Le texte de ce document est en néerlandais.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Gand du 22.03.2018
WF 709-15-16/055013
[Favorable à l’État belge]
Taxe sur la valeur ajoutée – Relevé de régularisation – Démolition et reconstruction d’un bâtiment d’habitation – Acomptes – Refacturation - Taux – Taux réduit
Dispositions légales
Articles 13, §2, 20, § 1er, et 28, 5°, du Code de la TVA
Article 1er, alinéa 1er, et rubrique XXXVII du tableau A de l’annexe à l’arrêté royal n° 20 du 20 juillet 1970 fixant les taux de la taxe sur la valeur ajoutée et déterminant la répartition des biens et des services selon ces taux
Résumé
1) Les faits pertinents et les antécédents de la procédure
La société requérante avait acheté en 2010 un immeuble affecté à la fois à un usage professionnel et à un usage d’habitation en indivision avec deux personnes physiques privées. Cette indivision s’est terminée le 16 janvier 2013. La société est devenue propriétaire des espaces de bureaux et de deux emplacements de parking et les personnes privées sont devenues chacune propriétaire d’un appartement (considéré comme un immeuble neuf) et d’un emplacement de parking. Le 24 mai 2012, la société avait déposé une déclaration pour une « démolition et reconstruction » auprès de l’office de contrôle de la TVA compétent, dans laquelle il était mentionné qu’elle agira en tant que maître d’ouvrage et que l’immeuble litigieux sera démoli, reconstruit et utilisé à titre principal comme logement privé. Le 30 juin 2012, l’entrepreneur a établi des factures au nom de la société.
Toutefois en 2013, la requérante a refacturé les deux nouveaux appartements résultant de la reconstruction aux deux personnes privées au taux de 6%. L’administration n’a pas accepté cette refacturation au taux de 6% et a rédigé un relevé de régularisation. La requérante n’a pas donné son accord sur cette régularisation et a introduit une action en justice.
2) Le jugement
Conformément à l’article 1er, premier alinéa, de l’arrêté royal n° 20, le taux normal de la TVA est fixé à 21%. Par dérogation, la taxe est perçue au taux réduit de 6% en ce qui concerne les biens et les services énumérés au tableau A de l’annexe à cet arrêté royal n° 20.
L'érection d'un bâtiment n'entre en considération pour l'application du taux réduit de 6 p.c. prévu par la rubrique XXXVII du tableau A précité pour autant que cela concerne la reconstruction d'un bâtiment et que le maître d'ouvrage a, en vue de cette reconstruction, lui-même démoli le bâtiment de la parcelle concernée ou l'a fait démolir. L'utilisation du bâtiment avant la démolition (qu'il soit à usage privé ou non) n'est ici d'aucun intérêt.
N'entrent notamment pas en considération pour l'application du taux de 6 p.c. de ladite rubrique XXXVII :
- l'agrandissement de la maison unifamiliale existante sans démolition d'une grande partie des anciens murs porteurs et de façon générale, des éléments essentiels de la structure de l'ancienne partie ;
- la démolition d'un bâtiment en vue de la revente de la parcelle comme terrain à bâtir et la reconstruction qui s'ensuit d'une habitation pour le compte de l'acheteur dudit terrain ;
- la finition d'une nouvelle habitation pour le compte de l'acheteur du bâtiment qui, préalablement à sa livraison dans un état inachevé, a été démoli et reconstruit pour le compte du vendeur.
Seul le maître d'ouvrage, c'est-à-dire la personne qui fait démolir le bâtiment et le fait reconstruire, peut, si toutes les conditions sont remplies, revendiquer le bénéfice de l’application du taux de 6 p.c. prévu par la rubrique XXXVII.
Le maître d'ouvrage peut du reste confier l'ensemble des travaux à un seul entrepreneur ou les répartir entre plusieurs corps de métier.
l ne ressort nullement des constatations reprises dans le dossier administratif que les personnes privées ont démoli l’ancien immeuble. Dès lors, au regard de la TVA, le maître d’ouvrage est la requérante.
