Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de Première instance de Hasselt du 12.05.1997
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, VIJFDE KAMER, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :
INZAKE AR NR. 96/274/A
V. V. J., momenteel gepensioneerd, …, …,
eiser,
vertegenwoordigd door Mr. B., loco Mr. V., advocaat te …, …,
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van het hoofd van het BTW-controlekantoor te Neerpelt, wiens kantoor gevestigd is te 3910 Neerpelt, Heerstraat, 37,
verweerder,
vertegenwoordigd door Mr. C. loco Mr. V. M., advocaat te …, …,
VOLGT HET VONNIS :
Bij geregistreerd exploot van gerechtsdeurwaarder L. R. te … d.d.1.2.1996 liet eiser verweerder dagvaarden in terugbetaling van 1.775.562 fr meer de intresten vanaf 1.4.1992 en de kosten. Bij besluiten wordt in hoofdsom nog 1.242.234 fr gevorderd.
Als handelaar deed eiser forfaitaire BTW-aangiften. Op het ogenblik dat hij zijn handelszaak in een vennootschap inbracht was er een voorraad goederen dewelke nog niet verkocht waren en waarop hij de BTW had afgedragen. Van deze BTW wordt de terugbetaling gevraagd.
Het verweer
Verweerder stelt dat de vordering ongegrond is daar eiser niet bewijst dat de door hemzelf voldane belasting op de handelingen aangegeven in zijn periodieke aangiften bedoeld in art. 50, § 1, 3° BTW-Wb., het bedrag te boven gaat dat wettelijk verschuldigd was (art. 77, § 1,1 BTW-Wb.).
Beoordeling
De ingestelde vordering in teruggave is gesteund op voornoemd art. 77, § 1, 1°.
Derhalve dient eiser het bewijs te leveren zoals wordt voorgehouden door verweerder.
Eiser meent dat dit bewijs geleverd wordt door de voorgelegde stukken en stelt ondergeschikt de aanstelling van een deskundige voor. Deze zou alsdan kunnen vaststellen dat bepaalde goederen waarvoor de BTW werd afgedragen zich nog in stock bevonden wanneer eiser zijn handelszaak inbracht in een vennootschap.
Verweerder kan gevolgd worden waar gesteld wordt dat eiser geïndividualiseerd dient aan te tonen wanneer de goederen dewelke zich nog in stock zouden bevonden hebben, initieel aangekocht werden door eiser en in welke periodieke aangifte zij als verkocht zouden zijn aangegeven.
Teneinde na te gaan of dergelijk bewijs kan gevonden worden in de door eiser voorgelegde stukken lijkt het aangewezen het advies in te winnen van een deskundige.
Over het verweer betreffende de kosten verbonden aan deze onderzoeksmaatregel zal later worden gestatueerd alsmede over de andere ingeroepen verweermiddelen.
De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
rechtdoende op tegenspraak,
Verklaart de eis ontvankelijk doch alvorens ten gronde te statueren,
Stelt aan als deskundige de heer L. V. C., belastingsconsulent, …, …, met als opdracht :
"Partijen en de rechtbank op te roepen zoals voorzien bij art. 965 Ger. W. op een plaats door hem te bepalen.
Rekeninghoudend met de verklaringen van partijen, de voorgelegde stukken en alle andere terzake dienende gegevens na te gaan :
1° Wanneer werden de goederen, opgenomen in de inventaris dewelke eiser liet opmaken bij genoemde inbreng in een vennootschap, aangekocht door eiser;
2° In welke periodieke BTW-aangifte deze goederen als verkocht werden aangegeven;
3° Welk bedrag aan BTW eiser afdroeg op deze goederen dewelke als zijnde verkocht werden aangegeven doch in werkelijkheid als onverkocht in stock bleven.
Een voorlopig verslag over te maken aan partijen en hun opmerkingen te beantwoorden.
Het behoorlijk beëdigd verslag (art. 979 Ger. W.) neer te leggen ter griffie dezer rechtbank binnen de drie maanden van de ontvangst van de gerechtsbrief, waarmede hem het vonnis wordt medegedeeld, inhoudende zijn aanstelling als deskundige.
De staat van kosten en ereloon onder aan het verslag te stellen."
