Remboursement de la taxe, poursuite, instance · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruxelles 30 juin 2000

Rechercher
Texte en néerlandais

Remboursement de la taxe, poursuite, instanceTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/remboursement-taxe-poursuite-instance-droits-tribunal-bruxelles-2000-06-30-373e

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruxelles
Date
30 juin 2000

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

98 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruxelles du 30.06.2000

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 33ste KAMER

Algemeen rolnummer AR 95/7216/A

BTW

Op tegenspraak

Eindvonnis

HOOFDVORDERING

In zake van :

DE BV N. D., vennootschap naar Nederlands recht met maatschappelijke zetel te …, …, Handelsregister Utrecht nummer …,

eiseres op hoofdvordering,

vertegenwoordigd door Meester S. loco Meester L. G., advocaat te …, …,

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 14, Administratie der douane en accijnzen, vertegenwoordigd door de heer rekenplichtige/ontvanger, van het douanekantoor te Brussel, met burelen gevestigd te 1210 Brussel, Picardstraat 1/3,

verweerder op hoofdvordering,

vertegenwoordigd door Meester N. D., advocaat te …, …,

VORDERING TOT GEDWONGEN TUSSENKOMST IN ZAKE VAN :

DE BV N. D., vennootschap naar Nederlands recht met maatschappelijke zetel te …, …, Handelsregister Utrecht nummer …,

eiseres in gedwongen tussenkomst,

vertegenwoordigd door Meester S. loco Meester L. G., advocaat te …, …,

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën Brussel, Administratie der BTW, Registratie en domeinen, vertegenwoordigd door o.a. de Directeur-generaal en, voor zoveel als nodig de rekenplichtige van het centraal kantoor voor de Buitenlandse Rekenplichtigen, Brussel, met burelen gevestigd te Financietoren Brussel, Kruidenlaan 50/39, en met burelen bestemd voor de ontvangst van gerechtsdeurwaardersexploten gevestigd te 1000 Brussel, Hertogstraat 3,

verweerder in gedwongen tussenkomst,

vertegenwoordigd door Meester F. S., advocaat te …, ….


In deze zaak, in beraad genomen op 25 mei 2000, spreekt de rechtbank volgend vonnis uit :

I. PROCEDURE

Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid :

- het exploot van dagvaarding van gerechtsdeurwaarder L. I. te …, betekend op 7 juni 1995 aan de Belgische Staat, Administratie der douane en accijnzen;

- het exploot van dagvaarding tot gedwongen tussenkomst van gerechtsdeurwaarder L. I. te …, betekend op 20 december 1996 aan de Belgische Staat, Administratie der BTW, registratie en domeinen;

- de besluiten, aanvullende, tweede aanvullende en derde aanvullende besluiten van verweerder op hoofdvordering, neergelegd ter griffie respectievelijk op 24 november 1995, op 27 juni 1997, op 26 november 1997 en op 20 maart 1998;

- de besluiten, aanvullende en tweede aanvullende besluiten van verweerder in gedwongen tussenkomst, neergelegd ter griffie respectievelijk op 13 juni 1997, op 27 november 1997 en op 17 april 1998;

- de besluiten, aanvullende en tweede aanvullende besluiten van eiseres, neergelegd respectievelijk ter zitting van 20 januari 1998, ter griffie op 30 september 1997 en op 20 februari 1998;

- de beschikking ‘artikel 750.2 Gerechtelijk Wetboek' van de Voorzitter van deze kamer van 6 april 2000.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare zitting van 25 mei 2000, waarna de bundels met de stavingstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

II. FEITEN EN RETROACTEN

In juni 1990 vroeg de firma BV T., vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te …, …, aan de BV N. D., huidige eiseres, eveneens vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te …, …, om computeronderdelen afkomstig uit de VSA te expediëren van Nederland naar de firma NV L., met maatschappelijke zetel te …, ….