Le tribunal considère que la refacturation de ces frais ne peut pas être considérée comme « acomptes » au sens de l’article 28, 5°, du Code de la TVA, puisque les factures entrantes, qui sont relatives à la construction des appartements, ont été établies au nom de la requérante.
Ainsi, l’administration a appliqué à raison les articles 13, § 2, et 20, § 1er, du Code de la TVA selon lesquels la requérante est réputée avoir reçu personnellement ces services, auxquels se rapportent les montants répercutés, et les avoir fournis personnellement.
La facturation de la construction des appartements par la requérante, qui a supporté l’intégralité des frais relatifs à la démolition de « l’ancienne habitation » et à la reconstruction subséquente, aux personne privées, qui ont reçu la partie de terrain correspondante suite à la sortie de l’indivision, est soumise au taux normal.
Texte du jugement
Le jugement est publié uniquement dans la langue originale
Corps de la décision
Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent Vonnis van 22/03/2018
Rol: 16/4513/A
In de zaak van:
UITGEVERIJ A. BVBA, KBO nr. …, met maatschappelijke zetel te …, …, EISENDE PARTIJ, niet-verschijnende partij;
Tegen:
De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën - Stafdienst Logistiek - Koning Albert Il laan 33 bus 971 te 1030 Brussel, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Adviseur Generaal - Centrumdirecteur, KMO Centrum Aalst, met kantoor te 9300 Aalst, Dr. A. Sierensstraat 16 bus 1, VERWERENDE PARTIJ, voor wie optreden de heer C. S., fiscaal deskundige bij een fiscaal bestuur, en de heer G. D. S., adviseur bij een fiscaal bestuur.
Beslist de rechtbank als volgt :
I. DE RECHTSPLEGING.
De rechtbank hoorde verwerende partij in zijn argumenten op de openbare terechtzitting van 22 februari 2018. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam de zaak in beraad. De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in en in het bijzonder het gedinginleidende verzoekschrift van 2 december 2016, het BTW-dwangbevel van 19 augustus 2016 met referte RCIV nr. … en de conclusies van partijen.
Eiseres is niettegenstaande behoorlijk daartoe opgeroepen niet aanwezig, noch vertegenwoordigd.
Aangezien de zaak is vastgesteld overeenkomstig artikel 747, §2, Ger.W. kan het vonnis op tegenspraak worden gewezen.
ll. DE VORDERING
Eiseres vordert in “antwoordconclusie”:
"Het bestreden dwangbevel te vernietigen en de daarin vervatte BTW- zowel in hoofdsom, boeten en interesten teniet te doen.
De terugbetaling te bevel van de onterecht geïnde BTW te bevelen.
Verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding, inclusief de RPV geschat op EUR ….”
Verweerster vordert in synthesebesluiten de vordering ontvankelijk en ongegrond te verklaren:
“De vordering van eiseres af te wijzen;
Het bestreden dwangbevel met de daarin vervatte BTW- zowel in hoofdsom, boeten en interesten - geldig te verklaren;
Voor zover nodig de tenuitvoerlegging van het dwangbevel door de Belgische staat toe te laten;
De Belgische staat niet te veroordelen tot de teruggave van de bedragen opgenomen in het dwangbevel;
De eiseres te veroordelen tot alle kosten van het geding.”
lIl. RELEVANTE FEITEN EN GESCHIL
1. Op 1 december 2010 kocht eiseres, de bvba A. Uitgeverij (97 %), een woon- en handelshuis, gelegen in de … te …, in onverdeeldheid samen met de heer en mevrouw V.-V. (1 %), de heer K. V. (1 %) en Mevr. N. V. (1 %).
Deze onverdeeldheid werd beëindigd op 16 januari 2013. Eiseres werd eigenaar van de kantoorruimte en twee parkings, beide kinderen werden elk eigenaar van één appartement en een parking. Daarna werd het gebouw afgebroken en heropgebouwd tegen een 6% tarief.