Houdt de uitspraak over de kosten aan.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vijfde kamer, op het gerechtshof te Hasselt, op 12 MEI 1997, alwaar zetelden :
De Heer R. S., Ondervoorzitter,
De Heer R. D., Griffier.
R. D. R. S.
Décision jointe par le SPF
DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :
IN ZAKE AR nr. 96/274/A
V. V. J., gepensioneerde, wonende te …, …,
eiser,
vertegenwoordigd door Mr. J. B. loco Mr. H. V., advocaat te …, …;
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, MINISTERIE VAN FINANCIEN ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN, in de persoon van het hoofd van de BTW-controlekantoor te Neerpelt, wiens kantoor gevestigd is te 3910 Neerpelt, Heerstraat 37,
verweerder,
vertegenwoordigd door Mr. S. loco Mr. F. R., advocaat te …, …;
VOLGT HET VONNIS :
Gelet op :
- het tussenvonnis van 12.05.1997, waarbij de eis ontvankelijk werd verklaard en, vooraleer ten gronde te statueren, de heer L. V. C. als deskundige werd aangesteld;
- het verslag van de deskundige, neergelegd ter griffie op 5.04.2002;
- de conclusies en de stukken van partijen;
- de herneming van de zaak voor de zetel zoals deze thans is samengesteld;
Beoordeling
1. Inzake de toelaatbaarheid van de vordering, de omschrijving van de feiten en de situering van de bewijslast verwijst de rechtbank naar het tussenvonnis van 12 mei 1997.
2. In zijn voorlopig besluit (blz. 9) deelde de gerechtsdeskundige mede dat men uit de door eiser ter beschikking gestelde tabellen "voor elk goed (kan) nagaan wanneer het aangekocht werd", verder ook dat de toepassing van het forfaitaire BTW-systeem in hoofde van eiser meebracht dat "de verkochte goederen steeds (werden) vermeld in dezelfde BTW-aangiften als deze waarin de aangekochte goederen werden opgenomen" en tenslotte dat hij kwam op een eindbedrag van 1.060.464 BEF (thans € 26.288,22).
In zijn definitief besluit stelde de gerechtsdeskundige dat hij gelet op het onderzoek en op de mededelingen van partijen geen wijzigingen meende te moeten aanbrengen aan zijn eerdere voorlopige besluit.
3. In conclusie na deskundig verslag werpt verweerder op dat eiser in het verleden nooit de nodige formaliteiten had vervuld om te kunnen worden onderworpen aan de forfaitaire BTW-regeling, zodat de toepassing van die forfaitaire regeling en de gevolgen van die toepassing wat hem betreft in hoofde van eiser voor het ganse verleden uitgesloten zijn.
Verweerder kan in deze argumentatie niet worden gevolgd nu de belastingdienst zelf steeds in het verleden de toepassing van de forfaitaire regeling in hoofde van eiser heeft opgevolgd en de daaraan verbonden belastinggevolgen heeft gehecht, waardoor door de belastingdienst toen een gedragslijn werd aangenomen waaruit eiser dan rechtszekerheid kon putten, temeer verweerder, buiten de aanvangsvormvereiste van artikel 5, § 2 van KB nr. 2 inzake BTW, geen inhoudelijk afwijkende wettelijke regeling staande houdt die de aldus door de houding van de belastingdienst zelf veroorzaakte en opgebouwde rechtszekerheid zou beletten of teniet doen.
Nu op zuiver formele, oude gronden daarop terugkomen, nu die vroegere erkenning ongelegen komt in de huidige argumentatie, en zulks pas omdat er een vordering tot teruggaaf wordt gesteld, getuigt in dit verband verre van een correcte waarneming van de overheidstaak.
4. Eiser heeft in vak 32 van zijn BTW-aangifte over het derde kwartaal 1991 een bedrag van 1.242.234 BEF (thans € 30.794,18) in zijn voordeel opgenomen, waarvan verweerder in conclusie vermeldt dat het om een herziening ging.
Eiser heeft daarenboven onder Vak VIII van diezelfde aangifte een "Nog door de Staat verschuldigd bedrag" toegevoegd van 533.328 BEF (thans € 13.220,86) om dan onder Vak IX te komen op een totaal door de Staat verschuldigd bedrag van 1.775.562 BEF (thans € 44.015,03).
