Régime particulier, petite entreprise, preuve, mesure de contrôle, poursuite · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Hasselt 4 mars 2009

Rechercher
Texte en néerlandais

Régime particulier, petite entreprise, preuve, mesure de contrôle, poursuiteTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/regime-particulier-petite-entreprise-preuve-tribunal-hasselt-2009-03-04-5635

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Hasselt
Date
4 mars 2009

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

92 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Hasselt du 04.03.2009

Résume non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER D, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :

IN ZAKE A.R. nr. 02/907/A :

C. M., en

K. L., beiden wonende te …, ….

Eisers, vertegenwoordigd door mr. J. J. loco mr. V. B. D., advocaat te …, ….

tegen :

ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN, in de persoon van de ontvanger de eerstaanwezend inspecteur a.i. van het 2de BTW-ontvangkantoor, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, koning Boudewijnlaan 4.

DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.

Verweerder, vertegenwoordigd door mr. R. F., advocaat te …, ….

VOLGT HET VONNIS :

Gelet op :

- het exploot van gerechtsdeurwaarder van 24.04.2002 waarbij eiser verzet aantekende tegen het dwangbevel (R.C.l.V.-nr. …) uitgevaardigd op 17.04.2000 en geviseerd en uitvoerbaar op 18.04.2000;

- de conclusie voor verweerder van 29.06.2004;

- de conclusies voor eiser van 19.06.2006;

- de syntheseconclusies voor eiser van 29.08.2008;

- de syntheseconclusies voor verweerder van 15.12.2008;

- de syntheseconclusies voor verweerder van 16.12.2008.

Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.


I. DE FEITEN EN VOORGAANDEN

De vordering van eiser betreft het verzet tegen het dwangbevel (R.C.l.V.-nr. …) dat op zijn naam en lastens hem werd uitgevaardigd op 17.04.2000 door de heer J. R., eerstaanwezend inspecteur van het tweede Btw­Ontvangkantoor te Hasselt en dat werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer R. C., gewestelijk directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Hasselt op 18.04.2000.

Middels gerechtsdeurwaardersexploot van 19.04.2000 werd een voor eensluidend verklaard afschrift van het dwangbevel, met in bijlage het proces-verbaal opgemaakt te Hasselt op 12.04.2000, betekend aan eiser en werd aan hem een bevel gedaan om te betalen.

Bij voormeld dwangbevel wordt door verweerder van eiser gevorderd :

- BTW (hoofdsom) : … (… euro);

- Boete : … BEF. (… euro);

Meer intresten en kosten.

Eiser baat te …, een drankgelegenheid met een snookercentrum uit en is als Btw-plichtige geregistreerd onder nr. BE ….

Op 10 maart 1998 werd er een controle uitgevoerd door H. H., eerstaanwezend verificateur bij de Administratie van de onderneming- en inkomensfiscaliteit, controlecentrum Hasselt-Beringen met het oog op een fiscaal toezicht op de toepassing van de Btw-wetgeving over de jaren 1995 en 1996.

Eiser was met betrekking tot de activiteit van café-uitbater onderworpen aan de forfaitaire regeling zoals voorzien in art. 56 §1 WBTW.

Er werden verschillende inbreuken op de Btw-wetgeving vastgesteld. De ontvangsten van het snookercentrum werden op geen enkele wijze bijgehouden of verantwoord. In de aankoopfacturen kon slechts een beperkte hoeveelheid grondstoffen teruggevonden worden nodig voor de bereiding van de snacks die volgens de prijslijst verkrijgbaar waren. Volgens de prijslijst waren er sterke dranken te verkrijgen doch voor 1995 werden er geen aankopen van sterke dranken opgenomen in de boekhouding. Voor het boekjaar 1996 was er geen overeenstemming tussen de boekhouding van eiser en de door hem ingediende Btw-aangiften. Bovendien werd er vastgesteld dat het verbruik van CO 2 niet in verhouding was met de aangekochte biervaten.