2. Op 24 mei 2012 legde eiseres een “verklaring BTW-tarief 6% voor afbraak en heropbouw” af gericht aan de Controle BTW Aalst 2. In dit document verklaart dhr. E. V., als zaakvoerder van eiseres, dat de vennootschap optreedt als bouwheer en dat het gebouw gelegen in de … te … zal worden afgebroken en heropgericht om dan hoofdzakelijk als privé-woning te worden gebruikt.
Op 30 juni 2012 werden door de leverancier bvba T. 4 facturen opgesteld op naam van eiseres, de bvba A. Uitgeverij, inzake de afbraak van het huis gelegen in de … te ….
3. De BTW-controle heeft tevens vastgesteld dat in het jaar 2012, door eiseres, nog tal van andere facturen werden ontvangen die aantonen dat de nieuwbouwwerken reeds zijn gestart in het jaar 2012, waaronder de facturatie van de EPB startverklaring van de werken, en diverse voorschotfacturen die betrekking hebben op het metselen van de ruwbouw door bvba V. H. G. en bvba V. O..
Uit de balans en de afschrijvingstabel van eiseres op 31 december 2012 (stukken 427-432 van het administratief dossier), blijkt dat de kosten met betrekking tot de afbraakwerken van het oude gebouw, gelegen in de … te …, evenals de reeds ontvangen inkomende facturen inzake de heropbouw van het appartementsgebouw, werden geboekt op de balansrekening 22110 «Gebouwen» en werden afgeschreven.
4. Op 23 juli 2013 werd door eiseres een factuur opgesteld op naam van dhr. K. V., … te … voor een bedrag van … EUR + …EUR BTW. Deze factuur vermeldt als omschrijving «Bouw van het appartement in de … - uw aandeel in de bouwkosten».
Op 23 augustus 2013 werd door eiseres een factuur opgesteld op naam van mevr. N. V., … te … voor een bedrag van … EUR + … EUR BTW. Deze factuur vermeldt als omschrijving «Bouw van het appartement in de … - uw aandeel in de bouwkosten».
5. In het kader van een controle werd op 20 oktober 2014 een vraag om inlichtingen verzonden naar eiseres, meer bepaald inzake de investeringen die plaatsvonden in het jaar 2012 (stuk 142 van het administratief dossier).
Eiseres beantwoordde deze vraag om inlichtingen op 7 november 2014 en maakte de gevraagde investeringsfacturen over, samen met een overzicht van de bedrijfsmiddelen en een kopie van de aankoopjournalen met betrekking tot het jaar 2012. Bovendien werd schriftelijk verklaard dat 18,11 % van het gebouw, gelegen in de … te …, “beroepsmatig” werd gebruikt en dat een BTW-rechtzetting werd doorgevoerd voor een bedrag van … EUR.
Vervolgens werden bijkomende inlichtingen via mail opgevraagd op 20 november 2014 en 22 december 2014.
6. Op 24 april 2015 werd een BTW-correctieopgave opgemaakt.
Uit deze correctieopgave blijkt dat de volgende bedragen verschuldigd zijn:
Verschuldigde rechten BTW: … EUR
Proportionele geldboete: … EUR bij toepassing van de artikelen 70, § 1 en 70, §1bis W.BTW. Deze wettelijke geldboeten worden echter verminderd en afgerond tot … EUR.
Nalatigheidsinteresten: … EUR (de interest is van rechtswege verschuldigd op grond van artikel 91, § 1 W.BTW. en werden berekend tot en met 20 september 2016)
7. Op 26 mei 2015 werd een niet akkoord met de voorgestelde correctieopgave ingediend door de toenmalige raadsman van eiseres. Uit dit niet akkoord bleek dat het enige geschilpunt de door de BTW-administratie de niet aanvaarde doorfacturatie van de uitgevoerde werken in onroerende staat aan de kinderen V. aan het BTW-tarief van 6 % was. Er kon geen minnelijk akkoord tussen de partijen worden gesloten.