In het kader van haar opdracht trad de BV N. D. op als aangever communautair douanevervoer, en tekende zij in die hoedanigheid volgende T2-documenten, die zij geldig liet maken op het douanekantoor van Amsterdam met kantoor van bestemming Brussel :

- T2-ES-377466 van 7 maart 1990 voor 214.066 F aan BTW;

- T2-377465 van 2 maart 1990 voor 723.318 F aan BTW;

- T2-381838 van 11 juni 1990 voor 792.589 F aan BTW.

In deze drie gevallen was het kantoor van afgifte Amsterdam en kantoor van bestemming Brussel.

Het vervoer zelf gebeurde door V. G. & L..

Uit een onderzoek van de douane te Brussel is gebleken dat de goederen rechtstreeks werden afgeleverd door de vervoerder bij de bestemmeling, zonder vooraf aangeboden te zijn geweest op het Belgische douanekantoor van bestemming en zonder in verbruik te zijn gesteld.

In feite werd bij de invoer in België een verkeerde inklaringsprocedure toegepast, nl. een transitprocedure waardoor de BTW niet werd betaald op het ogenblik van het binnenkomen, zodat de T2-documenten niet werden aangezuiverd.

Toen de vergissing werd opgemerkt, heeft de NV L. bij haar lokaal BTW-controlekantoor, Controle III, Brederodestraat 9 te 1000 Brussel, een spontane regularisatie van de BTW gedaan. In het kader daarvan werd op 5 februari 1992 een aangifte van invoer in het verbruik in België opgemaakt. De NV L. nam de verschuldigde belasting op in haar periodieke BTW-aangifte met betrekking tot de handelingen van de maand februari 1992.

Bij vonnis van 13 april 1992 werd de NV L. failliet verklaard.

Ondanks deze spontane regularisatie en betaling van BTW via de aangifte van de NV L., heeft de Belgische Staat, Administratie der douane en accijnzen, huidig verweerder op hoofdvordering, de BV N. D. in gebreke gesteld BTW te betalen, stellende dat de aangever communautair douanevervoer (de BV N. D.) gehouden was de BTW te betalen wegens niet-aanzuivering van de kwestieuze T2-documenten.

Op 23 november 1992 betaalde de BV N. D. aan de Belgische Staat, Administratie der douane en accijnzen een bedrag van 1.729.973 F. middels het document COM 4-49511. Voor de in rekening gebrachte nalatigheidsinteresten ten belope van 423.008 F. werd aan de BV N. D. uitstel van betaling verleend.

Bij ministeriële beslissing van 2 februari 1995 werd het verzoek tot teruggaaf van de BV N. D., ingediend door de NV KPMG T. & C. 21 december 1992, afgewezen op de overweging dat de rechthebbende op teruggaaf niet de BV N. D. was, maar wel de geadresseerde, de NV L..

Op 7 juni 1995 ging de BV N. D. over tot dagvaarding van de Belgische Staat, Administratie der douane en accijnzen.

Op 20 december 1996 ging zij over tot dagvaarding tot gedwongen tussenkomst van de Belgische Staat, Administratie der BTW, registratie en domeinen.


Eiseres vraagt haar vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren; dienvolgens verweerder op hoofdvordering en verweerder in gedwongen tussenkomst te veroordelen om solidair, minstens de ene bij gebreke aan de andere haar de som van 1.729.973 F. terug te betalen, verhoogd met de moratoire rente vanaf de datum van de betaling van het onverschuldigde, zijnde 23 november 1992, alsook met de gerechtelijke rente tot op de dag van de volledige terugbetaling. Verder vraagt zij te zeggen voor recht dat haar de gevorderde, geboekte, maar niet betaalde nalatigheidsinteresten ten belope van 423.008 F. kwijtgescholden worden.

Verweerder op hoofdvordering besluit tot de onontvankelijkheid, minstens de ongegrondverklaring van de vordering van eiseres zoals gericht tegen hem.