Eiser voerde zowel wat het cafégedeelte betreft als wat het snookercentrum betreft een onvolledige en oncontroleerbare boekhouding. Er waren in de boekhouding van eiser elementen aanwezig die aantoonden dat eiser niet alle belastbare handelingen had opgenomen in zijn periodieke Btw-aangiften.

Door de controleambtenaar werd er overgegaan tot een herberekening van de minimum gerealiseerde omzet. Dit resulteerde in een meeromzet van … (excl. BTW) BEF. (… euro) voor boekjaar 1995 en in een meeromzet van … (excl. BTW) BEF. (… euro) voor boekjaar 1996.

Van deze vaststellingen werd op 12.04.2000 proces-verbaal opgesteld.

II. IN RECHTE

1. De ontvankelijkheid

1. Verweerder werpt geen middelen van niet-ontvankelijkheid op en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is dan ook ontvankelijk.

2. Gegrondheid

1. Eiser houdt voor dat de vordering van de fiscus verjaard is op grond van art. 81 (oud) WBTW.

Krachtens dit artikel verjaart de vordering tot voldoening van de belasting, van de intresten en van de administratieve geldboete door verloop van vijf jaren te rekenen vanaf de dag waarop zij is ontstaan.

Art. 82 (oud) WBTW bepaalt : "Zowel ten aanzien van de voldoening als ten aanzien van de teruggaaf van de belasting, de intresten en de administratieve geldboete, wordt de verjaring gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. Een nieuwe verjaring die op dezelfde wijze kan worden gestuit, wordt in dat geval verkregen vijf jaar na de laatste stuiting van de vorige verjaring indien geen rechtsgeding hangende is. Afstand van de verlopen tijd der verjaring en kennisgeving van het dwangbevel op de wijze als bedoeld in art. 85, §1 WBTW, worden ten aanzien van hun gevolgen gelijkgesteld met de in het vorige lid bedoelde stuiting. "

De vordering tot voldoening van de BTW ontstaat bij het verstrijken van de indieningstermijn van de Btw-aangifte waarin de verschuldigde BTW moet worden opgenomen (Brussel, 20.09.2006, TFR, 2007, 675). Derhalve begon de verjaring ten vroegste te lopen op 21.04.1995. De kennisgeving van het dwangbevel op 09.04.2000 bij exploot van gerechtsdeurwaarder en conform de voorwaarden van art. 85 WBTW, stuit de verjaring van de vordering tot voldoening van de belasting, van de intresten, van de administratieve geldboete en van het toebehoren.

Vervolgens heeft eiser bij exploot van gerechtsdeurwaarder van 24.04.2002 een rechtsgeding ingeleid inhoudende het verzet tegen het dwangbevel van verweerder.

Een rechtsgeding met betrekking tot de toepassing of de invordering van de BTW dat wordt ingesteld door de schuldenaar van de BTW schorst de verjaring. In art. 82 (oud) WBTW wordt immers vermeld "indien geen rechtsgeding hangende is". Ten deze is het dwangbevel de eerste daad van uitvoering waartegen de belastingplichtige enkel kan opkomen door het instellen van een vordering voor de rechtbank. Deze rechtsvordering, eenmaal de verjaring door de betekening van het dwangbevel werd gestuit, schorst in principe zolang het rechtsgeding loopt.

Rekening houdende met het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat de vordering van verweerder niet verjaard is.

2. Eiser houdt voor dat er een willekeurig optreden is van de AOIF. De Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit is willekeurig opgetreden omdat elke omzetverhoging, vastgesteld door de afdeling directe belastingen dient gelijk te zijn aan de omzetverhoging gehanteerd door de afdeling BTW. Eiser stelt dat dit principe niet werd gerespecteerd Het bericht van wijziging van 2 juli 1998 bevat een andere omzetverhoging dan het proces-verbaal van 12.04.2000. Verder stelt eiser dat uit de gevoerde correspondentie uitgaande van de AOIF, dat niettegenstaande op 2juli 1998 (datum van het opmaken van het bericht van wijziging) de verificatie reeds was afgesloten, de AOIF, sector BTW, het toezicht en de controle over dezelfde jaren bleef uitvoeren.