8. Op 17 juli 2015 werd aan eiseres een kennisgeving van beslissing tot naheffing verzonden. Ingevolge een materiële vergissing in de kennisgeving van beslissing tot naheffing van 17 juli 2015 werd op 12 november 2015 een vervangende kennisgeving van beslissing tot naheffing aan eiseres verzonden.
Op 28 juli 2016 werd een dwangbevel uitgevaardigd jegens eiseres op basis van de beslissing tot naheffing van 12 november 2015 (artikel 500151106875) dat op 29 juli 2016 werd geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard.
Dit dwangbevel werd op 19 augustus 2016 bij deurwaardersexploot betekend aan eiseres.
9. Eiseres betwist deze BTW-vordering in het verzoekschrift neergelegd ter griffie van deze rechtbank.
IV. BEOORDELING
Ontvankelijkheid
Verweerster voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt is de vordering ontvankelijk.
Ten gronde
Inzake de motivering van het dwangbevel
1. Eiseres werpt op dat het dwangbevel niet afdoende is gemotiveerd. Deze motivering dient te gebeuren in het dwangbevel zelf, niet in de bijlagen. Het dwangbevel zelf vermeldt niet (zelfs niet summier) op basis van welke wetsbepalingen de betrokken BTW geheven wordt en op welke gronden deze (eventuele) wetsbepalingen van toepassing zouden zijn op de betrokken feiten. Het dwangbevel is dus nietig.
2. Verweerster argumenteert dat het dwangbevel voldoende is gemotiveerd door de aanhechting van de beslissingen tot naheffing van 12 november 2015 aan het dwangbevel. Deze beslissing tot naheffing verwijst zowel naar de juridische als naar de feitelijke elementen die als grondslag hebben gediend voor de vordering. Het dwangbevel voldoet bijgevolg volkomen aan de motiveringsvereisten.
3. Een dwangbevel is een middel tot tenuitvoerlegging, dat voor zijn geldigheid een uitvoerbare titel veronderstelt.
Het dwangbevel is een eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking, die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur. Het is aldus een bestuurshandeling in de zin van artikel 1, eerste gedachtestreepje, van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.
Een dwangbevel moet derhalve krachtens artikel 2 van de Wet van 29 juli 1991 uitdrukkelijk worden gemotiveerd.
De rechtbank stelt vast dat bij het bestreden dwangbevel van 19 augustus 2016 met referte RCIV nr. … de beslissing tot naheffing van 12 november 2015 als bijlage werd gevoegd. Verder werd melding gemaakt van het proces-verbaal van vaststelling van 25 juni 2015 dat reeds eerder werd overgemaakt aan eiseres.
Deze bijlage aan het dwangbevel en het reeds eerder overgemaakte proces-verbaal bevatten de essentiële informatie die eiseres moet toelaten met kennis van zaken te beoordelen of zij het dwangbevel moet aanvechten.
Het dwangbevel en de beslissing tot naheffing, alsook het proces-verbaal en de andere bijlagen, bevatten zowel de juridische grondslag als de vaststellingen, waarop verweerster haar vordering heeft gesteund.
Gezien eiseres met kennis van zaken kon beoordelen of zij dit dwangbevel al dan niet moest aanvechten, is de rechtbank van oordeel dat zowel aan de formele als aan de materiële motiveringsplicht is voldaan, inzake het dwangbevel en de zeer uitgebreide beslissing tot naheffing en de hieruit voortvloeiende verschuldigde BTW, de administratieve geldboete en de nalatigheidsinteresten.
De grief van eiseres is ongegrond.