Verweerder in gedwongen tussenkomst vraagt - in hoofdorde - de vordering van eiseres onontvankelijk te verklaren.

- In subsidiaire orde - vraagt hij de eis tot teruggaaf af te wijzen.

III. IN RECHTE : WATBETREFT DE ONTVANKELIJKHEIDVANDE VORDERING

1) Wat betreft de dagvaarding lastens verweerder op hoofdvordering

Verweerder op hoofdvordering stelt dat de eis in teruggave van de BTW, voor zover gericht tegen hem, onontvankelijk is. Hij stelt dat de Administratie der douane en accijnzen de bevoegdheid heeft rechten en BTW te vorderen ingevolge de door haar vastgestelde inbreuken, maar dat voor elke teruggave inzake BTW enkel de Administratie van de BTW, registratie en domeinen een beslissing kan treffen.

Eiseres betwist dit ten stelligste en stelt dat zelfs indien dit zo zou zijn, quod non, de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek betreffende het recht op terugbetaling van een onverschuldigde betaling blijven spelen. In casu heeft zij aan verweerder op hoofdvordering BTW betaald, die zij geenszins verschuldigd was. Hoe dan ook heeft zij oorspronkelijk de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, gedagvaard. Tot het Ministerie van Financiën behoren zowel het departement van douane en accijnzen, als dat van de BTW, registratie en domeinen, die geen afzonderlijke rechtspersoonlijkheid hebben. Om nodeloze discussies te vermijden, ging zij nadien, meer bepaald op 20 december 1996, ook over tot dagvaarding van het departement van de BTW-administratie.

De rechtbank stelt vast dat de bij art. 77, § 1bis W.BTW bepaalde teruggaaf, nl. wanneer de bij de invoer betaalde BTW de wettelijk verschuldigde BTW overtreft, in bepaalde gevallen tot de bevoegdheid van de Administratie der douane en accijnzen, en in andere gevallen tot de bevoegdheid van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen behoort (zie : Fiscale Documentatie Vandewinckele, Deel XIV, BTW, Diegem, CED-Samsom, s.d., losbl., nrs. 77/10.35 en 77/10.36; BTW-handleiding, uitgave van de administratie, s.d., losbl., nrs. 554/2 en 554/3). Bijgevolg kan de zienswijze van verweerder op hoofdvordering, volgens dewelke voor elke teruggave inzake BTW enkel de Administratie van de BTW, registratie en domeinen bevoegd is, niet bijgetreden worden. Nu verweerder op hoofdvordering nalaat in concreto aan te tonen op welke gronden hij niet bevoegd zou· zijn om tot teruggave over te gaan, dient de door hem ingeroepen exceptie van onontvankelijkheid afgewezen te worden.

Anderzijds treedt de rechtbank evenmin de zienswijze van eiseres bij dat in ieder geval de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek betreffende het recht op terugbetaling van een onverschuldigde betaling blijven spelen.

Het is weliswaar juist dat de beginselen van het gemeen recht (het burgerlijk recht) het fiscaal recht beheersen, zolang dit laatste er niet van afwijkt (zie : Cass., 9 juli 1931, Pas., 1931, I, 218; Cass., 7 juni 1934, Pas., 1934, I, 310; Cass., 21 september 1978, Pas., 1979, I, 104; Cass., 23 november 1989, Arr. Cass., 1989-1990, 414; Bull. Bel., 1992, 2282; N.F.M., 1990, 268; Pas., 1990, I, 367; Rev. Not. B., 1990, 161; Antwerpen, 28 mei 1979, A.F.T., 1981, 109; Luik, 16 april 1980, A.F.T., 1980, 147; Brussel, 20 mei 1999, T.F.R., 1999, 885).

Aangezien evenwel het W.BTW in zijn art. 77, § 1bis expliciet de teruggaaf regelt in de gevallen waarin de bij de invoer betaalde BTW de wettelijk verschuldigde BTW overtreft, kan voor die gevallen geen beroep meer worden gedaan op de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek betreffende het recht op terugbetaling van een onverschuldigde betaling.