Het feit dat er een verschil bestaat tussen de omzet inzake directe belastingen en de omzet inzake de BTW wijst op zich niet op een willekeurig optreden van de administratie. Het gebruik van gegevens weerhouden door de administratie der directe belastingen kan als vermoeden ingeroepen worden doch er dient altijd nagegaan te worden of de inkomsten weerhouden in de directe belastingen wel onder de BTW ressorteren en of op een bepaalde omzet die niet belastbaar is in de inkomstenbelasting toch BTW moet afgedragen worden.

Bovendien vallen de onderzoekstermijnen inzake BTW samen met de verjaringstermijnen. Krachtens artikel 81(oud) WBTW verjaart de vordering tot voldoening van de belasting, van de intresten en van de administratieve geldboete door verloop van vijf jaren te rekenen vanaf de dag waarop zij is ontstaan.

Hierboven werd reeds uiteengezet dat de vordering tot voldoening van de BTW nog niet verjaard is.

3. Eiser stelt in besluiten dat het AOIF geen bevoegdheid had om de controle uit te voeren, doch dat dit had dienen te gebeuren door de Administratie van de BTW, registratie en domeinen.

Bij KB van 6 juli 1997 werd de AOIF opgericht, een administratie die op het niveau van de buitendiensten uit polyvalente controlecentra en opsporingsdiensten bestaat. De ambtenaren van het AOIF zijn afkomstig van de administratie van de directe belastingen en van de administratie van de BTW, registratie en domeinen.

De rechtbank stelt vast dat de wet aan de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit overeenkomstig art. 8 van het KB van 6 juli 1997 de bevoegdheid heeft verleend om een polyvalente verificatie van de fiscale toestand uit te voeren. Ambtenaren die behoren tot de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit mogen de hun door de wet toegekende bevoegdheden slechts aanwenden voor het specifieke doel waarvoor zij deze bevoegdheden hebben ontvangen (DEFOOR, W., "De onderzoeksmachten van de fiscale Administratie en het toetsingsrecht van de fiscale rechter inzake administratieve geldboeten.", Fisc. Koer., 2006, 504-505).

In voorliggend geval stelt de rechtbank vast dat de controleambtenaar van de AOIF belast was met een onderzoek naar de toepassing van de BTW-wetgeving. Uit het proces-verbaal van 12.04.2000 blijkt dat overeenkomstig art. 61 §1 WBTW inzage gevraagd werd in de boeken en geschriften welke eiser voor de jaren 1995 en 1996 diende te houden, op te stellen of te ontvangen bij toepassing van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde of van de ter uitvoering ervan getroffen besluiten, evenals van alle andere boeken en stukken welke door hem werden gehouden, opgemaakt of ontvangen met betrekking tot de genoemde activiteit en meer in het algemeen met betrekking tot elk beroepsinkomen. Bijgevolg is er geen sprake van enige onbevoegdheid van de controlerende ambtenaar. (besproken in : Antwerpen, 14 maart 2006, Fisc. Koer, 2006, 501)

4. Eiser houdt voor dat het dwangbevel nietig zou zijn omdat de heer C. niet gemachtigd was om het dwangbevel te viseren en uitvoerbaar te verklaren omdat het dwangbevel gebaseerd was op een proces-verbaal van 12.04.2000 opgesteld door een ambtenaar bij de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit.

Bij gebreke aan voldoening van de belasting, intresten, administratieve geldboete en toebehoren wordt door de met de invordering belaste ambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd. Ten deze werd het dwangbevel uitgevaardigd op 17.04.2000 door J. R., eerstaanwezend inspecteur, van het tweede ontvangkantoor van de BTW te Hasselt.

