Remboursement de la taxe · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Gand 14 novembre 2006

Rechercher
Texte en néerlandais

Remboursement de la taxeTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/remboursement-taxe-cour-appel-gand-2006-11-14-66a1

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Gand
Date
14 novembre 2006

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

61 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 14.11.2006

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Hof van beroep te Gent, 5be kamer, terechtzitting van 14-11-2006

BELASTINGEN

Nr. 2003/AR/950

in de zaak van:

B. T. I. NV, met maatschappelijke zetel te …, …; ingeschreven in het handelsregister te Kortrijk onder het nummer …, doch woonst kiezend ten kantore van haar raadsman mr. D. F. P., advocaat te …, …,

appellante,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. F. loco mr. D. F. P., advocaat te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Wetstraat 12 te 1000 Brussel, op vervolging en benaarstiging van de e.a. Inspecteur van het 1ste BTW-Ontvangkantoor te Kortrijk, wiens burelen gevestigd zijn te 8500 KORTRIJK, Hoveniersstraat 31,

geïntimeerde,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. V. I. loco mr. P. M., advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

1. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 22.2.2001 dagvaardde de appellante de geïntimeerde voor de rechtbank van eerste aanleg te Brugge teneinde uitspraak te horen doen over het verzet van de appellante tegen het dwangbevel uitgevaardigd door de ontvanger van het eerste BTW-ontvangkantoor Kortrijk, waarvan de burelen gevestigd zijn te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31, in datum van 19 januari 2000, uitvoerbaar verklaard door de eerstaanwezend inspecteur van de BTW te Waregem in datum van 21 januari 2000. Volgens vermelding in de dagvaarding heeft dit dwangbevel betrekking op een gevorderde BTW ten belope van … BEF (… EUR).

De appellante vorderde voor de eerste rechter dat het dwangbevel nietig zou worden verklaard, en de geïntimeerde zou worden veroordeeld tot de kosten van het geding.

Bij vonnis van 18.2.2003 van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, vierde kamer, werd de vordering van de appellante ontvankelijk doch ongegrond verklaard en werd de appellante veroordeeld tot de kosten.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 18.4.2003 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vermelde vonnis.

Het blijkt niet dat het bestreden vonnis werd betekend of dat de appellante erin zou hebben berust.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

Met haar hoger beroep vordert de appellante dat na vernietiging van het bestreden vonnis haar oorspronkelijke vordering zou worden gegrond verklaard.

De geïntimeerde vordert dat het hoger beroep ongegrond zou worden verklaard.

2. Op 11.3.1995 deed de appellante aan haar schuldeisers per telefaxbericht volgend voorstel (stuk 1 van de appellante) :

"

Betreft : Uw openstaande vorderingen

De NV B. T. I. bevindt zich in een uiterst precaire situatie. Heden wordt een bedrag van meer dan dertig miljoen aan wissels geprotesteerd.

De huidige aandeelhouders zien geen mogelijkheid om B. T. I. NV uit deze situatie te redden, situatie dewelke vooral ontstond na de ernstige brand in november 1994. De familiale aandeelhouders hebben zich dan ook verplicht gezien alle aandelen uit handen te geven aan de Heer T. G. (T. NV)

De Heer T. G. onderzoekt momenteel de mogelijkheid om de zaak verder te zetten, na sanering van de huidige situatie en teneinde zodoende een nakende faling te voorkomen. G., aandeelhouder voor een derde van de aandelen, en de Bank Brussel Lambert hebben reeds hun steun toegezegd in een reddingsplan, op voorwaarde van een borgstelling van de Heer T. G..

De Heer T. G. formuleert nu volgend voorstel :

U geeft als leverancier kwijtschelding van 40 % van Uw huidig openstaande vordering, mits betaling van het saldo uiterlijk tegen 17 maart 1995.

In geval van positieve reactie van de leveranciers zal B. T. I. NV gered zijn en verder kunnen werken met de toegezegde verse geldmiddelen.

Gezien de hoogdringendheid van dit probleem, vragen wij U onmiddellijk contact met ons op te nemen."