Naar aanleiding van de aangifte van stopzetting van werkzaamheid per 1 februari 1992 heeft de BTW-belastingdienst, onder de zekere premisse van forfaitaire belastingplicht in hoofde van eiser, onderzocht of laatstgenoemde de BTW op de nog in stock zijnde goederen effectief vervroegd had voldaan, zoals het immers diende te gebeuren bij een conforme toepassing van het BTW-forfait.
Te dezen doet verweerder gelden dat de inventaris die moet dienen ter controle van de stock buiten de voorgeschreven drie maand vanaf de stopzetting is ingediend en dat de inventaris louter vormelijk niet voldeed "aan de voorwaarden inzake bewijskracht" bepaald in een BTW-aanschrijving (nummer 18/1978).
5. De gerechtsdeskundige is echter beredeneerd tot de besluitvorming gekomen die hogerop werd aangehaald en hij stelt daartoe met zoveel woorden in zijn eindbesluit :
"Uit de opgestelde lijsten kan men immers voor elk goed nagaan wanneer het goed werd aangekocht. Het oudste artikel werd aangekocht in januari 1983. Het merendeel werd aangekocht in 1988 en 1989.
De inkomende facturen werden opgenomen in de BTW-aangiftes. Aangezien eiser steeds het forfaitaire BTW-regime heeft toegepast, werden de verkochte goederen steeds vermeld in dezelfde BTW-aangiftes als deze waarin de aangekochte goederen werden opgenomen".
Het loutere gegeven dat de gerechtsdeskundige zijn taak heeft waargenomen door middel van steekproeven, komt verweerder niet ten goede als argument, nu deze werkwijze uitgewezen heeft dat eerstgenoemde daarbij voor elk door hem onderzocht goed tot een precieze situering is gekomen, zoals hij uiteenzet in zijn aangehaalde besluitvorming.
Vanuit dit gegeven sluit de rechtbank zich aan bij deze besluitvorming (vgl. Cass. 4 januari 1974, Arr. Cass., 1974, 491; Cass. 5 april 1979, Arr. Cass.,1978-79, 931).
De aanspraken van eiser op teruggaaf onder het door hem aangevoerde wetsartikel 77, § 1, 1° zijn aldus bewezen, zij het op een lager bedrag dan wat eiser opnam in zijn aangifte, met name 1.060.464 BEF, thans € 26.288,22, i.p.v. € 30.794,18 aangegeven.
Gelet op daarnaast de reeds eerder tijdens het geding aan eiser geschiede terugbetaling van het buiten dit alles steeds onbetwist gebleven bedrag van 533.328 BEF (thans € 13.220,86) plus intrest daarop, is de vordering aldus nog gegrond voor € 26.288,22 in hoofdsom.
De intrestaanspraak van eiser staat niet op zich in betwisting (artikel 91 Wetboek BTW).
Doordat de bevindingen van de gerechtsdeskundige de aanspraken van eiser grotendeels bevestigen en niet - naar verweerder daarover beweert - in de plaats komen van de slechts door verweerder vormelijk aangevallen bewijsvoering van eiser, dient verweerder de kosten van het deskundig verslag te dragen.
De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK, rechtdoende op tegenspraak,
Verklaart de reeds in het tussenvonnis van 12 mei 1997 toelaatbaar verklaarde vordering deels gegrond.
Veroordeelt verweerder tot terugbetaling aan eiser van de som van ZESENTWINTIGDUIZEND TWEEHONDERD ACHTENTACHTIG EURO EN TWEEËNTWINTIG CENT (26.288,22 EUR), meer fiscaal wettelijke intrest tegen de wettelijke intrestvoet vanaf 1 april 1992 tot volledige betaling.
Wijst eiser af van het meer en/of het anders gevorderde.
Veroordeelt verweerder tot de kosten en begroot deze in hoofde van eiser als volgt :
€ 112,12 zijnde dagvaardingskosten, € 334,66 zijnde rechtsplegingsvergoeding en € 55,78 zijnde aanvullende rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer op het gerechtshof te Hasselt op 26 FEBRUARI 2003 alwaar aanwezig waren :
De Heer E. S., rechter, waarnemend voorzitter;
De Heer L. B. en J.-M. J., rechters;
De Heer R. J., adjunct-griffier.
R. J. J.-M. J. L. B. E. S.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.