Inzake het voorliggende geschil
4. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen argumentatie naar voor heeft gebracht inzake:
de berekening van de normale waarde (bij toepassing van het artikel 33, § 2 W.BTW.), ingevolge de facturatie aan de heer K. V. en mevrouw N. V. van de uitgevoerde werken in onroerende staat;
de herberekening van de verschuldigde BTW, tegen het normale BTW-tarief, op basis van de inkomende facturen onder het regime "BTW medecontractant" die enkel betrekking hebben op het kantoorgedeelte (stukken 67 t.e.m. 69 van het administratief dossier) en die betrekking hebben op zowel het kantoorgedeelte als de voor privé-gebruik bestemde appartementen (stukken 69 en 70 van het administratief dossier);
de herziening ten gevolge van de afgesloten huurovereenkomst met betrekking tot het kantoor gelegen op het gelijkvloers van het pand gelegen in de … te … (stukken 70 t.e.m. 74 van het administratief dossier).
Deze hierboven genoemde elementen werden allen opgenomen in de beslissing tot naheffing van 12 november 2015 (stukken 44 t.e.m. 84 van het administratief dossier) en werden als dusdanig niet betwist door eiseres in haar antwoordconclusie van 15 september 2017, noch in haar niet akkoord van 26 mei 2015 waarnaar zij verwijst in haar antwoordconclusie.
Eiseres argumenteert enkel over het toegepaste BTW-tarief betreffende de opgestelde verkoopfacturen gericht aan dhr. K. V. en mevr. N. V. (stukken 414 en 415 van het administratief dossier).
Inzake de toepassing van het BTW-tarief
5. Eiseres werpt op dat het enige geschilpunt betrekking heeft op het feit of de afbraakwerken ook voor rekening van de “kinderen V.” gebeurden. Vermits deze kinderen, elke toelating tot bouwen en elk ander argument ten spijt, steeds eigenaar gebleven zijn van hun deel van het gebouw (telkens één appartement en één parkeerplaats) kunnen de werken niet anders dan voor hun rekening gedaan geweest zijn. Zij dragen er immers de vruchten van en waren dan ook verplicht eiseres terug te betalen, hetgeen ook gebeurd is (stukken 414-415 van het administratief dossier). Volgens eiseres dient dan het BTW-tarief van 6 % te worden toegepast.
6. Overeenkomstig artikel 1, 1ste lid K.B. nr. 20 van 20 juli 1970, bedraagt het normale tarief van de BTW voor goederen en diensten bedoeld in het Wetboek 21 %.
In afwijking van het eerste lid wordt de belasting geheven tegen het verlaagd tarief van:
6 % voor de goederen en diensten opgenomen in tabel A van de bijlage bij dit besluit.
Dit verlaagd tarief mag evenwel niet toegepast worden als de diensten bedoeld in tabel A bijkomstig deel uitmaken van een complexe overeenkomst die hoofdzakelijk andere diensten tot voorwerp heeft;
12 % voor de goederen en diensten opgenomen in tabel B van de bijlage bij dit besluit.
Overeenkomstig rubriek XXXVII van het K.B. nr. 20 is het verlaagd tarief van 6 % van toepassing op het werk in onroerende staat en de andere handelingen opgesomd in rubriek XXXI, § 3, 3° tot 6°, die tot voorwerp hebben de afbraak en de daarmee gepaard gaande heropbouw van een woning.
Het voordeel van het verlaagd tarief is onderworpen aan het vervullen van de navolgende voorwaarden :
- de handelingen moeten betrekking hebben op een woning die, na de uitvoering van de werken, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk als privé-woning wordt gebruikt;
- de handelingen moeten betrekking hebben op een woning die gelegen is in één van de grote steden opgesomd in de koninklijke besluiten van 12 augustus 2000, 26 september 2001 en 28 april 2005 ter uitvoering van artikel 3 van de wet van 17 juli 2000 tot bepaling van de voorwaarden waaronder de plaatselijke overheden een financiële bijstand kunnen genieten van de Staat in het kader van het stedelijk beleid ;
(opgeheven bij art. 7 van het K.B. van 02.06.2010).
- de bouwheer moet:
vooraleer de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig de artikelen 22, § 1 en 22bis van het Wetboek, bij het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde van het ambtsgebied waarin het gebouw is gelegen een verklaring indienen.