Er bestaat geen betwisting over dat de schuldeisers van de appellante dit voorstel hebben aanvaard. Er wordt door de appellante een schriftelijke aanvaarding door een van de schuldeisers overgelegd (stuk 2 van de appellante), dit in volgende bewoordingen : "Zoals vrijdag in uw burelen overeengekomen, gaan wij akkoord met uw voorstel om 40 % van onze openstaande vorderingen te laten vallen op het ogenblik dat het saldo aan ons betaald wordt …".

Op 4.6.1998 werd bij de appellante een BTW-controle uitgevoerd (zie het proces-verbaal d.d. 20.9.1999, stuk 5 van de appellante), wat volgens de controlerende ambtenaar resulteerde in een bedrag van … BEF (… EUR) aan BTW dat door de appellante verschuldigd was.

Een deel van deze BTW is verschuldigd ingevolge kortingen toegestaan door leveranciers zodat met toepassing van de artikelen 79, tweede lid BTW-wetboek de appellante het overeenstemmend bedrag aan BTW dat zij had afgetrokken verplicht was terug te storten aan de geïntimeerde door het te begrijpen in het bedrag van BTW verschuldigd voor het tijdvak waarin zij het verbeterend stuk (kredietnota; artikel 79, eerste lid BTW-wetboek) had ontvangen. Hieromtrent worden door de appellante geen middelen aangevoerd. Dit deel van de BTW, hetzij … BEF (… EUR) is hoe dan ook door de appellante verschuldigd.

Een ander deel van de BTW is de BTW op sommen kwijtgescholden door de leveranciers in toepassing van hoger aangehaald akkoord, en waarvoor deze leveranciers een kredietnota aan de appellante hadden overgemaakt. Dit deel van de BTW bedraagt in totaal … BEF (… EUR).

Omtrent dit laatste deel BTW houdt de appellante voor dat zij het niet verschuldigd is. Hiertoe houdt de appellante staande dat de kwijtschelding van 40 % van de schuldvorderingen volgens de hoger aangehaalde overeenkomst met haar leveranciers inhield dat deze laatsten ook afstand deden van hun recht op teruggaaf van de BTW door de Fiscus, wetende dat dit anders tot gevolg zou hebben dat de appellante de BTW die zij eertijds aftrok zou moeten terugbetalen, waardoor de dading houdende verdeling 60 % - 40 % zou worden aangetast. De aldus gesloten dadingsovereenkomst is volgens de appellante daaromtrent duidelijk en behoeft geen interpretatie.

De geïntimeerde daarentegen meent dat toepassing moet gemaakt worden van artikel 79, tweede lid BTW-wetboek, en de appellante de BTW op het kwijtgescholden deel van de schuldvorderingen verschuldigd is.

3. Anders dan door de appellante verdedigd is in het geheel niet duidelijk dat het met de hoger aangehaalde dadingsovereenkomst de bedoeling is geweest dat de leveranciers van de appellante niet alleen hun schuldvordering zouden zien verloren gaan, maar bovendien de mogelijkheid zouden verliezen de BTW te recupereren in toepassing van artikel 77, § 1, 7° BTW-wetboek.

De overeenkomst voorziet in "kwijtschelding van 40 % van Uw huidig openstaande vordering". Zoals gelibelleerd, kan niet aangenomen worden dat de leveranciers hieruit vanzelfsprekend afleidden ook van de BTW-recuperatie afstand te doen. Er mag integendeel van uitgegaan worden dat de leveranciers er aan zullen gedacht hebben dat, zo zij 40 % moesten prijsgeven, zij dan toch nog de BTW zouden recupereren van de Fiscus. In het voorstel van de appellante wordt immers zonder meer over de BTW geen woord gerept. Uit het feit dat de dadingsovereenkomst voor slot van alle rekening zou zijn gesloten tegenover de appellante kan ook niet worden afgeleid dat dit inhield dat de leveranciers geen BTW meer zouden kunnen recupereren van de Fiscus.