2) Wat betreft de beweerde nietigheid van de dagvaarding tot gedwongen tussenkomst lastens verweerder in gedwongen tussenkomst

Verweerder in gedwongen tussenkomst stelt dat de dagvaarding werd betekend aan 'de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Heer Minister van Financiën Brussel, Administratie der BTW, Registratie en domeinen, vertegenwoordigd door o.a. de Directeur-Generaal en, voor zoveel als nodig de rekenplichtige van de buitenlandse Rekenplichtigen, Brussel.

met burelen gevestigd te Financietoren Brussel, Kruidenlaan 50/39 en met burelen bestemd voor de ontvangst van gerechtsdeurwaardersexploten gevestigd te Brussel Hertogstraat 3'.

Krachtens art. 90 W.BTW en art. 14, lid 2 van het KB nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake BTW, dient de vordering tot teruggaaf van BTW evenwel ingesteld te worden tegen de Belgische Staat in de persoon van het hoofd van het controlekantoor van de BTW waaronder de aanvrager ressorteert. Bijgevolg is de dagvaarding naar zijn oordeel nietig bij toepassing van art. 862, § 1, 9° Ger. W. (sic !).

Eiseres stelt - in hoofdorde - dat haar dagvaarding geenszins in strijd is met art. 90 W.BTW en art. 14, lid 2 van het KB nr. 4. Zij ging immers tot dagvaarding van de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, Administratie der BTW, registratie en domeinen, en tevens vertegenwoordigd door o.a. de Directeur-Generaal die voordien als hoofd van de betrokken dienst het verzoek tot teruggaaf heeft verworpen. De Directeur-Generaal staat ontegensprekelijk aan het hoofd van de bevoegde dienst, zoals voorzien in art. 14 van het KB nr. 4.

- Subsidiair - stelt eiseres dat, zelfs al zouden voornoemde bepalingen zijn geschonden, quod non, deze bepalingen niet zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid, noch op straffe van verval.' De Belgische Staat bewijst naar haar oordeel evenmin dat het vermeende verzuim en/of onregelmatigheid haar belangen zou schaden, wel integendeel : aangezien de hoofdcontroleur van het derde BTW-kantoor zelf verwees naar de Centrale Administratie van de BTW, registratie en domeinen, en de Directeur-Generaal van de Centrale Administratie van de BTW, registratie en domeinen de beslissing heeft genomen tot het verwerpen van het verzoek tot teruggaaf, zijn de belangen van de Belgische Staat geenszins geschaad wanneer thans de Belgische Staat, vertegenwoordigd door haar Minister en door de Directeur-Generaal, wordt gedagvaard.

Het besluit van eiseres is derhalve dat haar dagvaarding tot gedwongen tussenkomst geenszins nietig is, en zeker niet bij toepassing van art. 862, § 1, 6° (oud art. 862, § 1, 9°) Ger. W., dat naar haar oordeel in casu niet van toepassing is.

De rechtbank is van oordeel dat art. 862, § 1, 6° Ger. W. uitsluitend beperkt is tot de sanctionering van de betekeningswijze, maar dat een onregelmatigheid omtrent de identiteit van de persoon, aan wie het exploot werd overhandigd, niet kan worden gesanctioneerd aan de hand van dit artikel. Sedert de Wet van 3 augustus 1992 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek kan hieromtrent geen twijfel meer bestaan. Het Hof van Cassatie bevestigde overigens dat art. 862, § 1, 6° Ger. W. geen betrekking heeft op het voorschrift van art. 43, 3° Ger. W. betreffende de identiteit van de persoon aan wie betekend wordt (zie : Cass., 12 mei 1997, J.T.T., 1997, 451; R.W., 1997-98, 889; zie ook : DECONINCK, B., Commentaar art. 862, § 1, 6° Ger. W., in DEPUYDT, P., LAENENS, J., LINDEMANS, D. en RAES, S. (red.), Artikelsgewijze commentaar Gerechtelijk Recht, Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen België, s.d., losbI., nr. 5, p. 5).