Deze verklaring dient te vermelden dat het gebouw dat hij laat afbreken en heroprichten bedoeld is om hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk, als privé-woning te worden gebruikt en dient vergezeld te zijn van een afschrift van :
- de bouwvergunning ;
- het (de) aannemingscontract(en).
- aan de dienstverrichter een afschrift van de verklaring bedoeld onder a) overhandigen.
Het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt overeenkomstig de artikelen 22, § 1 en 22bis van het Wetboek, moet zich voordoen uiterlijk op 31 december van het jaar van de eerste ingebruikneming van het gebouw.
de door de dienstverrichter uitgereikte factuur en het dubbel dat hij bewaart, moeten, op basis van het afschrift bedoeld onder punt 4°, b), hiervoor, melding maken van het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen; behalve in geval van samenspanning tussen de partijen of klaarblijkelijk niet naleven van onderhavige bepaling, ontlast de verklaring van de afnemer de dienstverrichter van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief.
Het verlaagd tarief is in geen geval van toepassing op:
- werk in onroerende staat en andere onroerende handelingen die geen betrekking hebben op de eigenlijke woning, zoals bebouwingswerkzaamheden, tuinaanleg en oprichten van afsluitingen;
- werk in onroerende staat en andere onroerende handelingen die tot voorwerp hebben de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van zwembaden, sauna's, midgetgolfbanen, tennisterreinen en dergelijke installaties;
- gehele of gedeeltelijke reiniging van een woning.
7. De rechtbank merkt verder op dat volgende wettelijke bepalingen van belang zijn in het voorliggende geschil.
Overeenkomstig het punt 2 van de “Informaties en mededelingen m.b.t. de afbraak en heropbouw van gebouwen in stadsgebieden van 22 juni 2007” is het verlaagd tarief van 6 % van rubriek XXXVII van toepassing op het werk in onroerende staat en de andere handelingen opgesomd in het K. B. nr. 20, bijlage, tabel A, rubriek XXXI, § 3, 3° tot 6°, die tot voorwerp hebben de afbraak en de daarmee gepaard gaande heropbouw van een woning.
De oprichting van een gebouw komt slechts in aanmerking voor de toepassing van het tarief van 6 % van rubriek XXXVII voor zover het gaat om de heropbouw van een woning en voor zover de bouwheer, met het oog op, en voorafgaand aan die heroprichting, het gebouw op betreffend perceel zelf heeft afgebroken of heeft laten afbreken. De aanwending van het gebouw vóór de afbraak is hierbij van geen belang.
Komen inzonderheid dus niet in aanmerking voor de toepassing van het tarief van 6 % van rubriek XXXVII
de uitbreiding van een bestaande ééngezinswoning zonder afbraak van het grootste deel van de oude dragende muren en van, meer algemeen, de wezenlijke elementen van de structuur van het oude gedeelte (die uitbreiding kan echter in bepaalde omstandigheden in aanmerking komen voor de toepassing van het tarief van 6 % van K.B.nr. 20, artikel 1bis, en bijlage, tabel A, rubriek XXXI; zie in dit verband de beslissing van 1 september 1994, nr. E.T. 106.933);
de afbraak van een gebouw met het oog op de verkoop van het perceel als bouwgrond en de daaropvolgende oprichting van een woning voor rekening van de koper van het bouwrijpe perceel;
de afwerking van een woning voor rekening van de eigenaar die het gebouw heeft gekocht van degene die de woning heeft laten afbreken en gedeeltelijk heropbouwen.
Een ingrijpende verbouwing zonder wezenlijke uitbreiding van het bestaand gebouw, waarbij de werken ingevolge afbraak niet op een relevante wijze steunen op oude dragende muren en, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de structuur van het gebouw, kan niet worden aangemerkt als een handeling als bedoeld in het K.B.nr. 20, artikel 1bis, §1, 1°of bijlage, tabel A, rubriek XXXI § 1,1°. Dergelijke ingrijpende verbouwing wordt voor de toepassing van rubriek XXXVII echter gelijkgesteld met de afbraak en heropbouw van een gebouw.