Zo dit de bedoeling van de appellante op het ogenblik van het sluiten van de dadingsovereenkomst geweest was, wat niet vaststaat, dan blijkt dit toch niet uit de dadingsovereenkomst.

Het is dan ook begrijpelijk dat de leveranciers vermeld in het proces-verbaal deze BTW hebben willen recupereren en hiertoe een kredietnota hebben uitgeschreven in toepassing van artikel 79, eerste lid BTW-wetboek. Dit is de normale reactie van een handelaar die zijn vordering verloren ziet gaan.

Op zijn minst moet worden vastgesteld dat de appellante haar voorstel niet duidelijk heeft geformuleerd indien zij hiermee de bedoeling had welke zij thans voorhoudt. Er zijn geen gegevens die de stelling van de appellante afdoende ondersteunen. Indien nog twijfel zou bestaan over de vraag of de dadingsovereenkomst afstand van recuperatie van de BTW door de leveranciers inhield, dient de overeenkomst over deze kwestie uitgelegd te worden in het nadeel van de appellante, partij die bedongen heeft (artikel 1162 Burg. W.).

Er moet derhalve worden aangenomen dat te dezen de situatie voorzien bij artikel 77, § 1, 7° BTW-wetboek voorhanden was, welke de leveranciers toeliet de BTW te recupereren van de Fiscus. Artikel 77, § 1, 7° BTW-wetboek voorziet in teruggaaf van de BTW wanneer de schuldvordering geheel of ten dele verloren is gegaan, en is, in die algemene bewoordingen gesteld, niet alleen van toepassing bij faillissement of gerechtelijk akkoord, maar in alle gevallen waarin de leverancier aantoont dat zijn vordering onbetaald blijft, geheel of ten dele (Zie Parl. Besch. Kamer, Buit. Zitt. 1968, Memorie van Toelichting, Pasinom. 1969, p. 879, sub artikel 77 in fine). Te dezen heeft de appellante haar voorstel tot kwijtschelding van schuld geformuleerd, wijzend op de precaire financiële situatie waarin zij zich bevond, om haar schuldeisers ertoe te brengen deze kwijtschelding toe te staan in ruil voor de zekerheid toch 60 % van hun vordering te kunnen innen.

Uit de overgemaakte kredietnota's blijkt de toepassing van artikel 77, § 1, 7° BTW-wetboek voor de leveranciers, wat ten aanzien van de appellante de toepassing met zich brengt van artikel 79, eerste en tweede lid BTW-wetboek, zodat de administratie terecht de BTW-schuld met betrekking tot de kwijtscheldingen van schuld in het bestreden dwangbevel heeft opgenomen.

In het proces-verbaal van 20.9.1999 werden de BTW-bedragen weerhouden die overeenstemden met de kredietnota's die de controlerende ambtenaar terugvond in de boekhouding van de appellante. De aanwezigheid van deze "verbeterende stukken" is een vaststelling geldend tot het bewijs van het tegendeel (bewijskracht van het proces-verbaal; zie p. 2 van dit proces-verbaal : Voor de in onderstaande tabel vermelde ontvangen verbeterende stukken werd met die bepalingen geen rekening gehouden). Te dezen wordt door de appellante niet aangetoond dat de betrokken leveranciers deze kredietnota's hebben geannuleerd.

Dispositif

OP DIE GRONDEN,

HET HOF, recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen;

Ontvangt het hoger beroep doch verklaart het ongegrond;

Bevestigt het bestreden vonnis;

Veroordeelt de appellante tot de kosten van het hoger beroep, in hun geheel begroot als volgt :

• aan de zijde van de appellante : op … EUR uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR;

• aan de zijde van de geïntimeerde : op … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer bis, recht doende in burgerlijke zaken, op VEERTIEN NOVEMBER TWEEDUIZEND EN ZES.

Aanwezig de Heren :

G. T., Raadsheer, waarnemend Voorzitter, alleenrechtsprekend,

M. V., griffier.

M. V. G. T.

Textes cités

2
CTVA art. 774 occurrences
CTVA art. 794 occurrences

Décisions similaires

8