de aanvraag en de uiteindelijk voorgelegde stukken (facturen) dat het verzoek tot teruggaaf gegrond dient te worden verklaard nu aan de voorwaarden voor recht op teruggaaf voldaan is.
Er worden zowel aankoopfacturen als verkoopfacturen (stuk 4 appellante bundel verkoopfacturen aan Belgische klanten) door appellante bijgebracht.
De bijgebrachte facturen (stuk 3 appellante : aankoopfacturen) hebben duidelijk betrekking op huur-, inrichtings-, onderhouds- en verbruikskosten m.b.t. zendmasten gefactureerd door Belgische
leveranciers met Belgische BTW. Het merendeel betreft energiekosten voor stroomverbruik (Nuon), abonnementskosten bij Belgacom, Proximus en Telenet en huur voor een site/opstelpunt.
De huur van zendmasten betreft de huur van een roerend goederen waarvoor BTW werd aangerekend. Dit zijn, integenstelling tot hetgeen geïntimeerde voorhoudt, geen onroerende verhuren vrijgesteld van BTW.
De facturen van Proximus, Belgacom en Telenet hebben betrekking op draad en draadloze telefonieverbindingen m.b,t. de opstelpunten en de werking van de opgestelde zendapparatuur.
De BTW van de facturen m.b.t. mobiele telefonie (€80,81), brandstof (€67,90), tunnel/wegentol (€43,17) en gereedschap (€5,41) dient tenslotte eveneens in aanmerking te worden genomen.
8
De oorspronkelijke vordering is gegrond.
De afwijzingsbeslissing van 23 februari (betekend op 28 februari 2011) dient te worden vernietigd, Hierdoor is de beslissing van 5 juli zonder voorwerp en dient zij eveneens nietig te worden verklaard,
Het hoger beroep is gegrond.
Aangaande de kosten en de rechtsplegingsvergoeding
Er bestaat geen discussie tussen partijen over het feit dat het basisbedrag van de rechtsplegingvergoeding In graad van beroep op €2.400 kan worden begroot,
Gezien het voorgaande dient geïntimeerde te worden veroordeeld In de kosten van beide aanleggen in hoofde van appellante begroot op €2.200 rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in eerste aanleg en €2.400 rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in hoger beroep, zijnde het geïndexeerd basistarief zoal vastgesteld bij K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 Ger. W. en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van ( advocaat.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
HET HOF,
Rechtdoende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond,
Vernietigt het bestreden vonnis, en opnieuw rechtdoend,
Verklaart de oorspronkelijke vordering van appellante ontvankelijk en gegrond,
Vernietigt de beslissingen van 28 februari 2011 en van 5 juli 2011 houdende de afwijzing van verzoeken tot teruggaaf van de BTW m.b.t. de periode 1 september 2009 - 31 december 2009 en willigt het verzoek tot teruggaaf van BTW m.b.t. de periode 1 september 2009 - 31 december 2009 in,
Veroordeelt de Belgische Staat tot teruggaaf van de in de betrokken periode betaalde BTW ten bedrage van €20.387,79 meer moratoire interesten overeenkomstig de bepalingen van art. 91 WBTW evenals tot de kosten van het geding,
Veroordeelt geïntimeerde in de kosten van beide aanleggen, aan de zijde van appellante begroot op de rechtsplegingvergoeding van €2.200 voor de procedure in eerste aanleg en op de rechtsplegingsvergoeding van €2.400 voor de procedure in hoger beroep,
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de fiscale kamer "6N" van het hof van beroep te Brussel, op 28 oktober 2020, alwaar aanwezig waren en zitting namen :
P.V, Raadsheer dd. Voorzitter
C.V. Raadsheer
M.L. Raadsheer
B.V. Griffier
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.