Voor de toepassing van het tarief van 6 % van rubriek XXXVII is van geen belang of de heropbouw betrekking heeft op een ééngezinswoning of op een appartementsgebouw.
Overeenkomstig punt 4 van de "Informaties en mededelingen m.b.t. de afbraak en heropbouw van gebouwen in stadsgebieden van 22juni 2007" kan alleen de bouwheer (met name diegene die het gebouw laat afbreken en heroprichten), indien alle voorwaarden zijn vervuld, zich beroepen op het voordeel van het tarief van 6 % van rubriek XXXVII.
Geen enkel onderscheid moet daarentegen worden gemaakt naargelang de bouwheer een beroepsoprichter, een toevallige oprichter of een onderneming is waarvan de economische activiteit bestaat in het verhuren van privé-woningen. De bouwheer kan overigens de werken toevertrouwen aan één aannemer of aan meerdere vaklieden.
Wanneer evenwel een aannemer het geheel of een gedeelte van de werken die hem door de bouwheer werden toevertrouwd in onderaanneming geeft, is in de relatie tussen de aannemer en zijn onderaannemer de belasting steeds verschuldigd tegen het normale BTW-tarief van 21 %.
8. De rechtbank stelt vast dat de oprichting van het appartmentsgebouw gelegen in de Pontstraat 45 te 9300 Aalst bestaat uit vier appartementen, waarvan er drie bestemd zijn om hoofdzakelijk als privé-woning te worden gebruikt. Het vierde appartement gelegen op het gelijkvloers is bestemd om beroepsmatig (als kantoorgedeelte) te worden gebruikt.
Verweerster heeft terecht rekening gehouden met het feit dat inzake appartementen de toestand dient te worden bekeken in functie van de door de eigenaar eraan gegeven bestemming, en dit appartement per appartement, zodat het normale BTW-tarief van toepassing is op de uitgevoerde werken die betrekking hebben op de oprichting van het appartement gelegen op het gelijkvloers, met name het kantoorgedeelte.
9. Verweerster heeft vastgesteld inzake de facturatie van de uitgevoerde werken in onroerende staat aan dhr. K. V. en mevr. N. V. dat de bvba A. Uitgeverij, eiseres dus, facturen heeft opgesteld waarbij het verlaagd BTW-tarief van 6 % werd aangerekend.
De rechtbank is van oordeel dat de doorfacturatie van deze kosten niet kunnen beschouwd worden als voorschotten in de zin van het artikel 28,5° van het BTW-Wetboek aangezien de ontvangen inkomende facturen, die betrekking hebben op de oprichting van deze twee appartementen, werden opgesteld op naam van eiseres. Tevens komt de oprichting van een gebouw slechts in aanmerking voor de toepassing van het tarief van 6 % van rubriek XXXVII voor zover het gaat om de heropbouw van een woning en voor zover de bouwheer, met name diegene die het gebouw heeft laat afbreken en heroprichten, met het oog op, en voorafgaand aan die heroprichting, het gebouw op het betreffende perceel zelf heeft afgebroken of heeft laten afbreken.
De bouwheer moet vooraleer de belasting opeisbaar wordt een verklaring indienen bij de BTW-controle. Dergelijke verklaring (zie III.2.) werd enkel ingediend door eiseres. Om te kunnen genieten van het verlaagd tarief van 6 % dient de bouwheer voorafgaand aan de heroprichting van het gebouw het perceel zelf te hebben afgebroken of hebben laten afbreken. Uit de vaststellingen van het administratief dossier blijkt niet dat dhr. K. V. en mevr. N. V. het oude gebouw hebben afgebroken of in hun opdracht hebben laten afbreken. Des te meer daar op het ogenblik van de afbraakwerken, omstreeks juni 2012, dhr. K. V. en mevr. N. V. slechts eigenaar waren van 1 % van het grondaandeel (cfr. beëindiging van de onverdeeldheid vond pas plaats op 16 januari 2013) zodat zij niet konden optreden als bouwheer.