Bijgevolg vindt art. 862, § 1, 6° Ger. W. in casu inderdaad geen toepassing, zoals eiseres terecht voorhoudt, en dient derhalve ook deze tweede, door verweerder in gedwongen tussenkomst ingeroepen exceptie van onontvankelijkheid afgewezen te worden.

3) Wat betreft het beweerde gebrek aan hoedanigheid en belang in hoofde van eiseres

Verweerder op hoofdvordering stelt verder dat overeenkomstig art. 1 van het KB nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake BTW, de ingevolge vervoer betaalde BTW wordt teruggegeven aan degene die in het bezit is van een invoerdocument dat hem als geadresseerde aanwijst en dat de betaling van de belasting vaststelt. Hij stelt - onder alle voorbehoud - dat in casu de enige rechthebbende op teruggaaf de NV L. is. Mits de NV L. in het bezit is van het origineel exemplaar 8 van voornoemde aangifte COM 4 en aantoont dat zij de BTW, voldaan met die aangifte, nog niet in aftrek heeft gebracht, kan zij haar recht op aftrek nog uitoefenen binnen de vijf jaar te rekenen vanaf het tijdstip waarop dat recht is ontstaan en dit met inachtneming van de voorwaarden en formaliteiten gesteld in het KB nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de BTW.

Aangezien de NV L. inmiddels failliet werd verklaard, is volgens hem de enige persoon, die bevoegd is om teruggave te vragen, de curator van het faillissement.

Eiseres stelt dat het wel degelijk zij is die de onverschuldigde betaling gedaan heeft, zodat zij dan ook recht heeft op terugbetaling van het door haar betaalde bedrag. Zij stelt dat overeenkomstig voormeld art. 1 van het KB nr. 4 de teruggaaf niet alleen wordt verleend aan degene die in het bezit is van een invoerdocument dat hem als geadresseerde aanwijst en dat de betaling van de belasting vaststelt, maar ook aan degene die de belasting aan de Staat heeft voldaan.

De rechtbank stelt evenwel vast dat eiseres voormeld art. 1, lid 1 van het KB nr. 4.van 29 december 1969, met betrekking tot de teruggaven Inzake belasting over de toegevoegde waarde, verkeerd interpreteert.

Deze bepaling luidt letterlijk als volgt :

“De teruggaaf ingesteld bij de artikelen 77, §§ 1 en 1bis van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, wordt naar gelang van het geval, verleend aan degene die de belasting aan de Staat heeft voldaan of aan degene die in het bezit is van een invoerdocument dat hem als geadresseerde aanwijst en dat de betaling van de belasting vaststelt".

Eiseres interpreteert deze bepaling, en meer in het bijzonder de termen 'naar gelang van het geval' in die zin dat zowel in de hypothese van art. 77, § 1 W.BTW, als in de hypothese van art. 77, § 1bis W.BTW, de teruggaaf kan gebeuren aan de persoon die de BTW aan de Staat heeft voldaan en aan de persoon die in het bezit is van een invoerdocument dat hem als geadresseerde aanwijst en dat de betaling van de belasting vaststelt.

Deze interpretatie is evenwel onjuist.

De termen 'naar gelang van het geval' duiden erop dat in de hypothese van art. 77, § 1 W.BTW de teruggaaf kan gebeuren aan de persoon die de BTW aan de Staat heeft voldaan, en dat in de hypothese van art. 77, § 1bis W.BTW de teruggaaf kan gebeuren aan de persoon die in het bezit is van een invoerdocument dat hem als geadresseerde aanwijst en dat de betaling van de belasting vaststelt. Zo wordt de teruggaaf van BTW verleend aan degene die de BTW heeft voldaan wat betreft BTW op binnenlandse verrichtingen (hetgeen de hypothese is van art. 77, § 1 W.BTW), of aan degene die in het bezit is van het invoerdocument dat hem als geadresseerde aanwijst, wat betreft de BTW bij invoer (hetgeen de hypothese is van art. 77, § 1bis W.BTW).