De met invordering van de belasting over de toegevoegde waarde belaste ambtenaar kan een dwangbevel uitvaardigen zodra uit een, door een ambtenaar van het Ministerie van Financiën opgemaakt, proces-verbaal, dat bewijs oplevert zolang het tegenbewijs niet is bewezen, blijkt dat de bepalingen van het Btw-wetboek zijn overtreden (Cass., 21.11.1991, Arr. Cass., 1991-92, 249). Het proces-verbaal dat samen met het dwangbevel betekend werd aan eiser werd opgesteld en ondertekend door de verbalisant zijnde H. H., eerstaanwezend verificateur bij de Administratie van de onderneming- en inkomensfiscaliteit, controlecentrum Hasselt­ Beringen.

Overeenkomstig art. 85 WBTW dient het dwangbevel geviseerd en uitvoerbaar verklaard te worden door de gewestelijke directeur van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen. Ten deze werd het dwangbevel geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer R. C., gewestelijk directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Hasselt. Bijgevolg werd de terzake geldende wetgeving nageleefd en voldoet het dwangbevel aan de geldigheidsvereisten.

5. Eisende partij stelt dat het proces-verbaal geen melding maakt van één van haar essentiële elementen, meer bepaald de identificatie van de controlerende ambtenaren. De controle werd op 10 maart 1998 uitgevoerd door Mevr. H. H. van de AOIF, afkomstig van de administratie van de BTW, registratie en domeinen en de heer N. G. van de AOIF, afkomstig van de administratie van de directe belastingen.

Een proces verbaal dient geschreven te zijn, opgesteld door de bevoegde personen, gedagtekend en ondertekend te zijn door de opsteller en te voldoen aan de taalwetgeving. Een proces-verbaal dat naar de vorm geldig is verleend een bewijswaarde aan de erin gedane vaststellingen.

Ten deze wordt door eiser niet betwist dat H. H., eerstaanwezend verificateur van de AOIF, afkomstig van de administratie van de BTW, registratie en domeinen, de opsteller is van het proces-verbaal. Het proces-verbaal werd opgesteld met betrekking tot de vaststelling van de inbreuken op het WBTW en haar uitvoeringsbesluiten. Het proces-verbaal werd ook terecht ondertekend door voornoemde verbalisant. Ambtenaren die behoren tot de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit mogen de hun door de wet toegekende bevoegdheden slechts aanwenden voor het specifieke doel waarvoor zij deze bevoegdheden hebben ontvangen.

Het feit dat de heer N. G. eerstaanwezend verificateur bij de Administratie van de ondernemings-en inkomstenfiscaliteit, afkomstig van de administratie van de directe belastingen, niet vermeld werd in het proces-verbaal, noch het proces-verbaal ondertekende, brengt geenszins de nietigheid met zich mee van het proces-verbaal.

6. In het raam van de belasting over de toegevoegde waarde, is het dwangbevel enerzijds een taxatietitel waarin de belastingschuld geconcretiseerd wordt bij gebreke aan spontane en onvoorwaardelijke betaling van de verschuldigde belasting en anderzijds een akte die geldt als uitvoerbare titel met het oog op de invordering van die belasting (Cass.9 maart 2006, FJF, 2007, afl.10, 911).

Wanneer verzet wordt aangetekend tegen het dwangbevel en de geldigheid van het dwangbevel betwist wordt, moet de administratie het bewijs leveren van het bestaan van haar zekere en opeisbare schuldvordering ten aanzien van eiser.