De bouwheer inzake BTW is bijgevolg eiseres. Zo heeft verweerster terecht toepassing gemaakt van de artikelen 13, § 2 en 20, § 1 van het W.BTW waarbij eiseres wordt geacht de dienstprestaties, waarop de doorgerekende bedragen betrekking hebben, zelf te hebben ontvangen en op zijn beurt zelf te hebben verstrekt.
De facturatie van het bouwen van een appartement door eiseres, die integraal de kosten heeft gedragen voor het laten afbreken van de “oude woning” en het heropbouwen ervan, aan dhr. K. V. en mevr. N. V. - die het overeenstemmende grondaandeel hebben verkregen van eiseres ingevolge het uittreden uit de onverdeeldheid op 16 januari 2013 - is onderworpen aan het normale BTW-tarief, met name 21 %.
De grief van eiseres is ongegrond.
Inzake de geldboete
10. Eiseres argumenteert dat het opleggen van de verminderde boete onterecht is omdat het geschilpunt van principiële aard is.
11. Overeenkomstig artikel 70 § 1 W.BTW wordt, voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. Krachtens artikel 70 §1bis W.BTW verbeurt ieder die op onrechtmatige of ongeoorloofde wijze de belasting in aftrek heeft gebracht, een geldboete gelijk aan het dubbele van die belasting, in zover die overtreding niet wordt bestraft bij toepassing van §1, eerste lid.
Overeenkomstig artikel 84 W.BTW wordt het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten binnen de door de wet gestelde grenzen verminderd volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.
Overeenkomstig artikel 1, laatste lid van het KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW is de schaal voor de vermindering van de proportionele fiscale geldboeten niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.
12. De fiscale administratie heeft een wettelijke boete van … EUR opgelegd overeenkomstig het artikel 1, 1ste lid van het K.B. nr.41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van BTW en overeenkomstig de tabellen G en H van de bijlage bij dit besluit en deze is verminderd tot een bedrag van … EUR. Overeenkomstig artikel 4 van het K.B. nr. 41 is dit bedrag vervolgens afgerond tot een bedrag van … EUR.
13. De rechtbank is van oordeel dat de opgelegde boete evenredig is met de inbreuken en met het doel van een administratieve boete. De zienswijze van eiseres dat het geschil van principiële aard is wordt niet gevolgd door de rechtbank. Het voorliggende geschil heeft betrekking op de vraag of de afbraakwerken ook voor rekening van dhr. K. V. en mevr. N. V. zijn uitgevoerd. Dit geschilpunt betreft een feitenkwestie. Daarom beslist de rechtbank om de boete niet te matigen. Bovendien is de boete evenredig met de ernst van de overtreding.
Besluit
14. Alle meeromvattende en strijdige conclusies worden verworpen als niet ter zake dienend.
Op basis van de hierboven gemaakte overwegingen is de vordering van eiseres ongegrond zodat het dwangbevel wordt bevestigd.
V. GERECHTSKOSTEN
Eiseres dient, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het geding te worden verwezen (art. 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek).
In toepassing van de artikelen 279 en 162, 4° van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten is geen rolrecht verschuldigd.
De kosten van het geding beperken zich tot de rechtsplegingsvergoeding.
Aangezien verweerster geen beroep op een advocaat heeft gedaan, kan zij ook geen aanspraak maken op een rechtsplegingsvergoeding. In deze omstandigheid is het dan ook over overbodig tot begroting ervan over te gaan.
DEZE RECHTBANK beslist:
recht doende op tegenspraak;
met inachtneming van de artikelen 2 en 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken:
alle meeromvattende en strijdige conclusies te verwerpen als niet ter zake dienend;
de vordering ontvankelijk en ongegrond te verklaren;
dat tot dusver geen kosten van het geding te begroten zijn.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op donderdag tweeëntwintig maart tweeduizend achttien, waar aanwezig waren:
Ondertekeningen
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.