Aangezien het in casu gaat om de hypothese van art. 77, § 1 bis W.BTW, kan de teruggaaf uitsluitend gebeuren aan de persoon die in het bezit is van een invoerdocument dat hem als geadresseerde aanwijst en dat de betaling van de belasting vaststelt (zie : BTW-Handleiding, op. cit., nr. 536/2; Fiscale Documentatie Vandewinckele, op. cit., nr. 77/8.18; VANDEBERGH, H., BTW-Handboek - Editie 1993, Gent, Mys en Breesch, 1993, nr. 525, p. 405; VANDEBERGH, H., Het BTW-Handboek - Editie 1995, Gent, Mys en Breesch, 1995, nr. 500, p. 389; VANDERWAEREN, K., Teruggave van douanerechten, accijnzen en BTW, Diegem, CED-Samsom, 1998, 84; WILLE, P., PEETERS, H. en BORGER, F., Handboek BTW (1998-1999), Antwerpen, lntersentia Rechtswetenschappen, 1998, nr. 11.2.3, p. 300).

Derhalve stelt verweerder op hoofdvordering terecht dat in casu de enige mogelijke rechthebbende op teruggaaf de NV L. is, en niet eiseres.

Tenzij de wet anders bepaalt kan, overeenkomstig de artikelen 17 en 18 Ger. W., de rechtsvordering, ingesteld door een natuurlijke of rechtspersoon, niet worden toegelaten, indien de eiser geen hoedanigheid en geen persoonlijk en rechtstreeks belang heeft. d.w.z. een eigen belang, om ze in te dienen (zie : Cass., 19 november 1982, Arr. Cass., 1982-1983, 372; Pas., 1983, I, 338; R.P.S., 1984, 18; R.W., 1983-84, 2029; Cass., 17 oktober 1986, Arr. Cass., 1986-1987, 217; Pas., 1987, I, 200; R.C.J.B., 1988, 317; R.W., 1986-87, 1033; Cass., 16 oktober 1991, Arr. Cass., 1991-1992, 157; Cass., 19 september 1996, Arr. Cass., 1996, 775; R.C.J.B., 1997, 105; R.W., 1997-98, 775).

Het belang, waarvan de ontvankelijkheid van de rechtsvordering afhangt, moet een bij de inleiding reeds verkregen en dadelijk belang zijn, wat niet vereist dat de eiser op dat tijdstip reeds schade had geleden of een schadevergoeding aan een derde uitgekeerd (zie : Cass., 5 januari 1990, Arr. Cass., 272; Pas., 1990, I, 526; Cass., 29 februari 1996, Arr. Cass., 1996, 210, P & B, 156).

Aangezien eiseres in casu niet de vereiste hoedanigheid en belang bij haar vordering heeft, dient deze onontvankelijk verklaard te worden.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

Rechtsprekend in eerste aanleg, na tegenspraak,

Alle andersluidende .en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van de BV N. D. onontvankelijk.

Veroordeelt de BV N. D. tot de kosten van het geding, begroot ten aanzien van de Belgische Staat, Administratie der douane en accijnzen op 12.900 F. (rechtsplegingsvergoeding ), ten aanzien van de Belgische Staat, Administratie der BTW, registratie en domeinen op 12.900 F. (rechtsplegingsvergoeding), en ten aanzien van haarzelf op 8.725 F. (dagvaarding + rolzetting) + 7.846 F. (dagvaarding tot gedwongen tussenkomst) + 12.900 F. (rechtsplegingsvergoeding).

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op datum van 30 juni 2000,

Textes cités

3
AR no 4 art. 13 occurrences
AR no 4 art. 143 occurrences
CTVA art. 771 occurrence

Décisions similaires

8