Artikel 59 par. 1 WBTW stelt dat overtredingen op de bepalingen van het wetboek of van zijn uitvoeringsbesluiten, alsmede feiten die de verschuldigdheid van de belasting of de geldboete aantonen of daartoe bijdragen, door de administratie kunnen worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën. Deze processen-verbaal leveren bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen. De bijzonder bewijskracht van processen-verbaal inzake BTW strekt zich enkel uit over de materiële vaststellingen die door de verbaliserende ambtenaren zelf werden gedaan maar niet voor de juridische gevolgtrekkingen die daaruit kunnen worden afgeleid (Cass. 17 april 1998, Arr. Cass., 1998, 427)

In het proces-verbaal van 12.04.2000 werd op grond van zowel de financiële rekeningen van de belastingplichtige, als het gemiddeld consumptiegedrag van een Belgisch gezin volgens het huishoudbudgetonderzoek verricht door het Nationaal Instituut voor Statistiek, de minimaal behaalde inkomsten berekend voor de jaren 1995 en 1996, welke overeenstemmen met de minimaal behaalde omzet in de handelszaak.

Het zonder meer verwijzen naar de gemiddelde bestedingen van een Belgisch gezin volgens het huishoudbudgetonderzoek 1995-1996 verricht door het Nationaal Instituut voor statistiek heeft geen bijzonder bewijswaarde. De belastingadministratie gaat hier uit van een vermoeden. Vermoedens zijn gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit.

Bijgevolg dient de administratie het bewijs te leveren van de bestedingen van eiser voor het huishoudbudget. Verweerder laat na de kosten van levensonderhoud gedetailleerd te ramen. Er zijn onvoldoende vaststaande gegevens die bewijzen dat de berekening van de kosten voor levensonderhoud met de werkelijkheid overeenstemmen. De geraamde uitgaven voor levensonderhoud zijn geen zeker feit maar worden slechts vermoeden en zijn daarom nooit voldoende zeker om op hun beurt als basis te dienen van het feitelijk vermoeden van art. 59 §1 WBTW.

De bewijsvoering ter ondersteuning van het litigieuze dwangbevel is aangetast door het bouwen van vermoedens op vermoedens. Het dwangbevel is dus gesteund op een willekeurige bewijsvoering en daarom integraal nietig.

De stukken medebetekend met het dwangbevel schragen m.a.w. de litigieuze taxatie niet.

De vordering van eiser is dan ook gegrond.

7. Gelet op bovenstaande dient er door de rechtbank niet verder ingegaan te worden op de overige argumenten aangehaald door partijen.

8. Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S. 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008.

Partijen hebben terzake standpunt ingenomen.

De vordering streeft de vernietiging na van het dwangbevel.

Deze vordering is niet in geld waardeerbaar en de rechtbank bemerkt geen enkele reden om af te wijken van het basisbedrag.


Gelet op de art 2, 30 tot 37 en41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.


Dispositif

OM DEZE REDENEN :

De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak.

Verklaart het verzet van eiser tegen het dwangbevel ontvankelijk en gegrond.

Verklaart het dwangbevel (R.C.I.V.-nr. …) dat op naam en lastens eiser werd uitgevaardigd op 17.04.2000 door de heer eerstaanwezend inspecteur J. R., van het tweede Btw-Ontvangkantoor te Hasselt en dat werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer R. C., gewestelijk directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Hasselt op 18.04.2000, onwettig;

En verbiedt de uitvoering van het dwangbevel zulks wat betreft de BTW, de geldboete alsook de moratoire intresten op de wijze zoals bepaald in het dwangbevel;

Veroordeelt verweerder tot terugbetaling van hetgeen uit oorzaak van hoger vermeld dwangbevel wederrechtelijk zou zijn betaald vermeerderd met de moratoire en gerechtelijke intresten.

Veroordeelt verweerder tot de kosten, begroot op een rechtsplegingvergoeding van … euro.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de elfde kamer D, op het gerechtshof te Hasselt op 04.03.2009, alwaar aanwezig waren :

De Heer L. B., voorzitter van de kamer,

Mevrouw M. C., rechter,

Mevrouw C. P., rechter,

De Heer L. P., griffier.

L. P. C. P. M. C. L. B.

Textes cités

4
CTVA art. 853 occurrences
CTVA art. 561 occurrence
CTVA art. 591 occurrence
CTVA art. 611 occurrence

Décisions similaires

8